[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in P.I. [locatie] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van het hof van 2 april 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsman, mr. S. Ikiz, is aangevoerd.
Vonnis
De politierechter heeft verdachte in eerste aanleg voor opzetheling veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is beslist op de vorderingen tot tenuitvoerlegging.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 februari 2023 te [plaats] , [gemeente] , een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Vrijspraak
Standpunten
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans aanvaard dat de scooter van diefstal afkomstig was.
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft niet geweten dat de scooter van diefstal afkomstig was en had dit ook niet redelijkerwijs moeten vermoeden.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “ten tijde van” het verwerven of voorhanden “krijgen” wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het verwerven of voorhanden hebben van het betreffende goed. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel betrekken dat de verdachte voor een omstandigheid die – op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd – redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.
De scooter (Peugeot Speedfight) met het [kenteken] is op 16 december 2020 als gestolen opgegeven. Verdachte had deze scooter op 28 februari 2023 voorhanden, zonder sleutel of contactslot.
Deze feiten en omstandigheden kunnen op zichzelf staand redengevend zijn voor een bewezenverklaring van ten minste schuldheling.
Verdachte heeft echter een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Hij heeft verklaard dat hij de scooter niet lang voor 28 februari 2023 van [naam] heeft gekocht voor € 200,-. [naam] had de scooter overgenomen van een opkoper die een garage had ontruimd van een overleden persoon. [naam] was de werkgever van verdachte. Er was geen sleutel aanwezig, reden waarom het slot kapot was gemaakt. Verdachte heeft de scooter gekocht zonder sleutel en contactslot. Hij wilde deze opknappen. Verdachte ging er van uit dat de koop “eerlijk” was.
Deze verklaring van verdachte vindt steun in het door de verdediging bij gelegenheid van het verhoor van verdachte bij de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling op 3 maart 2023 overlegde uitdraai van een gesprek tussen de raadsman van verdachte en voornoemde [naam] , waarin [naam] verklaart dat hij van een ontruimer de vraag kreeg of hij een scooter wilde overnemen die ontruimd moest worden uit de woning van een overleden persoon en dat verdachte die scooter voor € 200,-.
Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van verdachte. Het hof is daarom van oordeel dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte op het moment dat hij de scooter heeft verworven of voorhanden heeft gehad, wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was.
Voorwaardelijke verzoeken
De raadsman heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om getuigen te mogen horen als het hof verdachte zou willen veroordelen. Nu het hof verdachte zal vrijspreken, is niet aan deze voorwaarde voldaan, zodat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van dit voorwaardelijke verzoek.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij de vonnis van de politierechter Oost-Brabant van 21 december 2021 (01-090020-21) en de bij arrest van het gerechtshof ’sHertogenbosch van 30 november 2021 (20-001260-20) voorwaardelijke opgelegde straffen van respectievelijk een taakstraf van dertig uren en een gevangenisstraf van een maand. Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zullen de vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Oost-Nederland van 1 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 21 december 2021, parketnummer 01-090020-21, voorwaardelijk opgelegde taakstraf van dertig uren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Oost-Nederland van 1 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof ’sHertogenbosch van 30 november 2021, parketnummer 20-001260-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van een maand.
Aldus gewezen door
mr. S. Bek, voorzitter,
mr. R.H. Koning en mr. C.T. Tjauw-Foe, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.