[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de aan hem onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten tot een taakstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Allersma, hebben aangevoerd.
Ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep
Op de zitting van het hof van 13 mei 2026 heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat door de officier van justitie onbeperkt hoger beroep is ingesteld, maar dat er nu geen bezwaren meer zijn tegen het oordeel van de rechtbank Overijssel met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde. Het hoger beroep is enkel ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde niet-ontvankelijk is, vanwege de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR).
Nu er geen bezwaren meer bestaan tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal het hof verzocht het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van bezwaren.
Het hof heeft, gehoord de raadsman, ter zitting het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde omdat enkel het openbaar ministerie hoger beroep had ingesteld, het openbaar ministerie geen bezwaren had tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van dit feit, en het hof evenmin zelf redenen zag om dit feit nog een keer te beoordelen. Om die reden is het onder 2 ten laste gelegde feit niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen.
Voorgaande leidt ertoe dat het hof in hoger beroep zal oordelen over het onder 1 ten laste gelegde feit.
Het hof zal voor het feit dat niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen een straf bepalen op basis van hetgeen is bepaald in artikel 423, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Het vonnis
De rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 7 februari 2022:
Het hof komt in dit arrest, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:
1. primairhij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 6 april 2021 in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen, opzettelijk een (groot) aantal, althans één of meer, geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten 40 facturen,
waaronder:
a. a) een factuur van [bedrijf 1] 07-12-2017 (zie DOC-003-01, p. 897);
b) een factuur van [bedrijf 2] dd. 09-10-2017 (zie DOC-006-01, p. 916);
c) een factuur van [bedrijf 3] dd. 06-08-2017 (zie DOC-020-01, p. 1052);
d) een factuur van [bedrijf 4] dd. 08-11-2018 (met de hand bijgeschreven 19-11-2019, zie DOC-021-01, p. 1064);
e) een factuur van [bedrijf 5] dd. 05-09-2019 (zie DOC-029-01, p. 1153);
f) een factuur van [bedrijf 6] dd. 17-01-2019 (met de hand bijgeschreven 14-11-2019, zie DOC-033-01, p. 1163), en/of
g) een factuur van [bedrijf 7] dd. 20-02-2019 (zie DOC-034-01, p. 1169)
voorhanden heeft gehad,
bestaande die valsheid er uit dat op één of meerdere van die facturen een onjuiste datum, (verkoop)bedrag en/of bedrag aan te betalen btw stond vermeld,
terwijl hij en/of zijn mededaders wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat die geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als ware die echt en onvervalst;
1. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 12 november 2019 in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen,
opzettelijk een (groot) aantal, althans één of meer, geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten 40 facturen,
waaronder:
a. a) een factuur van [bedrijf 1] 07-12-2017 (zie DOC-003-01, p. 897);
b) een factuur van [bedrijf 2] dd. 09-10-2017 (zie DOC-006-01, p. 916);
c) een factuur van [bedrijf 3] dd. 06-08-2017 (zie DOC-020-01, p. 1052);
d) een factuur van [bedrijf 4] dd. 08-11-2018 (met de hand bijgeschreven 19-11-2019, zie DOC-021-01, p. 1064);
e) een factuur van [bedrijf 5] dd. 05-09-2019 (zie DOC-029-01, p. 1153);
f) een factuur van [bedrijf 6] dd. 17-01-2019 (met de hand bijgeschreven 14-11-2019, zie DOC-033-01, p. 1163), en/of
g) een factuur van [bedrijf 7] dd. 20-02-2019 (zie DOC-034-01, p. 1169),
en/of
- ( een deel van) de (bedrijfs)administratie van [bedrijf 8] , zijnde een samenstel van geschriften,
valselijk heeft opgemaakt of vervalst of valselijk heeft (doen) laten opmaken of doen of laten vervalsen, met het oogmerk om die administratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande die valsheid hierin dat:
op één of meerdere van die facturen een onjuiste datum, (verkoop)bedrag en/of bedrag aan te betalen btw stond vermeld,
en/of
- die valse/vervalste facturen (vervolgens) zijn opgenomen in die (bedrijfs)administratie; zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften en/of die (bedrijfs)administratie als echt en onvervalst te gebruiken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR niet van toepassing is op het voorhanden hebben van valse geschriften in de zin van artikel 225, tweede lid Sr die zijn gebruikt tegenover de fiscus. Ter onderbouwing hiervan heeft de advocaat-generaal verwezen naar wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 225 Sr en artikel 69, vierde lid AWR, een tweetal arresten van het hof Amsterdam en relevante literatuur.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op grond van artikel 69, vierde lid AWR.
Oordeel van het hof
Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
De vraag die in deze zaak van belang is, is of de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR van toepassing is bij het (enkel) voorhanden hebben van valse of vervalste geschriften, in de zin van artikel 225, tweede lid Sr, in het geval dat die geschriften (niet of op een later moment) zijn gebruikt tegenover de fiscus.
De rechtbank heeft bewezen verklaard, welk oordeel niet in hoger beroep opnieuw voorligt, het in feit 2 tenlastegelegde opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting in de periode van 30 april 2017 tot en met 27 januari 2020.
In artikel 69, vierde lid AWR is bepaald dat, indien het feit ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van artikel 69, eerste of tweede lid AWR, als onder die van artikel 225, tweede lid Sr, strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid Sr is uitgesloten.
In artikel 69, tweede lid AWR is het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte strafbaar gesteld.
Voor zover de tenlastelegging onder 1 primair is toegesneden op artikel 225, tweede lid Sr, behelst zij - kort gezegd - het verwijt dat de verdachte een aantal (ver)vals(t)e geschriften voorhanden heeft gehad met het doel ze als echt en onvervalst te gebruiken. Aangezien dit enkele voorhanden hebben van de geschriften niet onder de bepaling van het tweede lid van artikel 69, eerste deel valt (noch onder één van de andere bepalingen van het eerste of het tweede lid van artikel 69 AWR) – nu een dergelijke handeling niet actief wordt verricht ten aanzien van de fiscus – is strafvervolging ter zake van dat voorhanden hebben op grond van artikel 225, tweede lid Sr niet uitgesloten op de voet van het bepaalde in artikel 69, vierde lid AWR.
Daarmee is het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof ontvankelijk ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Bewijsoverweging
De verdediging heeft ter zitting geen bewijsverweren gevoerd ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde voorhanden hebben van valse geschriften. Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier en wat op de zitting bij het hof is besproken wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte feit 1 primair heeft begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primairhij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 6 april 2021 in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen en/of alleen, opzettelijk een (groot) aantal, althans één of meer, geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten 40 facturen, waaronder:
a. a) een factuur van [bedrijf 1] 07-12-2017;
b) een factuur van [bedrijf 2] dd. 09-10-2017;
c) een factuur van [bedrijf 3] dd. 06-08-2017;
d) een factuur van [bedrijf 4] dd. 08-11-2018 (met de hand bijgeschreven 19-11-2019);
e) een factuur van [bedrijf 5] dd. 05-09-2019;
f) een factuur van [bedrijf 6] dd. 17-01-2019 (met de hand bijgeschreven 14-11-2019), en/of
g) een factuur van [bedrijf 7] dd. 20-02-2019
voorhanden heeft gehad, bestaande die valsheid eruit dat op één of meerdere van die facturen een onjuiste datum, (verkoop)bedrag en/of bedrag aan te betalen btw stond vermeld, terwijl hij en/of zijn mededaders wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat die geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als waren die echt en onvervalst.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid Sv ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit
Nu de advocaat-generaal heeft aangegeven geen bezwaren meer tegen het vonnis te hebben ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit en het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv eerst de straf bepalen ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit.
Bij bepaling van die straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van het door de rechtbank bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij acht geslagen op feiten en omstandigheden zoals deze golden ten tijde van de zitting in eerste aanleg, te weten op 7 februari 2022, nu het hof bij de te bepalen straf ingevolge voorgaande bepaling geen feiten en omstandigheden mag betrekken die zich nadien hebben voorgedaan.
Gelet hierop dient de straf naar het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit te worden bepaald op een taakstraf van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis.
Oplegging van straf ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor een taakstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis. Volgens de schriftelijke vordering van de advocaat-generaal is deze vordering gericht tegen feit 1 primair en feit 2.
Oordeel van het hof
Gezien het vorenstaande dient het hof nog een straf te bepalen ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Bij het bepalen van die straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte ten tijde van de zitting van het hof op 13 mei 2026. Hierbij heeft het hof in het bijzonder gelet op het volgende.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van meerdere valse geschriften. Aldus handelend heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd.
Het hof heeft gelet op een uittreksel van het strafblad van verdachte van 13 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte na onderhavige feiten zich niet opnieuw strafbaar heeft gemaakt aan het plegen van enig strafbaar feit. Hieruit blijkt ook dat artikel 63 Sr van toepassing is.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden, zoals die door verdachte op de zitting van het hof naar voren zijn gebracht.
Verder stelt het hof vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren nadat hoger beroep is ingesteld. In de zaak tegen verdachte heeft de officier van justitie op 14 februari 2022 hoger beroep ingesteld en dateert het eindarrest van 27 mei 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn met 2 jaren, 3 maanden en 13 dagen is overschreden.
Het hof acht een voorwaardelijke gevangenisstraf niet meer aan de orde. Er is een lange periode verstreken en het hoger beroep is, zoals door de advocaat-generaal naar voren is gebracht, door de officier ingesteld, enkel en alleen om een oordeel van het hof te verkrijgen met betrekking tot de vraag of het voorhanden hebben van valse geschriften valt onder de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR.
Gelet op al het bovenstaande is het hof van oordeel dat een taakstraf van 20 uren, te vervangen door 10 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, passend en geboden is.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 423 van het Wetboek van Strafvordering en 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2 bewezenverklaarde op een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. C.H. Zuur, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. P.L.M van Gorkom, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 mei 2026.