[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ( [land] ),
ingeschreven op het adres: [adres 1] ,
verblijvende op het adres: [adres 2] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
- veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest;
- oplegging van de maatregel als omschreven in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een gebiedsverbod voor de stad [plaats] , beide voor de duur van 3 jaren, dadelijk uitvoerbaar te verklaren, waarbij per overtreding twee weken vervangende hechtenis moet worden toegepast met een maximum van 6 maanden;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van
€ 1.528,24, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier weken.
Verder heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. S.R. Heerenveen, en van hetgeen namens de benadeelde partij [benadeelde] door haar vertegenwoordiger van Slachtofferhulp Nederland, mevrouw N. Quist, naar voren is gebracht.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 11 november 2025, waartegen het hoger beroep is gericht:
- verdachte veroordeeld terzake van het aan hem onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
- de maatregel als omschreven in artikel 38v Sr aan verdachte opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een gebiedsverbod voor de stad [plaats] , beide voor de duur van 3 jaren, waarbij per overtreding 2 weken vervangende hechtenis moet worden toegepast met een maximum van 6 maanden. Deze maatregel is door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaard;
- de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.459,44, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier weken.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 15 juni 2024 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een personenauto welke geparkeerd stond op de openbare weg op of nabij de [adres 3] te [plaats] door een fles met vloeistof in brand te steken en in genoemde auto te gooien, althans door een brandbare stof in aanraking te brengen met open vuur, ten gevolge waarvan die personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elke geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten schade aan de openbare weg en/of aldaar op de openbare weg aanwezige goederen te duchten was;
2.hij in de periode van 30-06-2024 tot en met 29-07-2024 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door - op meerdere momenten in de genoemde periode mailtjes en/of berichten te sturen waarin hij o.a. zegt 'je leven wordt een hel', 'het wordt oorlog', 'wie denk je wel niet wie je bent maak je gewoon af', 'ben er woensdag weer en als je die fucking deur niet open doet maak ik je persoonlijk af'.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft bepleit verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (brandstichting) vrij te spreken. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het dossier geen objectieve aanknopingspunten bevat voor betrokkenheid van verdachte hierbij. Volgens de raadsvrouw kunnen de getuigenverklaringen niet voor het bewijs gebruikt worden omdat de door de getuigen opgegeven signalementen niet met elkaar overeenkomen en ze ook onvoldoende onderscheidende kenmerken bevatten op basis waarvan verdachte te herkennen zou zijn. Ook de tas met daarop het DNA van verdachte kan niet voor het bewijs gebruikt worden, omdat deze tas niet op de juiste wijze is veiliggesteld en het een verplaatsbaar en overdraagbaar object betreft.
Het hof oordeelt als volgt.
Op 15 juni 2024 wordt er door [slachtoffer] aangifte gedaan van brandstichting in haar auto. Aangeefster had de auto voor haar woning in de [adres 3] te [plaats] geparkeerd en op genoemde dag kwam omstreeks 14:55 uur de buurman aan de deur die haar vertelde dat haar auto in brand stond. In haar aangifte maakte aangeefster melding van het feit dat ze op 11 juni 2024 de relatie met haar vriend (verdachte) had verbroken, dat hij hier boos over was en dat hij haar tussen 11 juni en 15 juni foto’s had gestuurd waarop te zien was dat verdachte spullen van haar - die nog bij hem lagen - in brand had gestoken. Aangeefster gaf als signalement van haar ex-partner op: man, donkere/bruine huidskleur, 52 jaar oud, normaal postuur, donker/grijze baard.
Uit politieonderzoek blijkt dat getuige [getuige 1] , de postbode die in de [straat 1] zijn ronde liep, op 15 juni 2024 omstreeks 14:50 uur zag dat een man met een zwart/grijze baard, normaal postuur, rond de 50 jaar oud en gekleed in een donkere jas met capuchon zich aldaar bij een auto ophield. Getuige [getuige 1] zag vervolgens dat deze man naar de auto liep, dat deze man een licht gekleurde tas met hengsels over zijn schouder droeg en dat deze man een slaande beweging maakte tegen de ruit van de auto. Hierdoor ging de ruit kapot. De getuige zag vervolgens dat de man een fles uit de tas haalde, de dop van deze fles afschroefde en de inhoud van deze fles (vloeistof) via het kapotte raam in de auto gooide. Nadat de man dit had gedaan, zag getuige [getuige 1] dat de man een beweging maakte om iets in de auto te gooien. Daarna zag [getuige 1] dat er rook uit de auto kwam, dat er langzaam vlammen kwamen en dat de auto vervolgens al snel helemaal in brand stond. Getuige [getuige 1] zag vervolgens dat de man hierna snel de hoek om rende en de [straat 2] in ging.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat ze op 15 juni 2024 omstreeks 14:49 uur aan het hardlopen was op het voetpad gelegen langs de [straat 2] . Tijdens het hardlopen zag ze ter hoogte van de [straat 1] een man op het voetpad langs de [straat 2] lopen. Deze man liep haar frontaal tegemoet. Deze man viel haar op omdat hij – ondanks het mooie weer - een donkere jas droeg met een capuchon over zijn hoofd. Getuige zag tevens dat de man een witkleurige boodschappentas bij zich droeg. Toen de getuige ter hoogte van de man was, zag ze dat de man in deze tas keek of aan deze tas rook en dat hij vervolgens deze tas weggooide in de richting van het water tussen de voetbalvelden en het voetpad.
Het hof stelt vast dat op het moment dat getuige [getuige 1] de man uit het oog verloor, omdat de man de [straat 2] in rende, deze man in beeld kwam van getuige [getuige 2] die op die locatie in de [straat 2] aan het hardlopen was. Het hof heeft ter terechtzitting de locatie van de getuigen en de auto aan de hand van Google Maps aan de orde gesteld.
Beide getuigen verklaren over een man met een donkere jas met capuchon die een lichtgekleurde tas bij zich draagt.
Gezien het vorenstaande gaat het hof ervanuit dat de man die brand in de auto heeft gesticht dezelfde man is als die de lichtgekleurde tas weggooide en dat dat de tas is geweest waarin de fles met brandbare vloeistof had gezeten.
Op 15 juni 2024 wordt - op aanwijzingen van de getuige [getuige 2] - door de politie nabij de sloot een tas aangetroffen. Deze tas wordt na het aantreffen voorlopig veiliggesteld door de tas (aldus het proces-verbaal met schone handschoenen aan) onder de politie auto te leggen, waarna deze tas korte tijd later officieel wordt veiliggesteld.
Uit onderzoek aan deze tas blijkt dat op de handvatten van de tas DNA is aangetroffen. Uit het NFI-rapport volgt dat dit DNA afkomstig kan zijn van verdachte. De bewijskracht is meer dan 1 miljard. Het hof stelt vast dat het DNA van verdachte op de tas is aangetroffen. Er is sprake van een hoge bewijskracht ten opzichte van verdachte. Dat deze tas niet meteen na het aantreffen volgens de regels zou zijn veiliggesteld, maakt dit niet anders. Door de verdediging is niet aangevoerd dat door het (te) late veiligstellen van de tas, DNA van verdachte op deze tas terecht is gekomen. Het hof heeft ook zelf geen aanwijzingen gevonden dat deze mogelijkheid aanwezig zou kunnen zijn.
Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat aan DNA-materiaal van een verdachte dat op (of nabij) een plaats delict op een verplaatsbaar object wordt aangetroffen – waarvan hier sprake is – een zeer sterke aanwijzing kan worden ontleend dat verdachte aldaar aanwezig is geweest. Een algemeen verweer dat niet kan worden uitgesloten dat een derde het DNA van verdachte op (of nabij) de plaats delict heeft gebracht via secundaire overdracht zonder dat verdachte daar zelf fysiek aanwezig is geweest, is onvoldoende om deze sterke aanwijzing te ontzenuwen. Van verdachte mag in dit geval worden verwacht dat hij onderbouwt hoe zijn DNA-materiaal op het voorwerp terecht is gekomen. Verdachte heeft geen enkele onderbouwing gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de tas. Naar het oordeel van het hof is het DNA-spoor in combinatie met het hierboven genoemde andere bewijs redengevend voor het bewijs dat verdachte als dader betrokken is geweest bij de brandstichting.
Gelet op de combinatie van het vorenstaande – het aangetroffen DNA van verdachte op de tas die bij de brandstichting is gebruikt, ook tegen de achtergrond van het feit dat verdachte boos was op aangeefster en het feit dat hij aangeefster foto’s heeft gestuurd met daarop spullen van haar die hij in brand had gestoken en het feit dat het door [getuige 1] opgegeven signalement past bij de door aangeefster gegeven beschrijving van verdachte - acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting.
Het hof verwerpt de stelling van de verdediging dat de door de getuigen gegeven signalementen niet passen bij de persoon van verdachte. Het hof acht de verschillen tussen de gegeven signalementen en de persoon van verdachte niet van dien aard dat die verschillen tot de conclusie zouden moeten leiden dat verdachte de dader niet kan zijn.
Ten aanzien van het verweer dat de signalementen onvoldoende onderscheidende kenmerken bevatten op basis waarvan verdachte te herkennen zou zijn, merkt het hof op dat het hof niet alleen de signalementen heeft gebruikt om vast te stellen dat de man die door getuige [getuige 1] is gezien (en die brand heeft gesticht) dezelfde persoon is als de man die door getuige [getuige 2] is gezien (en die de tas heeft weggegooid) maar ook de locatie en de tijdstippen waarop de getuigen de door hen beschreven persoon hebben gezien. Voorts heeft het hof vastgesteld en in aanmerking genomen dat het door [getuige 1] gegeven signalement overwegend overeenkomt met de beschrijving die aangeefster geeft van verdachte. Het hof acht die overeenkomsten voldoende om te kunnen bijdragen aan de bewijsvoering zoals hiervoor is overwogen.
Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging is geen verweer gevoerd. Verdachte heeft bekend dat feit te hebben gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op 15 juni 2024 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een personenauto welke geparkeerd stond op de openbare weg, de [adres 3] te [plaats] , door een brandbare stof in aanraking te brengen met open vuur, ten gevolge waarvan die personenauto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten schade aan de openbare weg te duchten was;
2.hij in de periode van 30-06-2024 tot en met 29-07-2024 te [plaats] , [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door in de genoemde periode mailtjes en/of berichten te sturen waarin hij o.a. zegt: 'wie denk je wel niet wie je bent maak je gewoon af', 'ben er woensdag weer en als je die fucking deur niet open doet maak ik je persoonlijk af'.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft de auto van zijn ex-vriendin (slachtoffer), die op drie meter afstand voor haar woning stond geparkeerd in brand gestoken en hij heeft haar meermalen met de dood bedreigd. Dit zijn ernstige feiten die zich hebben afgespeeld kort nadat het slachtoffer de relatie met verdachte had beëindigd.
De verdachte heeft moeten begrijpen dat hij met zijn handelen een grens over is gegaan en dat hij daarmee een forse inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer heeft gemaakt. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de belangen en gevoelens van het slachtoffer, maar alleen met zichzelf.
Blijkens de toelichting bij de vordering heeft hetgeen aangeefster is overkomen een grote impact op haar gehad. Ze heeft slaapproblemen en is bang dat verdachte haar alsnog iets aan gaat doen. Het hof acht het bijzonder ernstig dat de feiten zich hebben afgespeeld in de relationele sfeer terwijl het slachtoffer tevens de moeder is van de kinderen van verdachte. Deze context weegt het hof in strafverzwarende zin mee.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister van
20 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens (onder andere) bedreiging.
Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die door verdachte en zijn de raadsvrouw naar voren zijn gebracht ter terechtzitting van het hof en blijken uit de over verdachte opgemaakte rapportages.
Over verdachte zijn meerdere rapportages opgemaakt, waaronder een Pro Justitia rapportage in opdracht van de rechtbank. De rechtbank heeft op 17 december 2024 bevolen om dubbel rapportage omtrent de persoon van verdachte te laten opmaken teneinde meer inzicht te krijgen in zijn persoon. Blijkens de opgemaakte rapportages van dr. [psychiater] (psychiater) en [psycholoog] (GZ-psycholoog) van respectievelijk 8 mei 2025 en 28 april 2025 heeft verdachte geweigerd om mee te werken, zodat de gedragsdeskundigen geen antwoord hebben kunnen geven op de vragen omtrent de persoon van verdachte.
Uit het reclasseringsrapport van 10 oktober 2025 blijkt eveneens dat verdachte niet wilde meewerken. De reclassering schrijft dat verdachte heeft aangegeven niet met hen in gesprek te willen, maar dat ze desondanks over voldoende informatie beschikken om tot een advies te komen op basis van referenten- en dossierinformatie. De reclassering schrijft dat er sprake is van instabiliteit op verschillende leefgebieden en dat verdachte kampt met een forse schuldenlast. Als grootste risicofactoren ziet de reclassering het middelengebruik samen met het psychosociaal functioneren. Door zijn problemen en stress lijkt verdachte overmatig te gaan drinken waardoor hij regelmatig in beeld komt bij politie en justitie. De reclassering stelt dat verdachte geen probleembesef heeft aangezien hij meerdere behandelpogingen heeft geweigerd. Omdat verdachte deze behandelpogingen en het hiervoor genoemde psychologische onderzoek heeft geweigerd is het voor de reclassering onvoldoende duidelijk welke interventies plaats moeten vinden om samen met verdachte te werken aan gedragsverandering en daarmee de verlaging van het recidiverisico.
De reclassering merkt daarbij op dat ze – indien de benodigde interventies wel duidelijk zouden zijn geweest – sterke twijfels heeft over de eventuele haalbaarheid van reclasseringstoezicht omdat verdachte niet verschijnt op afspraken. Het risico op recidive en letsel wordt door de reclassering ingeschat als hoog. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden omdat ze geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij momenteel bij vrienden verblijft omdat hij door detentie zijn huurwoning is kwijtgeraakt. Verdachte weet niet hoelang hij bij deze vrienden kan logeren. Verdachte heeft verklaard dat hij zo snel mogelijk een eigen huurwoning wil zien te krijgen.
Hij heeft zich laten inschrijven in [plaats] en in Friesland omdat de kans op een woning daar groter is dan in de Randstad en hij ook graag in de buurt van zijn kinderen wil wonen. Verdachte heeft meerdere kinderen en heeft alleen met zijn oudste zoon goed contact. Verdachte heeft verder verklaard dat hij werkt in de elektrotechniek en dat hij zich onder andere bezig houdt met het plaatsen van laadpalen, meterkasten en batterijen. Verdachte heeft zich twee weken geleden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en wil proberen een bedrijf op te bouwen. Uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken volgt dat verdachte per 24 april 2026 een samenwerkingsovereenkomst heeft met [bedrijf] voor de duur van een jaar voor het in opdracht plaatsen van batterijen.
Verdachte heeft tot slot verklaard dat hij niet heeft willen meewerken aan de persoonsrapportages omdat hij hier geen behoefte aan had en ook omdat hij niet wilde dat de informatie omtrent zijn persoon voor anderen beschikbaar zou komen. Volgens verdachte heeft hij geen hulp nodig bij het op de rails zetten van zijn leven, omdat de hulp die hem geboden wordt niet de juiste hulp is.
Al het hierboven genoemde in aanmerking genomen, acht het hof de straf zoals opgelegd door de rechtbank ook in de huidige omstandigheden passend en geboden. Het hof zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur 360 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafvordering
Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en het voorliggende strafdossier is het hof van oordeel dat – ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten –aan verdachte een maatregel die strekt tot de beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v moet worden opgelegd, zoals ook geadviseerd door de reclassering in voornoemd rapport.
Deze vrijheidsbeperkende maatregel houdt in dat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect contact zoekt, maakt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 1985, waarbij een uitzondering mag worden gemaakt voor het indirecte contact indien dat noodzakelijk blijkt te zijn voor de omgang van verdachte met zijn kinderen. De communicatie daartoe dient dan te verlopen via Veilig Thuis dan wel een soortgelijke instelling waarbij het contact staat onder toezicht van Veilig Thuis dan wel een soortgelijke instelling. Daarnaast legt het hof een locatieverbod op dat inhoudt dat verdachte zich niet begeeft in [plaats] .
Het hof legt het contactverbod en het locatieverbod op voor de duur van drie jaren. Elke keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt, kan vervangende hechtenis voor de duur van twee weken worden toegepast. Daarbij geldt dat de vervangende hechtenis voor een maximale duur van zes maanden kan worden opgelegd en dat toepassing van de vervangende hechtenis verdachte niet ontheft van deze maatregel.
De maatregel zal dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Verdachte heeft immers, nadat hij werd geschorst uit de voorlopige hechtenis, contact gezocht met aangeefster en daarmee de voorwaarden die hem bij deze schorsing waren opgelegd overtreden. Verder neemt het hof in aanmerking dat het recidiverisico zoals hiervoor beschreven door de reclassering is ingeschat als hoog en er geen zicht is op voor verlaging van dat recidiverisico noodzakelijke interventies.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.592,99 ingediend. De rechtbank heeft dit voor een deel toegewezen, tot een bedrag van € 1.459,44. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Het hof overweegt als volgt:
Materiële schade
Maxi Cosi autostoelen
Verdachte heeft brand gesticht in de auto van de benadeelde partij. De benadeelde partij stelt dat in de auto twee Maxi Cosi autostoelen aanwezig waren die zijn verbrand. Dit is niet door verdachte betwist. Het hof is van oordeel dat er voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde
schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks
schade heeft geleden. De schade is voldoende onderbouwd met advertenties van
vergelijkbare tweedehands Maxi Cosi autostoelen. De hoogte van het gevorderde bedrag van € 180,- komt het hof niet onredelijk voor, zeker niet nu ook vanuit hygiënisch oogpunt (gezien de aard van het object) begrijpelijk is dat enige eisen gesteld worden aan tweedehands autostoeltjes. Het hof wijst dit deel van de vordering toe.
Goederen in de auto
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 35,- ter vergoeding van diverse goederen die
in de auto lagen ten tijde van de brand, zoals een zonnebril, oplader, poetsdoek, parkeerschijf, boodschappentas en een gevarendriehoek. Hoewel de benadeelde partij dit niet met stukken heeft kunnen onderbouwen, acht het hof het voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden en dat die het rechtstreeks gevolg is van het onder het onder 1 bewezenverklaarde. De hoogte van het gevorderde bedrag van € 35,- komt het hof niet onredelijk voor. Het hof wijst ook dit deel van de vordering toe.
Beveiligingscamera ’s
De benadeelde partij vordert tevens een bedrag van € 33,80 in verband met de aanschaf van
beveiligingscamera’s.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de gevorderde schade met betrekking tot de aanschaf van de camera’s en de geheugenkaartjes voor vergoeding in aanmerking komt.
Weliswaar strekt de aanschaf van een camerasysteem ertoe soortgelijke feiten in de toekomst te voorkomen en/of in het vervolg aanstonds de politie te kunnen bereiken, maar het hof kan goed volgen dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt als gevolg van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd. Voornoemde kosten zijn redelijkerwijs toe te rekenen aan en het rechtstreekse gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte. De hoogte van het gevorderde bedrag van € 33,80 komt het hof niet onredelijk voor. Het hof wijst dit deel van de vordering toe.
Reiskosten
Voor wat betreft de post reiskosten stelt de benadeelde partij dat haar vader reiskosten heeft gemaakt door van zijn adres in Noord-Holland naar [plaats] te reizen om vervolgens samen met de benadeelde partij in [plaats] een auto te kopen. Het hof overweegt daartoe dat kosten die derden hebben gemaakt, op grond van artikel 6:107 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts als verplaatste schade voor vergoeding in aanmerking komen indien de benadeelde die kosten, als zij die zelf zou hebben gemaakt, zou kunnen vorderen.
In dat licht beschouwd wijst het hof, evenals de rechtbank, de reiskosten van het woonadres van de benadeelde partij naar [plaats] van € 29,44 toe. Deze kosten had aangeefster anders zelf moeten maken en zijn verplaatste kosten. De reiskosten van Noord-Holland naar [plaats] zijn naar het oordeel van het hof niet aan te merken als verplaatste kosten. Het hof zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
Het hof overweegt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen
schadevergoeding als sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze' (artikel
6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek). Naast het bestaan van geestelijk
letsel, kan de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de
benadeelde meebrengen dat hiervan sprake is.
Het hof is van oordeel dat een dergelijke grond voor schadevergoeding zich in deze zaak voordoet. Verdachte heeft de auto van de benadeelde partij, die geparkeerd stond voor haar woning, in de brand gestoken, waarna hij haar berichten heeft gestuurd waarin hij haar met de dood heeft bedreigd. Het ligt voor hand dat daaruit, gezien de aard de ernst van deze feiten tezamen en de omstandigheden waaronder deze feiten zich hebben voorgedaan, volgt dat de benadeelde partij daarvan nadeel in de vorm van geestelijk letsel heeft ondervonden. De benadeelde partij heeft in haar toelichting op haar vordering verklaard dat de gebeurtenissen veel impact hebben op haar. Ze is nerveus, ze heeft slaapproblemen en ze is door de stress zeven kilo afgevallen. Ze is altijd op haar hoede en ze is bang dat verdachte haar alsnog wat aan gaat doen. In haar woning en buiten op straat voelt ze zich niet veilig. Het hof vindt aldus in de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde wettelijke grond zoals hierboven aangegeven voor het toekennen van schadevergoeding.
Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, de context - de doodsbedreigingen en de brandstichting speelden zich af in de relationele sfeer - en de impact daarvan op de benadeelde partij acht het hof het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij, zijnde €1.250,- in zijn geheel toewijsbaar.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal het hof de
schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal
vergoeden.
Het hof zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze
uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de
kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog
moet maken.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 16-022144-23 is verdachte op 4 april 2023 door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 85 (vijfentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de verdachte voor de duur van drie jaren zich niet zal begeven in de stad [plaats] , waarbij een uitzondering mag worden gemaakt, indien dat noodzakelijk blijkt te zijn voor de omgang van veroordeelde met zijn kinderen. De communicatie daartoe dient dan te verlopen via Veilig Thuis dan wel een soortgelijke instelling waarbij het contact staat onder toezicht van Veilig Thuis dan wel een soortgelijke instelling.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de verdachte voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (aangeefster), geboren op [geboortedag] 1985, waarbij een uitzondering mag worden gemaakt voor het indirecte contact indien dat noodzakelijk blijkt te zijn voor de omgang van veroordeelde met zijn kinderen. De communicatie daartoe dient dan te verlopen via Veilig Thuis dan wel een soortgelijke instelling en het contact staat onder toezicht van Veilig Thuis dan wel een soortgelijke instelling.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregelen wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregelen bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen in mindering zal worden gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.528,24 (duizend vijfhonderdachtentwintig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 278,24 (tweehonderdachtenzeventig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.528,24 (duizend vijfhonderdachtentwintig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 278,24 (tweehonderdachtenzeventig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 juni 2024.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 4 april 2023, parketnummer 16-022144-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. J. Dolfing en mr. Z.J. Oosting, in aanwezigheid van de griffier H. Pool en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 mei 2026.