[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres te [adres] ,
verblijvende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
Verdachte ( [verdachte] ) heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
De omvang van het hoger beroep
Ten laste is gelegd dat [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt aan (medeplegen van) poging tot doodslag van meerderde personen ‘en/of’ (medeplegen van) poging tot zware mishandeling van diezelfde personen. In het hierboven genoemde vonnis heeft de rechtbank [verdachte] vrijgesproken van (medeplegen van) poging tot doodslag van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Daarnaast heeft de rechtbank hem vrijgesproken van (medeplegen van) poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die (deel)vrijspraken. De verdachte kan tegen een beslissing tot (deel)vrijspraak geen hoger beroep instellen in het geval dat - zoals hier het geval is - het (deel)feit als zelfstandig feit (dus cumulatief) had kunnen worden ten laste gelegd. Het gerechtshof verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven (deel)vrijspraken.
Gelet hierop dient het gerechtshof in hoger beroep enkel nog te beoordelen of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan (medeplegen van) poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en aan (medeplegen van) poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] (18-163310-24 onder 1) en aan openlijke geweldpleging (18-163310-24 onder 2).
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 13 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:
gehele, hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 2] en van [slachtoffer 3] en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
hoofdelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer 5] , zoals die vordering in hoger beroep bedraagt (€ 650,00 te vermeerderen met de wettelijke rente) en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
hoofdelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer 1] tot het bedrag dat door mr. Spoelstra namens hem is bepleit op de zitting in hoger beroep en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen [verdachte] en zijn raadsman, mr. N.D. de Fluiter, hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep en van hetgeen
mr. R. Spoelstra, als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , heeft aangevoerd op die zitting.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. In dat vonnis heeft de rechtbank:
gehele, hoofdelijke, toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 2] en van [slachtoffer 3] en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
vordering van [slachtoffer 1] :- [slachtoffer 1] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot materiële
schade voor zover het betreft het gevorderde verlies van verdienvermogen; - diens vordering tot materiële schade is verder deels toegewezen ter zake van
de post beschadigde kleding en accessoires, namelijk tot € 250,-; het meer
gevorderde ter zake van deze schadepost is afgewezen; - de overige gevorderde materiële schadeposten zijn toegewezen; - de gevorderde immateriële schade is deels toegewezen, namelijk tot € 7.500,-;
het meer gevorderde ter zake van deze schadepost is afgewezen; - hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de toegewezen schade en oplegging
van de schadevergoedingsmaatregel;
vordering van [slachtoffer 5] :[slachtoffer 5] is niet-ontvankelijk verklaard in de gevorderde materiële schade, diens vordering tot immateriële schade is geheel en hoofdelijk toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.
Het gerechtshof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en ook tot een andere beslissing over de strafbaarheid van de feiten dan de rechtbank. Het gerechtshof vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat, voor zover in hoger beroep aan de orde:
1.hij op of omstreeks 12 mei 2024 te [plaats] , [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, (- zakelijk weergegeven -)
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been en/of (elders) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden en/of met een (fiets)ketting(slot) op en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of tegen het hoofd (en/of (elders) tegen het lichaam) heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
en/of
hij op of omstreeks 12 mei 2024 te [plaats] , [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -)
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been en/of (elders) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden en/of met een (fiets)ketting(slot) op en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of tegen het hoofd (en/of (elders) tegen het lichaam) heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 12 mei 2024 te [plaats] , [gemeente] openlijk, te weten, op/aan/bij de [straat] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , door (- zakelijk weergegeven -)
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of (elders) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] te steken/snijden en/of
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been en/of (elders) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] te steken/snijden en/of met een (fiets)ketting(slot) op en/of tegen het hoofd te slaan en/of tegen het hoofd (en/of (elders) tegen het lichaam) te schoppen en/of
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het been/de knie en/of (elders) in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3] te steken/snijden en/of
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van de rug, dan wel het lichaam (door de kleding (jas en/of poloshirt) heen), van die [slachtoffer 4] te steken/snijden en/of
die [slachtoffer 5] onderuit te schoppen en/of naar de grond te brengen en/of (meermalen en/of met kracht) op en/of tegen hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze voor zover het gerechtshof tot een bewezenverklaring komt, verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van (deelneming aan) poging tot doodslag van [slachtoffer 1]
Al direct bij de politie, maar ook op de zitting in hoger beroep heeft [verdachte] bekend dat hij met een mes in het been van [slachtoffer 1] heeft gestoken en dat hij [slachtoffer 1] even later nog heeft geschopt. Hij heeft verklaard dat hij er bewust voor heeft gekozen om in het been van [slachtoffer 1] te steken en dat hij zich daartoe naar beneden heeft gebogen, toen [slachtoffer 1] recht tegenover hem en direct bovenop hem stond. Verder heeft hij verklaard, voor zover hier van belang, dat hij niet de intentie heeft gehad om iemand te doden.
De raadsman van [verdachte] heeft vrijspraak bepleit van poging tot doodslag van [slachtoffer 1] , op nader in het pleidooi aangevoerde gronden. In de kern is aangevoerd dat [verdachte] niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] door de messteek het leven zou laten.
Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.
De aanmerkelijke kans op fataal letsel was aanwezig. Door de messteek van [verdachte] heeft [slachtoffer 1] een slagaderlijke bloeding opgelopen. Bij het uitblijven van de nodige hulp kan dergelijk letsel snel fataal aflopen.
Het gerechtshof acht het echter niet een feit van algemene bekendheid - en zeker niet voor iemand van de 14-jarige leeftijd en achtergrond die [verdachte] destijds had - dat zich op de plek waar [slachtoffer 1] gestoken is - in de linker knieholte - een vitaal lichaamsdeel als een slagader bevindt. In zoverre is het gerechtshof van oordeel dat bij [verdachte] geen wetenschap aanwezig was en daarmee dat hij die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard.
Het gerechtshof ziet daarnaast in het welbewust niet willen steken in een meer vitaal deel van het lichaam een doorslaggevende contra-indicatie voor het (voorwaardelijk) opzet op de dood, in die zin dat het gerechtshof niet aannemelijk geworden acht dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard. Wél aannemelijk is dat [verdachte] er van uit is gegaan dat door die ene messteek geen levensgevaar zou kunnen ontstaan.
Dit dient te leiden tot vrijspraak van (medeplegen van) poging tot doodslag.
Bewijsoverweging
Poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging
Het steken met het mes levert naar het oordeel van het gerechtshof wel een poging tot zware mishandeling op. Op de plaats waar [slachtoffer 1] is gestoken, bevinden zich pezen, zenuwen, bloedvaten en spieren. Door zo te steken bestond de aanmerkelijke kans dat spieren, pezen en/of zenuwen zodanig geraakt zouden worden dat daardoor zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Nu het steken met een mes in iemands lichaam vrijwel altijd tot ernstig letsel kan leiden, kan het niet anders dan dat [verdachte] die kans welbewust heeft aanvaard.
Voor wat betreft het schoppen tegen het lichaam is het gerechtshof van oordeel dat onduidelijk is gebleven op welke wijze deze schop is gegeven en waar tegen het lichaam, zodat niet aangenomen kan worden dat er een aanmerkelijke kans was dat die schop zwaar lichamelijk letsel zou kunnen opleveren. Daarom wordt [verdachte] (in het kader van de hem ten laste gelegde poging tot zware mishandeling) vrijgesproken van het schoppen tegen het lichaam. Dit valt wel onder openlijke geweldpleging.
De openlijke geweldpleging kan namelijk eveneens bewezen worden. [verdachte] heeft bekend dat hij heeft gestoken en tegen het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschopt, en daarmee heeft deelgenomen aan het gevecht dat is ontstaan tussen een aantal minderjarige asielzoekers (onder wie hijzelf) enerzijds en een aantal volwassen kermisbezoekers anderzijds.
Bewezenverklaring
Het gerechtshof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.hij op 12 mei 2024 te [plaats] , [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes in het been van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.hij op 12 mei 2024 te [plaats] , [gemeente] , openlijk, te weten op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , door
met een mes in de rug van die [slachtoffer 2] te steken en
met een mes in het been van die [slachtoffer 1] te steken en tegen het lichaam te schoppen en
met een mes in de knie van die [slachtoffer 3] te steken en
met een mes in de richting van de rug, door de kleding (jas en/of poloshirt) heen, van die [slachtoffer 4] te steken en
die [slachtoffer 5] onderuit te schoppen en meermalen tegen het hoofd te slaan.
Het gerechtshof spreekt [verdachte] vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten en van [verdachte]
De bewezen verklaarde feiten leveren op:
1:
poging tot zware mishandeling.
2:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Voor wat betreft de strafbaarheid van [verdachte] overweegt het gerechtshof het volgende.
Poging tot zware mishandeling
Evenals [verdachte] en zijn raadsman hebben aangevoerd, is het gerechtshof van oordeel dat [verdachte] een geslaagd beroep op noodweer toekomt.
[verdachte] bezocht als 14-jarige jongen de kermis in [plaats] . In verband met een eerder conflict tussen een aantal Friezen en andere jongens van het AZC, waar [verdachte] niets mee te maken had, wilden de Friezen niet dat asielzoekers de kermis bezochten.
De jongens van het AZC werden met bier bekogeld door de Friezen.
Uit het politieonderzoek blijkt dat een grote groep volwassen Friezen (zo’n 20 tot
30 volwassenen) de kleine groep (zes) minderjarige asielzoekers (onder wie [verdachte] ) van het kermisterrein daarop heeft weggejaagd. De grote groep heeft hen vervolgens achtervolgd, geïntimideerd en in het nauw gebracht. Er was sprake van een massale dreiging die uitging van de Friezen, gericht tegen de jonge asielzoekers. Hiervan blijkt onder meer uit verklaringen die (aangever) [slachtoffer 5] en (getuige) [getuige] hebben afgelegd bij de politie.
[slachtoffer 5] heeft hierover verklaard: “Ik kan mij best indenken dat het voor die jongens, de AZC'ers, wel intimiderend was geweest. Zij waren met zo'n 6 man en de andere groep 20 of 30. Dan zou ik mij geïntimideerd voelen.”.
[getuige] heeft hierover verklaard:
“Ik zag dat de kleinere groep jongens achteruitliep in westelijke richting. (…) Ik had het gevoel dat er een dreigende en grimmige sfeer was. De dreiging kwam meer vanuit de grotere groep, de kleinere groep liep achteruit, zij gingen er niet op af.(…)
Over de kleinere groep jongens kan ik nog zeggen dat ik dacht dat ze misschien van het AZC afkomstig waren.
Over de grotere groep jongeren kan ik zeggen dat dit jongeren uit het dorp of uit de naburige dorpen waren.”.
Het gerechtshof acht aannemelijk geworden dat die dreiging toen zodanig is geweest voor [verdachte] dat noodzakelijke verdediging daartegen - en tegen [slachtoffer 1] in het bijzonder - geboden was voor hem.
Het gerechtshof baseert dit mede op hetgeen [verdachte] heeft verklaard over de manier van optreden van [slachtoffer 1] in zijn richting. [slachtoffer 1] behoorde tot de groep Friezen en stond op een gegeven moment vooraan, recht tegenover [verdachte] , direct op hem. Weliswaar verklaart [slachtoffer 1] dat hij daar min of meer toevallig was, omdat hij even ging kijken wat er aan de hand was, maar uit het dossier volgt dat [slachtoffer 1] een meer leidende rol ingenomen had en vooraan stond. [verdachte] had op basis van de lichaamstaal van [slachtoffer 1] , die met zijn handen heen en weer bewoog en aan het schelden was, de stellige indruk dat [slachtoffer 1] hem wilde gaan slaan. De grote groep Friezen stond op dat moment in een halve cirkel om het kleine groepje jonge asielzoekers heen. [verdachte] heeft in hoger beroep verklaard dat het voor hem op dat moment was alsof hij oog in oog met de dood stond. Aanvankelijk heeft [verdachte] geprobeerd om zich aan de groep Friezen te onttrekken door van het kermisterrein naar zijn fiets te gaan, maar de groep kwam zo snel op hem af, dat het hem niet lukte om zijn fiets tijdig van het slot te halen, waarop hij zijn fiets achter heeft gelaten en doorgelopen is. [verdachte] heeft verklaard dat voor elke stap die hij zette, de groep Friezen twee stappen zette, waardoor zij steeds dichterbij kwamen, tot de Friezen in een halve cirkel om hem heen stond en hij zich in het nauw gedreven voelde. Kort daarvoor had [verdachte] een tasje met een mes in zijn handen gedrukt gekregen. Op dat moment haalde hij het mes daaruit, aanvankelijk met de bedoeling om de groep van zich af te houden. Daarop is hij voorover gebukt en heeft hij [slachtoffer 1] in zijn knieholte gestoken. Het was geen groot mes.
Het gerechtshof acht de wijze waarop [verdachte] zich vervolgens heeft verdedigd tegen de dreiging die van de groep en meer specifiek [slachtoffer 1] uitging - door [slachtoffer 1] met een mes in diens knieholte te steken - onder de hierboven beschreven omstandigheden - proportioneel. [verdachte] heeft één keer gestoken en heeft dat bewust (gericht) zo gedaan in de knieholte van [slachtoffer 1] omdat hij had verwacht dat dit relatief onschuldig zou zijn en [slachtoffer 1] zou afschrikken. Vervolgens is [verdachte] weggegaan. Daar was toen wél gelegenheid voor, omdat de groep Friezen op de vlucht was gegaan bij het zien van messen bij de groep asielzoekers.
Het beroep op noodweer slaagt daarom. Het bewezen verklaarde feit is niet strafbaar.
Openlijke geweldpleging
De individuele bijdrage van [verdachte] aan de openlijke geweldpleging heeft zich beperkt tot die ene messteek en tot een schop tegen het lichaam van [slachtoffer 1] . Ter zake van die messteek heeft het gerechtshof hierboven al vastgesteld dat [verdachte] een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Dat is niet anders bij de bewezen verklaarde openlijke geweldpleging, nu de omstandigheden daarvoor gelijk zijn.
Het gerechtshof stelt verder vast dat [verdachte] wegging richting het AZC en dat hij toen in het voorbijgaan tegen het lichaam van de op de grond liggende [slachtoffer 1] heeft geschopt.
Het gerechtshof is van oordeel dat deze handeling van [verdachte] mede onderdeel vormt van diens handelen in de hierboven beschreven noodweersituatie, omdat hij zich op dat moment nog bevond temidden van een chaotische situatie van met elkaar vechtende en vluchtende mensen. Die schop tegen het lichaam van [slachtoffer 1] is naar het oordeel van het gerechtshof echter niet aan te merken als een proportionele manier van zelfverdediging, nu [slachtoffer 1] toen al op de grond lag.
Wél komt [verdachte] hier naar het oordeel van het gerechtshof een geslaagd beroep toe op noodweerexces. Voor [verdachte] was het alsof hij vlak hiervoor oog in oog met de dood had gestaan. De bedreigende situatie die werd veroorzaakt door de grote groep volwassenen, leverde voor [verdachte] een trigger op. [verdachte] heeft op de zitting bij het gerechtshof ook uitgelegd hoe hij zich hierbij voelde en dat hij tweemaal eerder oog in oog met de dood heeft gestaan voordat hij naar Nederland kwam. Op het moment van de openlijke geweldpleging herbeleefde hij die situaties als gevolg van de dreiging die er van de groep uitging. Ook op de zitting heeft het gerechtshof waargenomen dat [verdachte] , door over deze situatie te spreken, dit herbeleefde en wat dat met hem deed. Het gerechtshof acht aannemelijk geworden dat bij [verdachte] als gevolg van de dreiging vanuit de (grote) groep en meer specifiek [slachtoffer 1] een hevige gemoedsbeweging ontstond die dat gevoel, de doodsangst, bij hem heeft veroorzaakt. Vanuit die gemoedsbeweging heeft hij gehandeld. Voor hem was het op dat moment van levensbelang om zichzelf te redden.
Noodweerexces is daarom aannemelijk geworden. [verdachte] is niet strafbaar aan dit feit.
Het gevolg van deze conclusies is dat [verdachte] zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor de beide feiten.
In beslag genomen voorwerpen
Onder [verdachte] is kleding in beslag genomen. Het gaat om een wit poloshirt, een zwarte joggingbroek, een zwart boxershort en een grijze bodywarmer.
Het gerechtshof gelast de teruggave aan [verdachte] van die kledingstukken.
Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van materiële schade van € 385,00 en immateriële schade van € 5.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering geheel toegewezen. Deze benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van materiële schade van € 3.495,77 en immateriële schade van € 12.500,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen, te weten tot een bedrag van € 8.443,12, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
[slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van immateriële schade van € 1.000,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De rechtbank heeft deze vordering geheel toegewezen. Het toegewezen bedrag ligt in hoger beroep weer voor.
[slachtoffer 5]
De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van materiële schade van € 833,33 en immateriële schade van € 650,00. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De rechtbank heeft deze vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 650,00 voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het gerechtshof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de rechtbank is toegewezen.
Dit betreft dan de immateriële schade van € 650,00.
Algemeen
De benadeelde partijen dienen in verband met het ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen hun vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Gelet op het vorenstaande acht het gerechtshof het aangewezen dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten te dragen van het geding.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat (mede) is gericht tegen de vrijspraak van (medeplegen van) poging tot doodslag van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en van (medeplegen van) poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover vatbaar voor hoger beroep, en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en
2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Kwalificeert het onder 1 en 2 bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Verklaart het bewezenverklaarde onder 1 niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart het bewezenverklaarde onder 2 strafbaar, kwalificeert het als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een wit poloshirt, een zwarte joggingbroek, een zwart boxershort en een grijze bodywarmer.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 mei 2026.