GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.708/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 578136)
beschikking van 21 mei 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,verzoeker,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Haverkort,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.H. Schmidt.
1. Het geding in eerste aanleg
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 februari 2026, uitgesproken onder zaaknummer 578136 (hierna: de bestreden beschikking). Bij deze beschikking heeft de rechtbank de volgende zorgregeling vastgesteld:
a. van maandag uit school tot donderdag naar school bij de moeder zijn;
b. van donderdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader zijn;
c. de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder zijn en de andere week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 23 maart 2026;
- het verweerschrift op het incidenteel verzoek met producties;
- een journaalbericht van mr. Haverkort van 29 april 2026 met een productie;
- een journaalbericht van mr. Haverkort van 1 mei 2026.
De mondelinge behandeling heeft op 4 mei 2026 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
3. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd [in] 2009. Het huwelijk is op 13 maart 2026 ontbonden.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 (hierna: [de minderjarige1] );
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2011 (hierna: [de minderjarige2] );
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2014 (hierna: [de minderjarige3] );
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2016 (hierna: [de minderjarige4] ),
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 juni 2024 voorlopige voorzieningen getroffen.
Bij beschikking van 12 maart 2025 is de voorlopige zorgregeling als volgt gewijzigd:
voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geldt dat zij:
- een keer per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn;
- in de andere week op woensdag uit school tot en met het avondeten bij de vader zijn;
voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] geldt dat zij:
- op maandag uit school bij de moeder zijn tot woensdag naar school;
- op woensdag uit school bij de vader zijn tot vrijdag naar school;
- de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder zijn;
- de andere week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn.
Daarnaast heeft de rechtbank een voorlopige vakantieregeling vastgesteld.
In de beschikking van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de in de bestreden beschikking vastgelegde zorgregeling te verbeteren, afgewezen.
4. De motivering van de beslissing
Aan de orde is het verzoek van de vader – zoals gewijzigd in het journaalbericht van 1 mei 2026 – schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1 genoemde beslissing over [de minderjarige3] en [de minderjarige4] (onder 3) betreft. De moeder voert hiertegen gemotiveerd verweer.
Ontvankelijkheid
Zoals op de mondelinge behandeling besproken, heeft de rechtbank de bestreden beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard in het dictum. In de overwegingen is vermeld dat de beslissing wel uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
Het hof gaat er net als de ouders van uit dat de rechtbank de bedoeling had om de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en zal dit ook zo lezen in de beslissing. De vader kan dan ook worden ontvangen in zijn verzoek.
Schorsing
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en deze beslissing niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de bestreden beschikking en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
Het hof is het met de moeder eens dat het niet in het belang van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] is om de zorgregeling nu aan te passen, terwijl die sinds de bestreden beschikking wordt uitgevoerd. [de minderjarige3] en [de minderjarige4] hebben er het meeste belang bij dat de zorgregeling die zij al een paar maanden uitvoeren, wordt gecontinueerd en dat zij in deze tussenliggende periode (tot de beslissing in de hoofdzaak) zo veel mogelijk rust kunnen ervaren. Uit het dossier en hetgeen is besproken op de mondelinge behandeling blijkt dat de al lang durende strijd tussen de ouders over de zorgregeling de nodige spanningen en onrust meebrengt voor de kinderen. Het hof is het met de ouders eens dat dit niet in hun belang is.
De vader heeft geen argumenten aangevoerd op basis waarvan het hof een reden ziet om de zorgregeling van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in het kader van deze schorsingszaak (en dus mogelijk tijdelijk) te wijzigen. De vader ziet de kinderen wekelijks en om de week meerdere dagen en kan zijn band met [de minderjarige3] en [de minderjarige4] behouden. Het standpunt van de vader dat de rechtbank een duidelijke fout heeft gemaakt, deelt het hof niet. Zoals de rechtbank in haar herstelbeschikking van 19 februari 2026 al heeft geoordeeld, is geen sprake van een kennelijke fout die eenvoudig te herstellen is. De fout waarop de vader wijst, kan in hoger beroep worden hersteld. Dit is echter een onderwerp dat in de hoofdzaak aan de orde zal komen en waarop het hof pas na een volledig debat zal beslissen. Daarop zal het hof nu niet vooruitlopen.
Het hof zal het verzoek tot schorsing van de vader dan ook afwijzen.
5. De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek tot schorsing van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Prakke-Nieuwenhuizen en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 21 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.