ECLI:NL:GHARL:2026:3230

ECLI:NL:GHARL:2026:3230

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer 21-002727-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2025:2626

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn ex-partner. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het heimelijk vervaardigen van en beschikken over afbeeldingen van seksuele aard van haar. Het hof legt een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof legt ook een contact- en locatieverbod op. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

2. Oordeel van het hof

De bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen wordt bewezenverklaard de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.

1. De door verdachte op de zitting van het hof van 11 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb een lange tijd een relatie met aangeefster gehad. Het klopt dat ik op 9 februari 2021 mijn penis in de vagina van aangeefster heb gebracht. Aangeefster lag op dat moment te slapen in de slaapkamer met de kinderen. Ik ben naar haar toe gelopen en ik heb haar van achteren seksueel benaderd. Ik streelde aangeefster en ik hield haar vast. Ik zat met mijn penis te spelen en ik heb mijn penis in haar vagina gebracht. Ik probeerde de relatie te redden, ook op seksueel gebied. Ik heb daardoor seksueel overschrijdend gedrag laten zien.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 20 januari 2022, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Midden-Nederland met BVH-nummer 2021316632 en 2023094178, inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde] :

V: Wanneer is dat gebeurd?

A: Verkrachting in de nacht van 8 op 9 februari 2021.

V: Waar is dat gebeurd?

A: In de huurwoning op de [adres 2] te [gemeente] .

Op 9 februari lag ik in bed en ik werd wakker, omdat ik iets in mijn boxershort voelde. Ik voelde dat hij zijn piemel in mijn vagina duwde. Ik noem dat verder zijn ding. Hij wilde bewegen, maar dat lukte niet. Op dat moment wilde ik bewegen maar dat lukte niet. Maar toen mijn ademhaling normaal werd, ging hij verder met zijn ding in mijn vagina stoppen, en maakt hij zijn ding nat en toen lukte het wel. Ik reageerde, what the fuck ben je aan het doen? Ik zei dat is aanranding/verkrachting. Toen heb ik in de tussentijd een vriendin geappt. Mijn relatie was voorbij. In de middag heb ik die morning after pil op de plek waar hij altijd zit neergezet. Ik heb gezegd dat hij uit huis moest en dat het het ergst is wat hij ooit heeft gedaan.

Mijn twee dochters lagen ook bij ons in bed, die lagen achter mij. Hij heeft hun aan de kant geschoven. Ik voelde dus eerst die haartjes en ik voelde daarna dat hij mijn boxershort optilde en naar boven trok zodat mijn vagina bloot ligt. Ik voelde toen dat hij zijn ding in mij probeerde te duwen. Zijn ding was stijf, dat voelde ik. In eerste instantie lukte het niet om zijn ding in mijn vagina te duwen. Omdat het bij mij niet nat was en ook door de positie. Bij mij was het niet nat, dat merkte hij ook wel. Toen heeft hij met zijn mond zijn ding nat gemaakt zodat het er wel in zou gaan. Hij maakte zijn vingers nat door middel van spuug en deed dat op zijn ding. Dan probeerde hij zijn ding in mij te duwen en dat lukt op dat moment wel. De bekende bewegingen zijn de heen en weer bewegingen wanneer mensen sex hebben. Dan komt er een moment dat ik er iets van zeg.

V: Wat was de stand van zaken tussen jullie op 9 februari 2021?

A: Voor mij was de relatie voorbij. Hij vond dat moeilijk om te accepteren. Hij wist dat de relatie voorbij was. Ik heb hem begin januari weggestuurd en hij is een paar dagen bij zijn moeder geweest. Toen hij terug kwam heeft hij weleens mijn hand op zijn geslachtsdeel gelegd, maar ik heb duidelijk gezegd dat ik dat niet wil.

V: Hoe was de situatie in huis, wie sliep waar?

A: Ik heb hem in januari gezegd dat hij op zolder moest slapen. Ik heb het logeerbed op zolder gelegd. Ik heb mijn dochters toen in mijn bed gelegd, als een soort statement, van het bed is vol. Het is de enige kamer waar een slot op kan, ik wilde in deze kamer blijven. Het slot was in januari kapot, maar per 9 februari heb ik gebeld met de woningbouw om het te laten maken.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2024, opgenomen op pagina 36 e.v. van het dossier van Politie Midden-Nederland met BVH-nummer 2021316632 en 2023094178, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op maandag 4 maart 2024, beluisterde ik, verbalisant [verbalisant 2] mediabestand 2021_11_03_19_49_15. Dit bestand werd door aangeefster aan mij, verbalisant [verbalisant 1] , op woensdag 28 februari 2024 op een USB stick overhandigd. Aangeefster verklaarde aan mij, verbalisant [verbalisant 1] , dat dit een telefoongesprek tussen haar en haar ex-vriend [verdachte] betrof welke op 03 november 2021 had plaatsgevonden.

Ik. verbalisant, hoorde dat de man zei: “Mijn gedrag is niet goed geweest.”

Ik. verbalisant, hoorde dat de vrouw zei: “Je hebt mij verkracht en je hebt jouw piemel in

mijn mond gestopt terwijl ik sliep.”

Ik. verbalisant, hoorde dat de man zei: “Dat was anders en dat was in de tijd dat wij het

samen weer gingen proberen.“

Ik, verbalisant, hoorde dat de vrouw hierop zei: “Nee, nee, nee, de verkrachting was in

februari nadat ik in januari tegen je had gezegd dat je weg moest gaan.”

Ik. verbalisant, hoorde dat de man zei: “Je zat ook aan mij toen we samen gingen liggen.”

Ik, verbalisant, hoorde dat de vrouw hierop zei: “Was ik wakker toen ik aan je zat?”

Ik. verbalisant, hoorde dat de man hierop “Nee.” zei.

Ik, verbalisant, hoorde dat de vrouw zei: “ Toen dit tijdens mijn slaap gebeurde had ik al lang aangegeven dat ik niets meer van je wilde.”

Ik, verbalisant, hoorde dat de man zei: “Ik ga mij dan vrijdag melden, omdat ik morgen jarig ben.”

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2025, los bijgevoegd met documentcode 20539180, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] :

Op 4 maart 2024 is door mij een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt m.b.t. het beluisteren en beschrijven van een geluidsopname van een telefoongesprek tussen aangeefster [benadeelde] en verdachte [verdachte] . Ik heb in deze zaak meerdere keren contact gehad met verdachte [verdachte] , onder andere bij het verhoor verdachte. Door dit contact heb ik de stemmen in de genoemde geluidsopname herkent als de vrouwenstem van aangeefster [benadeelde] en de mannenstem van verdachte [verdachte] .

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 5 maart 2024, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van Politie Midden-Nederland met BVH-nummer 2021316632 en 2023094178, inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :

V: Wilt u ons vertellen wat u weet van wat er in februari 2021 tussen [benadeelde] en [verdachte] gebeurd zou zijn?

A: Ik herinner mij dat ik die avond werd geappt door [benadeelde] . Ze was overstuur. Ik wist toen al dat de relatie over was. Naar mijn weten sliepen ze apart en had hij geen reden om in die slaapkamer te zijn. Ze appte en zei dat ze wakker werd, dat hij naast haar bed stond en dat ze iets op haar lippen voelde. Ze dacht dat het zijn geslachtsdeel was. Ze had hem gevraagd wat hij daar deed. Hij had een verhaaltje opgehangen. Ze vertelde ook dat hij achter haar lag en dat hij probeerde haar te penetreren. Ik weet niet of dat penetreren op dezelfde avond was als dat ze ook iets op haar lippen voelde.

V: Waaruit bleek dat ze overstuur appte?

A: Als je iemand langer kent, dan weet je hoe die iemand appt. Als iemand op dat tijdstip appt en met die woorden.

6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een e-mail van [naam 1] van 27 januari 2025, medewerkster klantenservice woningbouwvereniging, los bijgevoegd aan het dossier:

Zoals zojuist besproken bevestig ik hierbij 2 eerdere werkzaamheden welke aan de deuren in uw woning aan de [adres 2] hebben plaatsgevonden. Op 10 februari 2021 heeft u een verzoek gedaan om het slot van de slaapkamerdeur na te zien, deze was defect. Dit is op 14 april 2021 hersteld.

Juridisch kader voor het onder 1 primair tenlastegelegde

Bij de beoordeling van het bewijs stelt het hof voorop dat in een zedenzaak zich vaak de situatie voordoet dat alleen het slachtoffer en verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij allebei iets anders verklaren over wat er is gebeurd. Bij een (deels) ontkennende verdachte, brengt dit in veel gevallen mee dat de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van het vermeende slachtoffer. Steunbewijs kan ertoe leiden dat toch een bewezenverklaring kan volgen. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring (slachtoffer) heeft afgelegd.

Het hof stelt verder voorop dat voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde dwang is vereist. De dwangmiddelen opgenomen in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud) zijn (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) een andere feitelijkheid. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van dwingen in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud) slechts sprake kan zijn indien verdachte heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Voor de onderhavige zaak is relevant dat dwang volgens de Hoge Raad niet kan worden bewezen wanneer een slachtoffer tijdens de seksuele handelingen in slaap is. In dat geval wordt aangenomen dat tijdens het ondergaan van de handelingen een actieve wil bij het slachtoffer ontbreekt en de handelingen dus niet tegen de wil plaatsvinden. Als een slachtoffer echter na aanvang maar voor afloop van de van de seksuele handelingen wakker wordt, is het voor dwang vereiste bewustzijn vanaf het moment van ontwaken wel aanwezig. Van belang om te vermelden in dat verband is dat een ontwakend slachtoffer dat zich langzamerhand bewust wordt van seksuele handelingen die verricht worden, niet direct in staat zal zijn zich daartegen te verzetten. Een slachtoffer wordt als het ware overrompeld door dergelijk ‘onverhoeds handelen’. Dit onverhoeds handelen kan onder omstandigheden worden aangemerkt als ‘door een feitelijkheid dwingen’ in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud).

Voor een bewezenverklaring van verkrachting is in ieder geval vereist dat de verdachte de seksueel binnendringende handelingen opzettelijk tegen de wil van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte moet daarbij gericht zijn op de dwang en dus op het tegen de wil doen ondergaan van de seksuele handelingen door het slachtoffer. Ten aanzien van een ontwakend slachtoffer betekent dat dat moet worden vastgesteld dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om het wakker geworden slachtoffer tegen zijn of haar wil ontuchtige handelingen te doen ondergaan. Daarbij geldt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (Vgl. PHR 7 oktober 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1082).

Feitenvaststelling en oordeel hof

Verdachte en aangeefster hebben gedurende een periode van meerdere jaren een relatie met elkaar gehad. Op 9 februari 2021 is verdachte naar de slaapkamer van aangeefster gegaan en heeft hij haar van achteren seksueel benaderd, terwijl zij daar met hun kinderen lag te slapen. Vervolgens heeft verdachte haar gepenetreerd. Tot zover komen de verklaringen van verdachte en aangeefster overeen.

De verklaringen van verdachte en aangeefster verschillen op het punt wanneer de relatie tussen beiden is beëindigd en of sprake was van een voor hun gebruikelijke manier van seksuele omgang met elkaar op 9 februari 2021. Verdachte heeft verklaard dat hij niet opzettelijk tegen de wil van aangeefster heeft gehandeld, omdat de relatie in zijn ogen op dat moment nog niet was beëindigd en zij binnen hun relatie vaker op deze wijze seks hadden met elkaar. Aangeefster heeft daarentegen verklaard dat de relatie in januari 2021 al was beëindigd, dat verdachte hiervan op de hoogte was, dat verdachte na enkele dagen bij zijn moeder te hebben verbleven weer thuis kwam, toen een keer haar hand op zijn geslachtdeel heeft gelegd waarna aangeefster duidelijk heeft gemaakt dat niet te willen en dat verdachte vanaf dat moment op zolder, althans niet meer in bed bij aangeefster, moest slapen en dat zij niets meer van verdachte wilde.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het hof stelt vast dat aangeefster consistent, gedetailleerd en volledig heeft verklaard over de aanloop naar 9 februari 2021, over wat er op 9 februari 2021 is gebeurd en over de periode daarna. Het dossier bevat op essentiële onderdelen steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Zo heeft aangeefster op 10 februari 2021, en dus vlak na het incident, contact opgenomen met de woningbouwvereniging om het slot van de slaapkamerdeur te laten maken. Dit gedrag past naar het oordeel van het hof niet bij het door verdachte geschetste beeld van een situatie waarin sprake zou zijn geweest van een relatie, wederzijdse instemming voor seks of een voor beiden gebruikelijke seksuele omgang. Dat aangeefster het slot heeft laten repareren sluit juist aan bij de verklaring van aangeefster dat de seksuele handelingen tegen haar wil gebeurden. Verder vindt het hof steun voor de verklaring van aangeefster dat de relatie in januari 2021 was beëindigd in het telefoongesprek tussen verdachte en haar op 3 november 2021. Het hof stelt vast dat verdachte de beëindiging van de relatie in januari 2021 tijdens het telefoongesprek niet uitdrukkelijk heeft betwist op het moment dat aangeefster dit stelde. De verklaring van aangeefster vindt bovendien steun in de getuigenverklaring van (toenmalige) vriendin [getuige] . Zo heeft getuige [getuige] verklaard dat aangeefster haar overstuur appte na het incident op 9 februari 2021 en was er volgens getuige [getuige] geen reden meer voor verdachte om die dag in de slaapkamer van aangeefster te zijn en seksuele handelingen met haar te verrichten, omdat de relatie tussen beiden was beëindigd. De manier waarop aangeefster na het incident contact heeft gezocht met getuige [getuige] past niet bij de lezing van verdachte en laat zien dat aangeefster zich onveilig voelde. Het hof ziet, gelet op bovenstaande overweging, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangeefster en is dan ook van oordeel dat haar verklaring als uitgangspunt kan dienen bij de verdere beoordeling van het tenlastegelegde.

Van (bedreiging met) geweld is in deze zaak geen sprake. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte aangeefster middels een andere feitelijkheid heeft gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan, namelijk door de handelingen onverhoeds te verrichten. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Het hof stelt vast dat verdachte onverwachts aangeefster van achteren op seksuele wijze heeft benaderd op een moment dat aangeefster sliep en de relatie tussen beiden voorbij was. Uit de verklaringen van verdachte en aangeefster volgt dat aangeefster wakker werd al vóór het moment dat verdachte zijn penis in haar vagina had gebracht. Zij heeft verklaard over verschillende door haar waargenomen handelingen van verdachte voorafgaand aan het binnendringen van de vagina. Het hof leidt uit de verklaringen van aangeefster af dat zij vanaf het moment dat zij ontwaakte en merkte dat zij seksueel werd betast, in de tijdspanne tussen het ontwaken en het moment waarop zij de situatie wist te beëindigen door er iets van te zeggen, door het onverhoedse karakter gedwongen was de betastingen en penetrerende handelingen te dulden.

Aangeefster heeft over haar waarnemingen verklaard dat zij iets in haar boxershort voelde, dat zij eerst haartjes voelde, dat zij daarna voelde dat hij haar boxershort optilde en naar boven trok zodat haar vagina bloot lag, dat zij voelde dat hij zijn ding in haar probeerde te duwen, dat zij voelde dat zijn ding stijf was, dat het in eerste instantie niet lukte om zijn ding in haar vagina te duwen dat hij met zijn mond zijn ding nat heeft gemaakt zodat het er wel in zou gaan, dat hij het daarna wel lukte, de bekende heen en weer bewegingen wanneer mensen seks hebben en dat er daarna een moment kwam waarop zij er iets van zei. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat aangeefster zich bewust was van de seksuele handelingen die verdachte verrichtte zoals zij die heeft beschreven en dat er daarbij sprake was van het voor dwang vereiste bewustzijn, maar dat aangeefster niet meteen heeft kunnen reageren. Zodra aangeefster daartoe in staat was heeft zij dat wel gedaan en zei ze tegen verdachte “What the fuck ben je aan het doen?”. Het hof leidt uit bovenstaande omstandigheden af dat verdachte onverhoeds heeft gehandeld en merkt de wijze van handelen aan als ‘door een feitelijkheid dwingen’ in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud). Het enkele feit dat binnen een eerdere relatie seksuele omgang op een bepaalde wijze al dan niet heeft plaatsgevonden, betekent niet dat verdachte ervan uit mocht gaan dat aangeefster ook na beëindiging van die relatie instemde met seksuele handelingen. Juist nu de relatie was beëindigd, aangeefster duidelijk aan verdachte kenbaar had gemaakt dat zij niets meer van hem wilde en aangeefster lag te slapen, had verdachte alleen mogen uitgaan van haar instemming als zij daar duidelijk, ondubbelzinnig en expliciet van had laten blijken, hetgeen niet het geval is geweest. Gelet op bovengenoemde omstandigheden heeft verdachte bewust het risico aanvaard dat aangeefster tegen haar wil seksuele handelingen onderging.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Beoordeling van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-041167-25

Verdachte wordt – kort gezegd – onder 1 verweten dat hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 3 november 2021 in [gemeente] meerdere afbeeldingen van seksuele aard van [benadeelde] (hierna: aangeefster) heimelijk heeft vervaardigd. Verder wordt verdachte onder 2 verweten dat hij ook de beschikking heeft gehad over deze afbeeldingen van seksuele aard.

1. Standpunten van de procespartijen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft op de zitting van het hof het onder 1 en 2 tenlastegelegde bekend. De verdediging heeft geen verweer gevoerd over de bewijsbaarheid van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

2. Oordeel van het hof

De bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen wordt bewezenverklaard de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen.

1. De door verdachte op de zitting van het hof van 11 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik op meerdere momenten in de periode van 1 januari 2021 tot en met 3 november 2021 in [gemeente] 148 foto's en 47 filmpjes van aangeefster van seksuele aard heb vervaardigd en hier de beschikking over heb gehad. Ik heb dit stiekem gedaan. Aangeefster was hier niet van op de hoogte en heeft mij hier geen toestemming voor gegeven. Ik vond het spannend om foto’s en video’s van seksuele aard van haar te maken. Ik vond haar aantrekkelijk en raakte hier opgewonden van. Het betrof een fetisj en was stout. Mijn handelen was ingegeven door lust. Ik bewaarde de foto’s en filmpjes op een harddisk om ze op een later moment terug te kijken. Dit deed ik vanuit een seksuele intentie.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 20 januari 2022, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Midden-Nederland met BVH-nummer 2021316632 en 2023094178, inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde] :

A: Ik heb op de harde schijven gekeken, op de derde harde schijf die van hem is, vond ik foto’s en filmpjes van mij.

V: Wat heb je precies gezien?

A: Video’s van mij waar hij mijn ondergoed vast legt. En dat hij de deken omhoog doet en mijn ondergoed filmt. Er is een filmpje waarbij ik een keukenkastje schoon maak en hij achter mij staat en zijn geslachtdeel bloot heeft, mijn dochtertje staat naast mij aan de rechterkant. Ook een filmpje dat ik de plantjes water geef en dat ik buk en dat hij mijn achterkant filmt. Ook een filmpje van dat ik op de wc zit en dat hij de deur opentrekt. Het zijn vooral filmpjes van mij in mijn ondergoed en niet naakt. Ik ben hier 3 november 2021 achter gekomen. Hij heeft de filmpjes in de maanden daarvoor gemaakt, in juni/juli.

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2024, opgenomen op pagina 84 e.v. van het dossier van Politie Midden-Nederland met BVH-nummer 2021316632 en 2023094178, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] :

In totaal heb ik 556 foto’s gevonden welke voldoen aan de beschrijving die aangeefster [benadeelde] heeft gegeven en die kennelijk heimelijk gemaakt zijn. Van deze foto’s zijn er 148 foto’s waarop het kruis en/of de billen van aangeefster [benadeelde] te zien zijn, [benadeelde] op de wc zit en dat [benadeelde] bukt. In totaal heb ik 230 filmpjes gevonden welke voldoen aan de beschrijving die aangeefster [benadeelde] heeft gegeven en die kennelijk heimelijk gemaakt zijn. Van deze filmpjes zijn er 47 filmpjes waarop het kruis en/of de billen van aangeefster [benadeelde] te zien zijn, [benadeelde] op de wc zit en dat [benadeelde] bukt.

Feitenvaststelling en oordeel hof

Op de zitting van het hof heeft verdachte bekend dat hij met een seksuele intentie en heimelijk 148 foto’s en 47 filmpjes van aangeefster heeft gemaakt en deze bewaarde op een harddisk om ze op een later moment terug te kijken. Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-098562-24 primair en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Zaak met parketnummer 16-098562-24:

1. primair

hij op 9 februari 2021 in de gemeente [gemeente] door een andere feitelijkheid, te weten het onverhoeds brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [benadeelde] , [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] .

Zaak met parketnummer 16-041167-25:

1.hij in de periode van 1 januari 2021 tot en met 3 november 2021 te [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk van [benadeelde] meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten 148 foto's en 47 filmpjes, waarop het kruis en/of de billen van die [benadeelde] te zien zijn, heeft vervaardigd.

2.hij in de periode van 1 januari 2021 tot en met 3 november 2021 te [gemeente] de beschikking heeft gehad over meerdere afbeeldingen van seksuele aard van [benadeelde] , te weten 148 foto's en 47 filmpjes, waarop het kruis en/of de billen van die [benadeelde] te zien zijn, terwijl hij, verdachte, wist dat deze afbeeldingen opzettelijk en wederrechtelijk waren vervaardigd.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het in de zaak met parketnummer 16-098562-24 onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: verkrachting.

Het in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 1 bewezenverklaarde levert op: het opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon een afbeelding van seksuele aard vervaardigen, meermalen gepleegd

Het in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op: de beschikking hebben over een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat deze afbeelding opzettelijk en wederrechtelijk is vervaardigd, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Vordering advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het in de zaak met parketnummer 16-098562-24 onder 1 subsidiair (gemeenschap met een wilsonbekwame) en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 1 en 2 (heimelijk vervaardigen van en beschikken over afbeeldingen van seksuele aard) tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden dat verdachte geen contact zal opnemen met aangeefster en zich niet zal bevinden op haar woonadres.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf te hoog is. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte berouw heeft getoond aan aangeefster, dat hij zijn leven in positieve zin heeft gewijzigd en dat voor soortgelijke feiten doorgaans lagere straffen worden opgelegd. Deze omstandigheden moeten volgens de verdediging in het voordeel van verdachte meegewogen worden bij de strafoplegging. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat een contact- en locatieverbod goed vormgegeven kan worden als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Het opleggen van een artikel 38v-maatregel is in deze zaak te vergaand en daarom niet op zijn plaats.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte en aangeefster hebben lange tijd een relatie met elkaar gehad. In januari 2021 heeft aangeefster deze relatie beëindigd. Verdachte moest vanaf dat moment, terwijl hij noodgedwongen nog in de woning verbleef, op zolder slapen. Verdachte is op 9 februari 2021 toch naar de slaapkamer van aangeefster gegaan en heeft aangeefster, terwijl zij sliep, van achteren seksueel benaderd. Vervolgens heeft hij zijn penis in haar vagina gebracht. Er was geen enkele reden meer voor verdachte om op deze wijze fysiek contact te zoeken, omdat aangeefster een maand daarvoor een punt achter de relatie had gezet en duidelijk had gemaakt geen seksuele omgang meer met hem te willen. Dit heeft hem er niet van weerhouden om uiting te geven aan zijn eigen seksuele behoeftes. Dat de kinderen van verdachte en aangeefster op dat moment bij hun in bed lagen te slapen, maakt de situatie nog schrijnender. Daarnaast heeft verdachte bij aangeefster thuis stiekem foto’s en filmpjes gemaakt van seksuele aard. Op één van de filmpjes is zelfs te zien dat verdachte zijn penis uit zijn broek haalt en daarmee speelt, waarbij ook hun jonge dochter in beeld is. Dit maakt het handelen van verdachte des te kwalijker. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan strafbare feiten die ernstig inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van aangeefster.

Verdachte heeft op de zitting van het hof, vijf jaren na de bewezenverklaarde feiten, voor het eerst een verklaring afgelegd en zijn kant van het verhaal verteld. Verdachte heeft erkend dat hij seks met aangeefster heeft gehad en haar daartoe heeft benaderd terwijl zij eerst nog sliep. Ook heeft verdachte bekend dat hij op heimelijke wijze foto’s en video’s van seksuele aard van aangeefster heeft vervaardigd en dat hij hier de beschikking over heeft gehad. Verdachte heeft tijdens de zitting bij het hof verklaard spijt te hebben van zijn gedrag. Het hof merkt daarbij op dat verdachte weliswaar woordelijk heeft verklaard dat wat hij aangeefster heeft aangedaan niet had mogen gebeuren, maar het hof vraagt zich af in hoeverre verdachte dat ook intrinsiek zo voelt. Het hof stelt vast dat verdachte zorgelijk gedrag heeft vertoond en dat niet is gebleken dat hij hulp of behandeling heeft gehad waardoor de kans op herhaling is afgenomen. Hoewel verdachte zegt dat het hem spijt, is het hof niet overtuigd geraakt dat verdachte nu goed in staat is om grenzen van anderen te respecteren.

Namens aangeefster is door haar raadsvrouw tijdens de zittingen bij de rechtbank en bij het hof naar voren gebracht dat aangeefster sinds de bewezen verklaarde feiten psychische problemen ondervindt. Zij is het vertrouwen in anderen verloren. Het voortdurende gevoel van onveiligheid heeft gezorgd voor aanhoudende stress en heeft grote impact op haar leven. Aangeefster ondervindt tot op de dag van de zitting in hoger beroep de negatieve gevolgen van hetgeen verdachte haar heeft aangedaan en heeft hier nog steeds therapie voor nodig. Dit benadrukt de ernst van de feiten, temeer nu deze inmiddels enkele jaren geleden hebben plaatsgevonden.

Persoon van verdachte

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 10 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden is veroordeeld voor andere strafbare feiten. Het gaat om oude feiten en deze wegen daarom niet in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.

Tijdens de zitting van het hof heeft verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat hij is terugverhuisd naar de regio waar hij is opgegroeid. Verdachte is mantelzorger voor zijn moeder. Hij werkt en loopt stage op een opvang voor Oekraïners en is gestart met een opleiding in de beveiligingsbranche. Verdachte heeft verder verklaard dat hij schulden heeft en bezig is om meer financiële stabiliteit te verkrijgen. Het hof ziet in deze persoonlijke omstandigheden van verdachte geen strafverzwarende of strafverminderende factoren.

De op te leggen straf en/of maatregel

Het hof komt tot andere kwalificaties dan de rechtbank. Dit rechtvaardigt in beginsel een zwaardere straf dan door de rechtbank is opgelegd en dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof neemt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als uitgangspunt. Hierbij heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Nu verdachte - anders dan bij de politie - tijdens de zitting van het hof inzicht heeft proberen te geven in zijn handelen en gedachten en ook in een bepaalde mate verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij aangeefster heeft aangedaan en daarvan spijt heeft betuigt, ziet het hof aanleiding om een deel van die voormelde gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen. Al met al is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Het hof betrekt daarbij ook het volgende.

Het hof is van oordeel dat in dit geval niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een artikel 38v-maatregel. Het zorgelijke gedrag dat verdachte heeft vertoond in combinatie met de onveiligheid die aangeefster ervaart, vormt voor het hof wel aanleiding om een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod met betrekking tot haar woonadres op te leggen. Weliswaar vormt het een inperking van zijn grondrechten, maar verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verbinden van deze voorwaarden aan de straf en is bereid zich aan deze voorwaarden te houden. Het hof legt de verboden op door het als bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

De politie heeft op 30 mei 2023 een harddisk van verdachte in beslag genomen, merk Iomega, met goednummer PL0900-2023094178-3170547.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in beslag genomen harddisk verbeurd wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft op de zitting van het hof afstand gedaan van de in beslag genomen harddisk.

Oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat verdachte afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen harddisk. Daarom zal het hof geen beslissing nemen over dit inbeslaggenomen voorwerp.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 11.500,00 ingediend. In de zaak met parketnummer 16-098562-24 (verkrachting dan wel gemeenschap met een wilsonbekwame) stelt zij schade te hebben geleden voor een bedrag van € 9.000,00 en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 (heimelijk vervaardigen van en beschikken over afbeeldingen van seksuele aard) voor een bedrag van € 2.500,00.

De rechtbank heeft deze bedragen voor een deel toegewezen. In de zaak met parketnummer 16-098562-24 heeft de rechtbank een bedrag toegewezen van € 2.500,00 en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 een bedrag van € 1.000,00. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding voor het meer gevorderde afgewezen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de zaak met parketnummer 16-098562-24 vindt zij een bedrag van € 5.000,00 toewijsbaar en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 een bedrag van € 2.500,00.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een schadevergoeding op zijn plaats is, maar dat de hoogte van het gevorderde bovenmatig is. De raadsman heeft het hof verzocht om ten aanzien van de hoogte van de vordering overeenkomstig de beslissing van de rechtbank te oordelen. Voor het overige heeft hij het hof verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Oordeel van het hof

Op de zitting van het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-098562-24 onder 1 primair bewezenverklaarde (verkrachting) en strafbare handelen van verdachte.

De rechtbank heeft overwogen dat in eerste aanleg geen gegevens beschikbaar waren op grond waarvan objectief kon worden vastgesteld dat sprake was van psychisch letsel bij de benadeelde partij door de bewezen verklaarde feiten. Op de zitting van het hof is namens de benadeelde partij een brief overhandigd van GZ-psycholoog [naam 2] . Uit deze brief volgt onder meer dat de benadeelde partij nog altijd kampt met trauma-gerelateerde klachten naar aanleiding van seksueel geweld en grensoverschrijdend gedrag wat zij heeft meegemaakt in haar relatie met verdachte. Op de zitting van het hof is duidelijk geworden dat de benadeelde partij hier nog steeds behandeling voor krijgt. Anders dan de rechtbank stelt het hof objectief vast dat sprake is van psychisch letsel door de bewezen verklaarde feiten.

Het hof heeft voor wat betreft de hoogte van de te betalen schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het hof is van oordeel dat het bewezenverklaarde valt binnen de categorie ‘Verkrachting’, meer in het bijzonder ‘Categorie C’. Het hof stelt vast dat het gaat om een verkrachting op het moment dat verdachte en de benadeelde partij geen relatie meer met elkaar hadden. Deze verkrachting heeft in de slaapkamer van de benadeelde partij plaatsgevonden, waarbij zij van achteren werd benaderd terwijl zij daar lag te slapen met haar kinderen. Als gevolg van dit handelen heeft de benadeelde partij psychisch letsel opgelopen, waarvoor zij nog steeds onder behandeling is. Het hof acht op grond van deze omstandigheden de bovengrens van ‘Categorie C’ passend en begroot de immateriële schade ten aanzien van dit bewezen verklaarde feit op een bedrag van € 7.500,00. Dit deel moet door verdachte worden vergoed. De benadeelde partij heeft recht op wettelijke rente over de geleden immateriële schade vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De wettelijke rente over de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de verkrachting wordt toegewezen vanaf 9 februari 2021. Het hogere deel van de in dit verband gestelde schade wijst het hof af. De wettelijke rente is verschuldigd tot de dag van volledige betaling.

Op de zitting van het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij ook rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde (heimelijk vervaardigen van en beschikken over afbeeldingen van seksuele aard) en strafbare handelen van verdachte. Er zijn weliswaar met betrekking tot deze feiten geen gegevens overgelegd op grond waarvan objectief kan worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel door de feiten, maar het hof is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending met zich brengen dat de nadelige (psychische) gevolgen voor de benadeelde ten gevolge van dit handelen van verdachte zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft ook toegelicht hoe ingrijpend zij een en ander heeft ervaren. De benadeelde partij heeft dan ook voor deze feiten recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding.

Bij de bepaling van de hoogte van de betalen schadevergoeding heeft het hof ook bij deze feiten aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde acht het hof categorie ‘Openbaarmaking van seksueel getint beeldmateriaal’, meer in het bijzonder ‘Categorie C’ van toepassing. Hoewel het bewezenverklaarde niet heeft geleid tot openbaarmaking van de afbeeldingen, heeft verdachte op heimelijke wijze gedurende een periode van meerdere maanden een grote hoeveelheid foto’s en video’s van seksuele aard van de benadeelde partij vervaardigd en ter beschikking gehad. Op één van de filmpjes is zelfs hun dochter die op dat moment drie jaar is in beeld te zien, terwijl verdachte met ontbloot geslachtsdeel de benadeelde partij heimelijk in beeld brengt. De benadeelde partij heeft het vooral schrijnend ervaren dat zij via haar dochter heeft moeten vernemen dat haar ex-partner heimelijk beelden van haar maakte. Het hof acht onder deze omstandigheden een bedrag van € 2.500,00 op zijn plaats. Dit bedrag moet door verdachte worden vergoed. De wettelijke rente over dit schadebedrag wordt toegewezen vanaf 3 november 2021, omdat de benadeelde partij op dat moment de harde schrijf en het bestaan van de foto’s en video’s heeft ontdekt. De wettelijke rente is verschuldigd tot de dag van volledige betaling.

Om te bevorderen dat de geleden schade van in totaal € 10.000,00 door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 139h en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-098562-24 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-098562-24 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] te [gemeente] in Nederland;

de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden op of in de directe omgeving van het volgende woonadres: [adres 2] , [postcode] [gemeente] in Nederland.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-098562-24 1 primair bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-098562-24 primair bewezenverklaarde en in de zaak met parketnummer 16-041167-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde en een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

9 februari 2021 over een bedrag van € 7.500,00;

3 november 2021 over een bedrag van € 2.500,00.

Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. M.B. de Wit en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. J.J. Zieleman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand