ECLI:NL:GHARL:2026:3245

ECLI:NL:GHARL:2026:3245

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 26-05-2026
Zaaknummer 21-000529-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2022:386

Samenvatting

Poging tot doodslag, door een metalen ketting om de hals van het slachtoffer te wikkelen en die met kracht aan te trekken. Verdachte heeft de ketting losgelasten nadat die ketting ongeveer 45 seconden om de hals van het slachtoffer had gezeten. Het hof rekent het misdrijf in verminderde mate aan de verdachte toe. Het hof legt de volgende straffen op: - een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 117 dagen voorwaardelijk (met bijzondere voorwaarden) en - een taakstraf van 240 uur en - verbeurdverklaring van de ketting. Daarnaast legt het hof de verdachte een betalingsverplichting op ter vergoeding van schade van het slachtoffer.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [datum] in [plaats] ,

wonende op het adres [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Ook heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door verdachte en haar raadsman, mr. R. van Veen.

Verder heeft het hof kennisgenomen van de verklaring van benadeelde partij [aangever] en van wat is aangevoerd door zijn advocaat, mr. F.A. ten Berge.

Vonnis rechtbank

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht. Het hof komt namelijk tot een andere bewijsmotivering dan de rechtbank en legt een andere straf op. Ook beslist het hof anders op de vordering van de benadeelde partij.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

zij op of omstreeks 20 juni 2020 te Zeist, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,

‒ die [aangever] een (lange metalen) ketting om de nek heeft gedaan en/of

‒ (daarna) die ketting om zijn, [aangevers] , nek heeft gewonden en/of

‒ (vervolgens) die ketting (met kracht) heeft aangetrokken en/of die ketting (met kracht) is blijven aantrekken en/of

‒ (daarbij) aan die ketting en/of aan de nek van die [aangever] is gaan hangen en/of

‒ (daardoor) enige tijd de ademhaling van die [aangever] heeft belet/belemmerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

zij op of omstreeks 20 juni 2020 te Zeist, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

‒ die [aangever] een (lange metalen) ketting om de nek heeft gedaan en/of

‒ (daarna) die ketting om zijn, [aangevers] , nek heeft gewonden en/of

‒ (vervolgens) die ketting (met kracht) heeft aangetrokken en/of die ketting (met kracht) is blijven aantrekken en/of

‒ (daarbij) aan die ketting en/of aan de nek van die [aangever] is gaan hangen en/of

‒ (daardoor) enige tijd de ademhaling van die [aangever] heeft belet/belemmerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

zij op of omstreeks 20 juni 2020 te Zeist, althans in Nederland, [aangever] heeft mishandeld door

‒ die [aangever] een (lange metalen) ketting om de nek te doen en/of

‒ (daarna) die ketting om zijn, [aangevers] , nek te winden en/of

‒ (vervolgens) die ketting (met kracht) aan te trekken en/of die ketting (met kracht) blijven aan te trekken en/of

‒ (daarbij) aan die ketting en/of aan de nek van die [aangever] te gaan hangen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Deze strafzaak gaat over een geweldsincident dat plaatsvond in de nacht van 19 op 20 juni 2020 in Zeist. Tijdens een gesprek waarin verdachte [aangever] en zijn broer [getuige] verweet overlast te veroorzaken, heeft verdachte bij [aangever] een metalen ketting om de nek/hals gewikkeld. Daarna ontstond een worsteling tussen enerzijds verdachte en anderzijds aangever en zijn broer. Tijdens die worsteling heeft de ketting nog enige tijd om de nek/hals van aangever gezeten. Het incident is vastgelegd op camerabeeld.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat er voldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van zowel de primair ten laste gelegde poging tot doodslag als de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op het doden van [aangever] of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Het toegepaste geweld ging niet gepaard met een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever of op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Wanneer het hof tot het oordeel komt dat die kans er wel is geweest, kan niet worden vastgesteld dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Uit het persoonlijkheidsonderzoek blijkt dat zij dat op dat moment niet kon. Met betrekking tot de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

Wanneer het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman bepleit dat het hof verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte ter zake van alle tenlastegelegde feiten een beroep toekomt op putatief noodweer of putatief noodweerexces.

Oordeel hof

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, is kort gezegd van belang (1) wat (volgens het hof) de precieze aanleiding was van het geweldsincident, (2) hoe de geweldshandelingen zijn uitgevoerd en (3) hoe de geweldshandelingen juridisch moeten worden gekwalificeerd. De vaststellingen van het hof wat betreft de toedracht van het geweldsincident zijn gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen (waarvan de inhoud eventueel zakelijk is weergegeven).

Bewijsmiddelen

1. Aangifte [aangever]

heeft op 20 juni 2020 aangifte gedaan van een geweldsincident. Hij heeft toen onder meer het volgende verklaard.

Op 20 juni 2020 omstreeks 01.30 uur stond ik met mijn auto voor restaurant [naam 1] aan de [straat] in Zeist. Op het moment waarop mijn broertje [getuige] naar buiten kwam, hoorde ik geschreeuw achter de auto. Ik hoorde een vrouw mijn broertje uitschelden. Ik ben uitgestapt en zag dat een donkere vrouw achter mijn auto stond. Ik zag dat zij een lange metalen ketting in haar handen had. Even later voelde ik dat die vrouw de metalen ketting met kracht om mijn nek wond. Ik voelde direct pijn omdat zij er erg hard aan trok. Ik kan mij herinneren dat ik geen lucht meer kreeg en daardoor in paniek raakte. Ik begon terug te vechten om de metalen ketting van mijn nek af te krijgen. Ik merkte dat dit niet ging en dat zij alleen maar harder trok waardoor ik zwarte vlekken voor mijn ogen kreeg. Ik voelde vervolgens dat ik op de grond terechtkwam. Hierna werd het zwart en ben ik enkele ogenblikken bewusteloos geweest.

2. Huisartsconsult aangever

Het politiedossier bevat informatie over een huisartsconsult door [aangever] op 20 juni 2020 omstreeks 21.00 uur. Daaruit blijkt dat aangever hematomen had op de zijkanten van de hals en dat bij zuchten stridor te horen was. (Het hof begrijpt dat stridor een geluid is dat duidt op een vernauwing of obstructie in de luchtwegen.)

3. Verklaring [getuige]

, broer van [aangever] , is op 20 juni 2020 door de politie verhoord als getuige. [getuige] heeft toen onder meer het volgende verklaard.

Mijn broer [aangever] en ik waren gisteren laat nog aan het werk. Ik gaf mijn broer eten om te gaan bezorgen. Toen kwam opeens een vrouw schreeuwend aan met een ketting. Ze stonden tegenover elkaar. [aangever] gewoon met zijn handen omlaag. Even later deed zij die ketting om de nek van mijn broer. Ze hield de ketting stevig en strak vast en bleef die vasthouden. Ik hoorde dat mijn broer zei: “ik krijg geen adem”, daarna ging ze nog een paar seconden door. Toen zei ze tegen mij dat ik niets meer moest doen en dat ze dan zou stoppen. Nadat de ketting los was, zei zijn broer dat hij niet meer heel goed kon ademen en dat er een raar geluid kwam als hij uitademde. Ik heb dat ook gehoord.

4. Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof van 12 mei 2026 het volgende verklaard.

Ik ben naar buiten gegaan. Ik dacht over de ketting: “als ik die meeneem dan benaderen ze mij niet”. Ik zette groot in. De jonge man die naar buiten kwam (het hof begrijpt [getuige] ) sprak ik aan over het lachgas en de muziek. De bestuurder stapte uit. Ik heb de ketting om zijn nek gedraaid. Er werd gezegd dat ik de ketting los moest laten. Ik heb de ketting vastgehouden, zodat hij niet weg kon.

5. Waarneming hof (camerabeelden)

Het hof stelt vast dat de verdediging en de advocaat-generaal ermee hebben ingestemd dat het hof kennisneemt van de beschikbare camerabeelden in raadkamer. Het hof heeft bij het bekijken van de camerabeelden het volgende waargenomen, voor zover relevant voor het tenlastegelegde.

De camera is waarschijnlijk bevestigd aan de overhang voor de deur van het restaurant van aangever, welke deur links onderin het beeld zichtbaar is. De camerabeelden zijn in zwart-wit en niet voorzien van geluid. Op de winkelpui is de naam [naam 1] te lezen. De camera kijkt langs het winkelpand de straat in die licht afbuigt naar links. Recht vooruit in beeld is een stoep te zien van naar schatting drie meter breed. Rechts daarvan is de straat te zien met als eerste vier in de rijrichting georiënteerde parkeerplaatsen waarvan alleen de parkeerplaats het dichtst bij de camera bezet is door de lichtkleurige VW Golf van de aangever, die met de rechterzijde van de auto zichtbaar geparkeerd staat langs de stoeprand. De andere drie parkeerplaatsen zijn leeg. Daarnaast is de weg te zien die is opgedeeld in een fietssuggestiestrook, de rijbaan (tweerichtingsverkeer) en een tweede fietssuggestiestrook. Daarnaast is weer een stoep waar te nemen. Het is donker maar de situatie is door straatverlichting en andere lichtbronnen goed verlicht. Rechtsboven in beeld is de tijd weergegeven, die bij aanvang van de camerabeelden is: 2020-06-20 01:37:21. Navolgend zal het hof deze tijdsaanduiding aanhouden.

(01.37.31) Verdachte komt rechts achterin in het beeld in zicht. Zij komt van de overzijde van de straat op een geschatte afstand van 30 meter van de auto en steekt de straat recht over in de buurt van een zebrapad. Verdachte steekt niet helemaal over maar draait naar links en volgt lopend over straat de lijn van de linker fietssuggestiestrook in de richting van de auto van de verdachte.

(01:37:38) Te zien is dat zij een voorwerp in haar rechterhand heeft, later blijkt een ketting, terwijl haar rechterarm langs haar rechterzijde naar beneden hangt.

(01:37:40:30) [getuige] (hierna: de getuige) komt de deur van het restaurant uit met een aantal licht gekleurde tassen in zijn hand. Hij loopt naar het voorste portier aan de rechterzijde van de auto. Terwijl hij loopt, draait hij zijn hoofd naar links waarmee zijn hoofd in de kijkrichting naar verdachte draait.

(01:37:49) Verdachte loopt op een rustig tempo richting de achterzijde van de auto en stopt in het midden van de lege parkeerplaats direct achter de auto. Uit haar lichaamstaal blijkt dat zij, ondersteund door armgebaren met haar linkerarm, de getuige aanspreekt die nog naast het geopende raam van de voorste passagiersplaats staat, waar hij zojuist een tas heeft aangereikt aan een persoon die op de bestuurdersstoel zit. Verdachte heeft op dat moment de ketting nog in haar rechterhand. De ketting hangt langs haar rechterbeen en reikt tot aan de grond.

(01:38:05) Aangever stapt uit de geparkeerd staande auto en loopt rustig naar de achterzijde van de auto in de richting van verdachte die nog op dezelfde plek achter de auto staat. Zij richt zich tot hem en maakt weidse gebaren met haar linkerarm terwijl zij de ketting in haar rechterhand houdt met haar rechterarm nog langs haar lichaam. Aangever en verdachte staan op dat moment ongeveer tweeëneenhalve meter van elkaar af. Verdachte maakt met haar linkerarm armgebaren als zij aangever aanspreekt. De getuige staat stil ter hoogte van het rechter achterportier van de auto. Er volgt een gesprek tussen aangever en verdachte. Aangever en de getuige staan stil. Zij maken geen zichtbare bewegingen met hun lichaam.

(01.38:23) Aangever maakt een handgebaar waardoor zichtbaar is dat hij een opgeblazen ballon in zijn rechterhand heeft.

(01:38:27) Verdachte doet twee stappen richting aangever, waarbij zij ook met haar rechterarm waarmee zij de ketting vasthoudt, armgebaren maakt. Verdachte brengt haar rechterhand bij haar linkerhand. Zij staat nu op ongeveer een anderhalve meter afstand van aangever.

(01:38:35) Aangever doet enkele rustige passen richting verdachte. Terwijl hij op de verdachte toeloopt, wijst hij met zijn rechterhand, waarin hij nog steeds de ballon vast heeft, naar verdachte en mogelijk naar de ketting. Aangever stopt op een halve meter van verdachte. Hij heeft op dat moment zijn linkerarm langs zijn lichaam en in zijn rechterhand de ballon vast.

(01:38:37) De getuige loopt rustig op verdachte en aangever af die – zo is uit de lichaamstaal op te maken – met elkaar in discussie zijn. Verdachte is iets langer dan de aangever en zij staan op een veertig centimeter van elkaar met de hoofden licht naar elkaar toe gebogen.

(01:38:38) Op het moment dat aangever een kleine stap in de richting van verdachte maakt, met de zichtbare linkerarm nog langs het lichaam naar beneden gericht en zijn rechterarm na een gebaar met de ballon ook naar beneden gericht, zwaait verdachte de ketting boven het hoofd van aangever en wikkelt de ketting met twee bewegingen om zijn hals . Terwijl zij dit doet, draaien verdachte en aangever een kwartslag naar rechts waardoor aangever nu op de rug zichtbaar is en verdachte, die voor hem staat, niet direct zichtbaar is. Aangever heeft nog steeds in zijn rechterhand de ballon vast.

(01:38:40) De getuige – zichtbaar op zijn rug – pakt aangever vast. Met zijn drieën draaien verdachte, aangever en getuige naar links zodat verdachte links in beeld staat met aangever voor haar – in het beeld rechts – en is de getuige op de rug te zien.

(01:38:43) Met de ketting om zijn hals, haalt aangever met zijn rechterarm uit naar het hoofd van verdachte. Hij heeft de ballon zichtbaar losgelaten. Verdachte beweegt zich daarop met haar bovenlijf naar achteren en verplaatst zich ook naar achteren, waarbij zij de ketting vasthoudt. De getuige probeert de ketting los te krijgen en slaat gelijktijdig met aangever met zijn rechterhand richting het hoofd van verdachte.

(01:38:45) De worsteling duurt voort waarbij de drie om elkaar heen draaien. De handgebaren van aangever lijken erop te wijzen dat hij probeert om de ketting die nog om zijn hals gewikkeld zit, los te krijgen. De getuige slaat tot drie keer toe met zijn rechterhand in de richting van het hoofd van verdachte. Hij hangt tussen verdachte en aangever in aan de armen van verdachte en aangever.

(01:38:49) Alle drie vallen op de grond. Aangever is eerst zichtbaar op zijn rug maar dan vallen verdachte en de getuige over hem heen. Verdachte is aan de rechter kant van de worsteling te zien terwijl zij op haar knieën zit bovenop aangever.

(01:38:51) Terwijl de getuige aan de linkerzijde van de worsteling op de grond zichtbaar is en verdachte aan de rechterzijde, is zichtbaar dat aangever op zijn rug ligt en zijn linkerarm uitgestrekt naast zich valt. De linkerarm valt op omdat de straatverlichting schittert in – waarschijnlijk – zijn horloge. De linkerarm van aangever blijft meerdere seconden roerloos liggen – tot 01:38:57 – daarna verzet aangever zich weer. Ondertussen zit verdachte nog op haar knieën bovenop aangever en probeert de getuige aangever te bevrijden.

(01:38:58) De getuige blijft duwen tegen verdachte en tezamen staan zij op. Verdachte heeft aangever nog steeds vast en trekt aangever mee. Aangever is bij bewustzijn en hij maakt slaande bewegingen naar verdachte.

(01:39:00) Verdachte staat voorovergebogen gebogen met haar hoofd omlaag en haar twee armen nog steeds voor zich, terwijl zij de ketting vasthoudt. Aangever en verdachte vallen weer. Aangever en verdachte liggen naast elkaar terwijl de getuige op de verdachte slaat. Op 01:39:07 draait verdachte boven op aangever en wordt zijn rechterarm zichtbaar die roerloos op de grond ligt. Zijn rechterarm beweegt in het geheel niet tot 01:39:10. Daarna verzet aangever zich weer actief.

(01:39:10) Verdachte en aangever staan op. Aangever heeft zijn beide handen bij de voorkant van zijn hals (keel) en omklemt de ketting die nog steeds om zijn hals zit. Hij probeert weg te lopen. Verdachte houdt de ketting vast terwijl zij schuin achter aangever op haar knieën zit. Zij staat vervolgens op en loopt met hem mee.

(01:39:22) Verdachte wikkelt de ketting van de hals van aangever en houdt één kant vast. Aangever heeft de andere kant vast. Er wordt door verdachte en aangever met de hand getrokken aan de ketting.

Bewezenverklaring primair tenlastegelegde (poging doodslag)

Met betrekking tot de primair ten laste gelegde poging tot doodslag overweegt het hof het volgende.

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat verdachte het opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangever. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte niet het vooropgezette doel had om hem te doden. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden vastgesteld dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangever.

In het algemeen geldt dat van opzet op een bepaald gevolg (in dit geval: de dood van aangever) niet alleen sprake is als geweld wordt toegepast met de bedoeling het slachtoffer te doden, maar ook als iemand bij geweldsuitoefening bewust aanvaardt dat er een aanmerkelijke kans is dat die geweldshandeling zal leiden tot de dood van het slachtoffer.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, is het hof van oordeel dat de hierna genoemde (gewelds)handelingen tezamen met de overige feitelijke omstandigheden de aanmerkelijke kans in het leven hebben geroepen dat die geweldshandelingen de dood van aangever tot gevolg zouden kunnen hebben. Het hof is ook van oordeel dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Aanmerkelijke kans

Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte de metalen ketting om de hals van aangever heeft gewikkeld, dat deze ketting ongeveer 45 seconden om de hals van aangever heeft gezeten en dat de ketting in die periode ten minste enige tijd met kracht aangetrokken is geweest. Dat de ketting met kracht aangetrokken is geweest, leidt het hof af uit de verklaring van [getuige] , het letsel aan de keel van aangever en de verklaring van aangever, waarin hij onder meer heeft aangegeven dat hij geen adem kon krijgen en een enkele ogenblikken buiten bewustzijn is geraakt. Dat aangever enkele malen – zij het kortstondig – buiten bewustzijn is geweest, zoals hij zelf heeft verklaard, wordt naar het oordeel van het hof bevestigd door de twee momenten waarop op de camerabeelden te zien is dat een arm van aangever enkele seconden bewegingsloos op straat ligt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals/nek/keel kwetsbare delen bevinden, terwijl de kans dat iemand overlijdt als gevolg van het enige tijd en met kracht dichtknijpen van de keel/hals naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is. Immers wordt hierdoor de ademhaling van het slachtoffer belemmerd en/of wordt de bloedtoevoer naar de hersenen geblokkeerd.

Uit het feit dat aangever als gevolg van het meermalen aantrekken van de ketting met als gevolg het dichtknijpen van de keel/hals buiten bewustzijn is geraakt en hij nadien bloeduitstortingen had aan de zijkanten van zijn nek, volgt naar het oordeel van het hof dat er sprake is geweest van een zodanige kracht, duur en/of intensiteit van het dichtknijpen van de keel dat daaruit kan worden afgeleid dat als gevolg hiervan de aanmerkelijke kans in het leven is geroepen dat aangever zou komen te overlijden.

Het hof overweegt hierbij dat verdachte, zo blijkt uit de camerabeelden, een situatie heeft laten ontstaan waarbij er door haar en mogelijk ook door anderen kracht op de ketting werd uitgeoefend. Zij is de ketting blijven vasthouden, ook op de momenten dat zij allemaal op de grond vielen en/of in worsteling waren. Door de ketting ook vast te blijven houden als anderen proberen die ketting los te krijgen, zorgt zij door dat vasthouden ervoor dat de kracht van de ketting op de hals toeneemt. Het hof rekent ook dat verdachte aan.

Bewuste aanvaarding

De verdediging heeft bepleit dat het hof niet kan komen tot het oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer willens en wetens heeft aanvaard. Er zou sprake zijn van het bestaan van contra-indicaties die maken dat er niet van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen mag worden uitgegaan. Daarbij heeft de raadsman gewezen op het over verdachte uitgebrachte rapport van psycholoog Overduin van 23 juni 2025 en dan in het bijzonder op de samengevatte conclusies dat verdachte “ten tijde van het incident handelde vanuit oude trauma’s, dat oordeelsvorming tekortschoot en dat zij de gevolgen van haar handelen minder dan een gemiddeld persoon – of zelfs niet – kon overzien.”

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat de geweldshandelingen van verdachte inderdaad naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht waren op verwurging van aangever, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zijn dood bewust heeft aanvaard. De omstandigheden waar de verdediging op heeft gewezen als zijnde contra-indicaties voor het bewust aanvaarden van die aanmerkelijke kans zijn, bezien tegen het licht van de gedragingen, van onvoldoende gewicht.

Allereerst wijst het hof erop dat de weergave van de raadsman van de bevinding van de psycholoog niet strookt met de feitelijke inhoud van het rapport. De passage luidt als volgt:

In een dergelijke, als levensbedreigend ervaren situatie schieten oordeelsvorming en gedragsregulatie al snel tekort en is iemand minder dan de gemiddelde mens in staat, of zelfs onvermogend, om rationele afwegingen te maken, zijn/haar gedragingen te controleren en/of de gevolgen van zijn/haar gedrag te kunnen overzien.

Hier staat niet dat de deskundige van oordeel is dat verdachte de gevolgen van haar handelen niet kon overzien. Na deze passage heeft de deskundige gewezen op een aantal bewuste keuzes van verdachte en sluit de deskundige af met het advies het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zodanig heeft ontbroken dat zij daarom niet in staat was om die gevolgen bewust te aanvaarden.

Dat verdachte naderhand consistent heeft verklaard dat zij niet de bedoeling heeft gehad om aangever van het leven te beroven, is ook geen zwaarwegende contra-indicatie want het doet niet af aan de vaststelling van het hof dat verdachte gedurende 45 seconden de ketting stevig heeft vastgehouden, terwijl deze om de hals van aangever was gewikkeld. Bovendien stelt het hof vast dat aangever gedurende de geweldshandelingen tweemaal het bewustzijn heeft verloren, hetgeen ook verdachte niet onopgemerkt kan zijn gebleven, maar dat verdachte op geen van die momenten haar handelen heeft aangepast.

Tot slot is het hof van oordeel dat het na 45 seconden loslaten van de ketting geen zwaarwegende contra-indicatie vormt voor het aanvaarden door verdachte van de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever. Niet blijkt immers dat verdachte op enig moment vanuit zichzelf heeft besloten om de ketting los te laten, gelet op de mogelijke gevolgen van het vasthouden van de ketting. Daarbij is van belang dat aangever en [getuige] zich hevig verweerd hebben tegen de geweldshandelingen van verdachte, terwijl verdachte, naar [getuige] heeft verklaard, de ketting bleef vasthouden, ook nadat aangever had gezegd dat hij geen lucht kreeg, en dat ze (pas) zou stoppen als hij niets meer zou doen.

Uit het voorgaande volgt dat het hof bewezen acht dat verdachte (in juridische zin) opzet had op de dood van de aangever.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 20 juni 2020 te Zeist, althans in Nederland, ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk van het leven te beroven,

‒ die [aangever] een (lange metalen) ketting om de nek heeft gedaan en/of

‒ ( (daarna) die ketting om zijn, [aangevers] , nek heeft gewonden en/of

‒ ( (vervolgens) die ketting (met kracht) heeft aangetrokken en/of die ketting (met kracht) is blijven aantrekken en/of

‒ ( (daarbij) aan die ketting en/of aan de nek van die [aangever] is gaan hangen en/of

‒ ( (daardoor) enige tijd de ademhaling van die [aangever] heeft belet/belemmerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op

poging doodslag.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Ter onderbouwing hiervan overweegt het hof het volgende.

De raadsman heeft bepleit dat het hof verdachte moet ontslaan van alle rechtsvervolging omdat de verdachte een beroep toekomt op putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces. Volgens de raadsman heeft verdachte verontschuldigbaar gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie toen aangever zeer dicht bij verdachte ging staan.

Het hof verwerpt dit verweer en licht dat als volgt toe.

Beoordelingskader

Putatief noodweer houdt in dat iemand zich verdedigt tegen een (dreigend) gevaar dat er in werkelijkheid niet was, maar dat deed in een situatie waarin diegene kon en redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. Diegene heeft zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd beoordeeld.

Een beroep op (putatief) noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie.

Een beroep op (putatief) noodweer kan ook niet worden aanvaard als geen noodzaak tot verdediging bestond. Dat is onder meer het geval als diegene zich aan de (verontschuldigbaar ingebeelde of verkeerd beoordeelde) dreiging had kunnen onttrekken en dat in de gegeven omstandigheden ook van diegene kon worden gevergd.

Toepassing op onderhavige strafzaak

Bij de beoordeling van het verweer heeft het hof rekening gehouden met de aanloop naar die situatie en de kwalijke rol die verdachte daarin heeft vervuld. Verdachte is de aangever en zijn broer gaan opzoeken om hen aan te spreken op de overlast die verdachte van hen ervoer. Daar is op zichzelf niets mis mee, maar in dit geval deed verdachte dat op een agressieve en dreigende manier, namelijk door aangever en zijn broer met luide stem te bejegenen en daarbij driftig armgebaren te maken. Bovendien ging verdachte het gesprek aan met een metalen ketting in de hand, waarover zij heeft gezegd dat zij die meenam om, indien nodig, zichzelf te kunnen beschermen. Zij had zich dus vooraf bewapend. Ook toen duidelijk werd dat aangever niet bang was voor verdachte en weerwoord gaf, is verdachte op dezelfde dreigende manier doorgegaan met het gesprek. Daarbij heeft verdachte een aantal stappen gezet in de richting van aangever, waardoor zij dichter bij elkaar kwamen te staan. Alles overziende is het hof van oordeel dat de agressieve en dreigende wijze waarop verdachte aangever en zijn broer heeft bejegend, kan worden aangemerkt als gericht op een confrontatie. Het is vervolgens verdachte die de ketting om de hals van aangever slaat, terwijl aangever niets meer heeft gedaan dan ook enkele passen in de richting van verdachte heeft gezet. Het handelen van de verdachte is aanvallend en niet verdedigend van aard geweest. Reeds om die reden komt haar geen beroep op (putatief) noodweer(exces) toe.

Oplegging van straf

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft – uitgaande van een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag – gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met (naast de algemene voorwaarde) de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.

Standpunt verdachte

De raadsman heeft bepleit dat het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. De raadsman heeft daarbij gewezen op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en alle overige persoonlijke omstandigheden, als ook op de te verwachten effecten van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Ernst bewezenverklaarde

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [aangever] . Naar aanleiding van nachtelijke (geluids)overlast van een auto op straat (met daarin aangever), is verdachte met een metalen ketting in de hand naar buiten gegaan en heeft zij aangever en diens jongere broer daar op een agressieve wijze aangesproken. Toen even later verdachte en aangever dicht bij elkaar stonden, heeft verdachte die ketting om de hals van aangever gewikkeld en met kracht aangetrokken. Daarop volgde een worsteling, waarbij verdachte de ketting bleef vasthouden terwijl aangever en zijn broertje probeerden die ketting los te krijgen. Op enig moment liet verdachte ketting los, nadat die ongeveer 45 seconden om de hals van aangever had gezeten.

Met dit geweld heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever, die in die situatie heeft gevreesd voor zijn leven en tijdens de worsteling tweemaal kort buiten bewustzijn is geweest. Ook voor de langere termijn heeft het incident ingrijpende gevolgen gehad voor aangever, waaronder geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis en een paniekstoornis, waarbij hij langdurig last heeft gehad van angst- en paniekklachten. Daar komt bij dat hij in april 2024, bijna 4 jaar na het incident, nog volledig arbeidsongeschikt is bevonden.

Strafblad verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van een recent strafblad van verdachte (lees: het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 april 2026). Het strafblad bevat geen enkele aantekening die betrekking heeft op een incident na het bewezenverklaarde, wat erop duidt dat verdachte na het bewezenverklaarde geen strafbare feiten meer heeft gepleegd.

Tussenconclusie

Kijkend naar de ernst van het bewezenverklaarde is het hof van oordeel dat het passend zou zijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van een aanzienlijke duur. In dit geval zijn er echter bijzondere omstandigheden die voor het hof voldoende reden vormen om de verdachte te veroordelen tot een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een omvangrijke taakstraf. Die bijzondere omstandigheden zijn de volgende.

Verminderde toerekening

Het hof betrekt bij de strafoplegging de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Haar handelen is voor een aanzienlijk deel bepaald door de trauma’s die zij heeft ondervonden in haar leven en psychische klachten/stoornissen die zij (daardoor) heeft. Dit baseert het hof op de bevindingen van psycholoog M.C. Overduin, die verdachte heeft onderzocht en op basis daarvan op 23 juni 2025 een rapport heeft uitgebracht. Daarin staat onder meer dat de levensloop van verdachte vanaf de vroege jeugd traumatiserend is geweest, waarbij naast een opvoedingsklimaat dat in emotioneel en pedagogisch opzicht verwaarlozend was, sprake was van veelvuldige fysieke en seksuele mishandeling, zowel in de jeugdjaren alsook in de volwassenheid, terwijl verdachte veelvuldig getuige was van heftige agressie naar haar moeder en/of tussen de verschillende gezinsleden.

Wat betreft de aanwezigheid van een psychische stoornis heeft de rapporteur geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS), een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis (ADHD) en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en antisociale gedragingen. De antisociale gedragingen zijn volgens de rapporteur het meest waarschijnlijk te duiden als een verkeerd aangeleerde inadequate coping vanuit verdachtes jeugdervaringen en trauma’s. Verder lijdt verdachte aan een ongespecificeerde depressieve stemmingsstoornis met angstige spanning. Gezien het structurele karakter daarvan was die problematiek ook aanwezig ten tijde van het bewezenverklaarde.

Over het verband tussen de stoornissen en het bewezenverklaarde houdt het rapport het volgende in. Ten tijde van het bewezenverklaarde leed verdachte aan stoornissen die van invloed waren op haar prikkelgevoeligheid, emotie- en impulsregulatie, aandacht en concentratie. De PTSS zorgde voor hyperalertheid, gevoelens van dreiging en herbeleving. Ten tijde van het bewezenverklaarde verkeerde verdachte in een stressvolle situatie en was zij vermoeid door vele en intensieve werkzaamheden. In een dergelijke als levensbedreigend ervaren situatie schieten oordeelsvorming en gedragsregulatie al snel tekort en is iemand minder dan de gemiddelde mens in staat om rationele afwegingen te maken, het gedrag te controleren en/of de gevolgen van het gedrag te kunnen overzien. Volgens de rapporteur heeft verdachte in de aanloop naar het bewezenverklaarde wel een aantal keuzes gemaakt die tot gevolg hadden dat zij uiteindelijk terechtkwam in die voor haar uiterst bedreigende situatie. De rapporteur heeft geadviseerd verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen. Het hof volgt dat advies.

Positieve ontwikkeling

Het hof houdt bij het bepalen van de straf in het bijzonder rekening met de omstandigheid dat verdachte na het bewezenverklaarde een grote inspanning heeft geleverd om beter met haar problematiek te leren omgaan en daarmee de kans te verkleinen dat zij opnieuw in de fout gaat. Dit blijkt onder meer uit het reclasseringsadvies van 30 april 2026. Daarin staat verdachte probleembesef heeft en een sterke motivatie om haar gedrag te veranderen. In de afgelopen zes jaar heeft verdachte veel en intensieve behandeling ondergaan binnen zowel de forensische als de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Naar aanleiding van de neiging om bij oplopende spanningen terug te vallen in oude gedragspatronen, is verdachte een aantal maanden geleden opnieuw een (forensische) behandeling gestart bij de Waag om vaardigheden en inzichten vanuit voorgaande behandelingen verder te verfijnen. De toegenomen vaardigheid in het omgaan met het haar psychische problematiek is volgens de reclassering een beschermende factor, oftewel een factor die de kans op recidive verkleint. In verband met het voorgaande merkt het hof op dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte sinds het bewezenverklaarde opnieuw in de fout is gegaan.

Risico’s bij detentie

Een derde reden om de verdachte geen lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, is dat er naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen zijn dat er een reëel risico is verdachte door het ondergaan van een gevangenisstraf ernstig zal destabiliseren, wat gepaard gaat met een toename van de kans dat verdachte zal recidiveren. Dit baseert het hof onder meer op bevindingen van de eerdergenoemde rapporterend psycholoog Overduin. Het betreffende rapport houdt in dat bij het ondergaan van een gevangenisstraf te verwachten valt dat oude trauma’s zullen herleven en dat de draagkracht van verdachte daardoor zal worden overschreden. Verder houdt dat rapport in dat de kans op recidive wordt ingeschat als laag, maar dat als het huidige evenwicht wordt doorbroken door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, de kans op impulsdoorbraken zal toenemen, zeker in stressvolle situaties waarin verdachte zich bedreigd voelt door derden. Daarnaast heeft de rapporteur gewezen op de gevolgen die detentie kan hebben op andere beschermende factoren in het leven van verdachte, namelijk het verlies van financiële stabiliteit en haar woning door een dreigend faillissement van haar kapsalon. Volgens de rapporteur is het zeer de vraag of verdachte het trauma van detentie, het verlies van haar bestaanszekerheid en het verlies van toekomstperspectief kan dragen. Ernstige ontregeling op affectief en gedragsniveau is volgens de rapporteur niet uit te sluiten. De reclassering heeft om de genoemde redenen opgemerkt dat het zwaarwegende negatieve consequenties ziet bij het opleggen van een lange(re) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Tussenconclusie

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat er zwaarwegende redenen om in dit geval af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur. Naar het oordeel van het hof wordt met de hierna te noemen combinatie van straffen een goede balans gevonden tussen enerzijds recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde en anderzijds recht doen aan de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte:

‒ een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk en

‒ een taakstraf van 240 uur.

Overschrijding redelijke termijn

Op die combinatie van straffen past het hof nog strafvermindering toe omdat de behandeling van de strafzaak onredelijk lang heeft geduurd. Artikel 6 van het EVRM schrijft voor dat een strafzaak wordt behandeld binnen een redelijke termijn. Het hof stelt vast dat dit voorschrift in hoger beroep niet is nageleefd. Dit arrest wordt namelijk gewezen nadat 4 jaar en 3 maanden zijn verstreken sinds het hoger beroep is ingesteld, terwijl er geen omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de behandeling van het hoger beroep langer dan 2 jaar heeft geduurd. Het hof compenseert die overschrijding van de redelijke termijn door de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest.

Conclusie

Alles overziende legt het hof de volgende combinatie van straffen op:

‒ een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 117 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en

‒ een taakstraf van 240 uur.

Aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf verbindt het hof de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, te weten (kort gezegd) een meldplicht bij de reclassering, een verplichte ambulante behandeling en een contactverbod met betrekking tot aangever.

Opheffing voorlopige hechtenis

Het hof heft het geschorste bevel van bewaring op.

Beslag

Het hof beslist tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen ketting waarmee de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.

Vordering benadeelde partij [aangever]

Benadeelde partij [aangever] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot het bedrag van € 84.750,40. De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep de volledige vordering gehandhaafd, waardoor de volledige vordering deel uitmaakt van het hoger beroep.

De vordering bestaat uit de volgende onderdelen.

Beoordeling vordering

Materiële schade

a. Fysiotherapie

Dit onderdeel van de vordering strekt tot vergoeding van uitgaven aan fysiotherapiebehandelingen die hebben plaatsgevonden vanaf 7 juni 2021. De benadeelde partij heeft gesteld dat die behandelingen hebben plaatsgevonden in verband met rugklachten die de benadeelde partij heeft overgehouden aan het bewezenverklaarde.

De verdediging heeft dit onderdeel van de vordering betwist. Daartoe is onder meer aangevoerd dat, gelet op het tijdverloop tussen het bewezenverklaarde en de fysiotherapiebehandeling, geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen het bewezenverklaarde en de klachten die aanleiding gaven tot de fysiotherapiebehandelingen.

Het hof wijst dit onderdeel van de vordering toe. Naar het oordeel van het hof is in voldoende mate komen vast te staan dat de fysiotherapiebehandelingen hebben plaatsgevonden naar aanleiding van rugklachten die zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde. Dit baseert het hof in het bijzonder op een brief van de behandelende fysiotherapiepraktijk die is ingebracht ter onderbouwing van de vordering. In die brief staat dat de benadeelde partij in 2020 onder behandeling is gekomen na een ongeval (het hof begrijpt: het bewezenverklaarde) en dat na een periode van afwezigheid de benadeelde partij in juni 2021 weer naar de praktijk is gekomen om de behandeling voort te zetten. Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof in voldoende mate is komen vast te staan dat de onderhavige schade van de benadeelde partij rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde. Ten overvloede merkt het hof op dat op de beelden te zien is dat de benadeelde in de worsteling tweemaal ten val komt, waarbij minstens eenmaal op zijn rug.

Verdachte is op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) tot vergoeding van die schade gehouden.

b. Schade telefoon

De benadeelde partij heeft gesteld dat zijn telefoon kapot is gegaan doordat die telefoon is gevallen tijdens het bewezenverklaarde. Dit onderdeel van de vordering strekt tot vergoeding van die schade.

De verdediging heeft dit onderdeel van de vordering betwist. Daartoe is kort gezegd aangevoerd dat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.

Het hof wijst dit onderdeel van de vordering gedeeltelijk toe, namelijk tot het bedrag van € 250,-. Naar het oordeel van het hof is in voldoende mate is komen vast te staan dat de telefoon van de benadeelde partij door het bewezenverklaarde is beschadigd. De benadeelde partij heeft bij zijn aangifte verklaard dat de val op de grond ervoor heeft gezorgd dat de camera van zijn telefoon kapot is gegaan en dat er een barst zit in de achterkant van de telefoon. Ook [getuige] , die bij het bewezenverklaarde aanwezig was, heeft bij de politie verklaard dat (tijdens de worsteling) de telefoon van de benadeelde viel en daardoor is beschadigd. Omdat niet vaststaat dat de telefoon niet meer gerepareerd kon worden en de omvang van de schade aan de telefoon daarom niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, schat het hof de omvang van die schade op een bedrag van € 250,-. Verdachte is op grond van artikel 6:96 BW tot vergoeding van die schade gehouden.

Wat betreft het meer gevorderde is het hof van oordeel dat, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, onvoldoende is onderbouwd dat de schade de omvang heeft van het gevorderde bedrag. Nader onderzoek zou tot een ander oordeel kunnen leiden, maar zou in het kader van deze strafzaak een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Om die reden verklaart het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

c. Verlies inkomsten

De benadeelde partij heeft gesteld dat de klachten die hij heeft overgehouden aan het bewezenverklaarde ertoe hebben geleid dat hij zijn restaurant is kwijtgeraakt, waardoor hij inkomsten is misgelopen.

De verdediging heeft dit onderdeel van de vordering betwist. Ter onderbouwing daarvan is primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat er een causaal verband is tussen het einde van het restaurant en het bewezenverklaarde. Volgens de verhuurder van de bedrijfsruimte waren er al problemen voorafgaand aan het bewezenverklaarde. Ook het gegeven dat die bedrijfsruimte al drie maanden na het bewezenverklaarde is ontruimd, maakt het onaannemelijk dat het bedrijf is beëindigd door het bewezenverklaarde. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat een zorgvuldige beoordeling van dit onderdeel van de vordering aanvullende informatie vereist, en daarmee een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat het sluiten van het restaurant van de benadeelde partij rechtstreeks is veroorzaakt door het bewezenverklaarde. Een contra-indicatie daarvoor is het feit dat de rechter op 2 september 2020 het huurcontract heeft ontbonden, zoals blijkt uit de brief van bewindvoerder [naam 2] van 26 juni 2025. De relatief korte periode tussen het bewezenverklaarde en die rechterlijke beslissing tot ontbinding van het huurcontract duidt erop dat er voorafgaand aan het bewezenverklaarde al (aanzienlijke) financiële problemen waren. Tegen die achtergrond kan op basis van de aanwezige informatie niet worden vastgesteld in welke mate het bewezenverklaarde eraan heeft bijgedragen dat het restaurant van de benadeelde partij is opgehouden te bestaan. Een goede beoordeling daarvan vergt nader onderzoek, wat een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Immateriële schade

Het hof wijst dit onderdeel van de vordering toe en onderbouwt dit als volgt.

Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin een benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Voor deze strafzaak is van belang dat dit het geval als de benadeelde partij door het onrechtmatige handelen van de verdachte in de persoon is aangetast (1) door het oplopen van lichamelijk letsel, (2) doordat zij is geschaad in haar eer of goede naam of (3) op een andere wijze. Van de onder 3 bedoelde aantasting in de persoon op een andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.

De benadeelde partij heeft door het bewezenverklaarde lichamelijk letsel opgelopen.

Daarnaast is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde geestelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een posttraumatische stressstoornis en een paniekstoornis. Dit baseert het hof op het bericht van [zorginstelling 1] van 20 september 2022, welk bericht is ingebracht ter onderbouwing van de vordering.

Uit het voorgaande blijkt dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde in de persoon is aangetast (in de zin van artikel 6:106 onder b BW). Naar het oordeel van het hof is het gevorderde bedrag (€ 6.500,-) een billijke vergoeding voor de immateriële schade die de benadeelde partij door het bewezenverklaarde heeft geleden. Hierbij heeft het hof gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. De hoogte van het toegewezen bedrag is ook passend bij de inmiddels in gebruik genomen Rotterdamse schaal (categorie 13 onder b voor het lichamelijke letsel en categorie 14.2 onder c voor het geestelijk letsel).

De toegewezen schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straffen en maatregel die het hof oplegt, zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 117 (honderdzeventien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte:

‒ zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

‒ tijdens de proeftijd niet heeft meegewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

‒ tijdens de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt, of

‒ tijdens de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden.

1. Meldplicht bij de reclassering

Verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen verdachte zich zal melden. De eerste keer meldt verdachte zich binnen 3 werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan. Verdachte meldt zich dan bij [reclasseringsinstelling] op het adres [adres 2] .

2. Ambulante behandeling

Verdachte laat zich behandelen door [zorginstelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Die behandeling, die al gestart is, duurt zolang de reclassering die behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verdachtes psychische problematiek, alcoholgebruik en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek van verdachte kan het gebruik van medicijnen een onderdeel zijn van de behandeling.

3. Contactverbod met aangever

Verdachte zal op geen enkele wijze contact leggen of laten leggen met aangever, [aangever] .

Geeft [reclasseringsinstelling] de opdracht tot het houden van toezicht op de naleving van die bijzondere voorwaarden en om verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Taakstraf

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beslag

Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven metalen schakelketting (kenmerk: G2647505).

Bevel bewaring

Heft op het geschorste bevel bewaring.

Vordering benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.934,20 (zesduizend negenhonderdvierendertig euro en twintig cent), bestaande uit € 434,20 (vierhonderdvierendertig euro en twintig cent) ter vergoeding van materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatums tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.934,20 (zesduizend negenhonderdvierendertig euro en twintig cent), bestaande uit € 434,20 (vierhonderdvierendertig euro en twintig cent) ter vergoeding van materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatums tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 59 (negenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op:

‒ 20 20 juni 2020 wat betreft de schade aan de telefoon en de immateriële schade en

‒ 20 11 augustus 2021 wat betreft de uitgaven aan fysiotherapie.

Dit arrest is gewezen door mr. S. Bek, mr. M. Zwartjes en mr. M. van Kuilenburg, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 mei 2026.

mr. Van Kuilenburg en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van Kuilenburg en de

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand