[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Iran),
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.J.M. Pinners, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. R.J.A. Korten, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 20 januari 2025:
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.Hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 juli 2022 tot en met 30 oktober 2024, te [plaats 1] , althans elders in Nederland, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van 19 juli 2022 in staat van faillissement is verklaard,
- tijdens het faillissement van die rechtspersoon, desgevraagd (telkens) opzettelijk niet terstond, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie, te weten een (volledige) kasadministratie en/of jaarrekeningen en/of (zorgvuldige/complete debiteuren en/of crediteurenadministratie en/of balansen en/of winst- en verliesrekeningen, in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekt, (DOC-008) en/of
- tijdens het faillissement van de vennootschap, of voor het faillissement indien dit is gevolgd, opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie, immers was er geen sprake van (het voeren en/of samenstellen van een (volledige) kasadministratie en/of jaarrekeningen en/of (zorgvuldige/complete) debiteuren- en/of crediteurenadministratie en/of balansen en/of winst- en verliesrekeningen, en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;
2.Hij, als bestuurder van een vennootschap, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 1] , welke vennootschap op 19 juli 2022 in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens het faillissement, te weten op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 20 juli 2021 (moment treffen betalingsregeling pensioenfonds) tot en met 20 juli 2022 (datum laatste betaling na faillissement), te [plaats 1] , althans elders in Nederland en/of [plaats 2] , althans in Spanje, een of meerdere geldbedragen, althans enig goed, - aan de boedel heeft onttrokken en/of - buitensporige middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd en/of, - een van de schuldeisers (“werknemers”) van de rechtspersoon op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers (Belastingdienst en/of Pensioenfonds Metaal en/of UWV) van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld immers heeft verdachte in de periode een of meerdere geldbedragen van (in totaal) ongeveer) EUR 353.311,38, bestaande uit
- EUR 200.948,50 contante opnames
- EUR 41.668,35 (privé betalingen, zoals tanken/boodschappen)
- EUR 12.365,14 (huur woning Spanje) - EUR 3.561,00 (betaling [bedrijf 2] )
- EUR 9.090,45 (volkswagen leasing) - EUR 1.933,80 (betaling voor woning [plaats 1] /stichting [stichting] )
- EUR 37.344,14 (betaling aan privé rekening)
- EUR 26.420,00 (betaling aan (ex-partner) [naam 1]
- EUR 19.980,00 (betaling aanzus [naam 2] ) (p. 6 zaaksdossier)
althans een of meerdere geldbedragen buiten de boedel gebracht en/of werknemers ‘zwart’ uitbetaald en/of onverklaarbare/onverantwoorde uitgaven gedaan;
3.Hij, op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2022 en 31 november 2023, te [plaats 1] , althans elders in Nederland,
als bestuurder van een vennootschap, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 3] , die, buiten het geval van de artikelen 342 en 343, buitensporige middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden en het voortbestaan in gevaar is gekomen, immers heeft verdachte een of meerdere gelbedragen (in totaal EUR 281.654,60) op de bankrekening van de rechtspersoon rechtstreeks overgemaakt op zijn privé rekening, terwijl dat vanuit goed ondernemerschap en gezonde bedrijfsvoering abnormaal en/of als volstrekt onredelijk is aan te merken en die handeling de bedrijfsresultaten zodanig heeft aangetast dat de rechtspersoon (vanwege onder meer een oplopende Belastingschuld) op een bankroet afstevent.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter zitting integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 geen opzet heeft gehad op het niet verstrekken van de administratie aan de curator. De boekhouder van verdachte zou beschikken over de administratie van de rechtspersoon en wilde deze niet afgeven. Om die reden zou verdachte geen opzet hebben gehad op het niet verstrekken van de administratie aan de curator. Ten aanzien van feit 2 is bepleit dat verdachte niet het doel had om zichzelf te bevoordelen. De verdachte zou de gelden hebben aangewend om personeel (‘zwart’) te betalen, werkzaamheden voort te zetten – in een nieuw opgerichte bv – en om schulden uiteindelijk te kunnen voldoen. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte geen oogmerk heeft gehad om zichzelf te bevoordelen. Verdachte zou de gelden van [bedrijf 3] . hebben aangewend ter voortzetting van zijn onderneming in Spanje en ter afdekking van acute financiële tekorten. Er is slechts sprake van financieel onzorgvuldig handelen, niet van opzet.
Oordeel van het hof
Verdachte heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen. Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest. Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van feit 1
[bedrijf 1] (verder: [bedrijf 1] ) is opgericht op 11 juli 2019. Eerst was de partner van verdachte bestuurder, vanaf 22 mei 2020 was verdachte bestuurder. Op 19 juli 2022 is [bedrijf 1] failliet verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij alles alleen deed bij [bedrijf 1] , dat hij verantwoordelijk was voor de administratie en dat de boekhouder de administratie niet wilde afgeven, omdat verdachte een schuld had bij de boekhouder.
Op 10 januari 2024 is door de curator van het gefailleerde [bedrijf 1] , de heer [verdachte] , aangifte gedaan tegen verdachte, als bestuurder van deze vennootschap, vanwege het vermoedelijk niet correct voeren en niet terstond verstrekken van de administratie. Daarnaast is aangifte gedaan van het doen van onttrekkingen aan de failliete boedel, wetende dat de schuldeisers worden benadeeld.
Kort na de faillietverklaring van [bedrijf 1] bleek verdachte onbereikbaar voor de curator. Daardoor heeft pas op 27 juli 2022 een eerste gesprek plaatsgevonden tussen de heer [naam 3] , kantoorgenoot van de curator, en verdachte. Tijdens dit gesprek heeft [naam 3] verdachte gevraagd om de administratie van [bedrijf 1] . Verdachte verklaarde dat hij geen volledige administratie had bijgehouden en dat hij niet kon vertellen wat de stand van zaken was met betrekking tot [bedrijf 1] . [naam 3] heeft verklaard dat hij verdachte heeft verteld dat hij de administratie nodig had om het faillissement goed af te kunnen wikkelen. Hij heeft de administratie nooit van verdachte ontvangen. Hij ontving slechts een keer een paar stukken van verdachte; dit betroffen zogenaamde “stukken uit de brievenbus”: wat brieven en stukken, een paar facturen en aanmaningen. Via de boekhouder heeft de curator enige loonadministratie ontvangen. Deze stukken kwalificeren echter niet als een administratie als bedoeld in artikel 10 van boek 2 BW. Zo ontbraken bijvoorbeeld stukken van contante betalingen, er was geen jaarrekening, geen kolommenbalans en geen kasboek. Er was dus geen kloppende en volledige administratie waaruit de rechten en verplichtingen van [bedrijf 1] konden worden vastgesteld.
Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat de administratie bij de boekhouder de loonadministratie betrof. Gelet op de door verdachte gedane en erkende zwarte loonbetalingen, kan in ieder geval al niet van een juiste en volledige loonadministratie worden gesproken. Verdachte heeft dan ook verzuimd deze loonadministratie terstond (volledig en zorgvuldig) aan de curator te overhandigen.
Verdachte was ten tijde van het faillissement enig – feitelijk en formeel – bestuurder van [bedrijf 1] . Dit leidt ertoe dat hij verantwoordelijk was voor het voeren en bewaren van de administratie, hetgeen hij dus opzettelijk heeft verzuimd.
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem onder 1 ten laste gelegde.
Ten aanzien van feit 2
Uit het proces-verbaal van 31 oktober 2024 blijkt dat verdachte in de periode van maart 2020 tot en met 20 juli 2022 (de dag na het uitspreken van het faillissement), dus voor en kort tijdens het faillissement van [bedrijf 1] , grote bedragen aan de boedel heeft onttrokken.
Uit dit proces-verbaal blijkt dat [bedrijf 1] in mei 2021 al kampte met een schuld van ruim € 200.000,- bij de Belastingdienst. In de periode juni 2020 tot mei 2021 heeft de Belastingdienst meerdere naheffingsaanslagen gestuurd. Daarnaast was er een schuld van circa € 16.000,- bij het pensioenfonds Metaal en Techniek. Deze schulden zijn in minder dan 2 jaar na de oprichting ontstaan. De Belastingdienst en het pensioenfonds hebben hierover meerdere malen herinneringsbrieven naar verdachte gestuurd. Uiteindelijk heeft verdachte bij e-mail van 20 juli 2021 het pensioenfonds om een betalingsregeling verzocht, maar op het aangeboden betalingsvoorstel is nooit enig bedrag afbetaald. Niet alleen waren er deze forse schulden bij de Belastingdienst en het pensioenfonds, er was ook een schuld bij het UWV. In de periode van 20 juli 2021 (de dag van de betalingsregeling met het pensioenfonds) tot en met 20 juli 2022 gaat het om een bedrag van € 353.311,38 aan contante opnamen en privé betalingen van de bankrekening van [bedrijf 1] door verdachte. Deze opnamen en overboekingen zijn door verdachte niet weersproken of betwist.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte en zijn partner al in 2020 bij hem zijn gekomen en dat verdachte hem vertelde dat hij hulp nodig had vanwege problemen met de administratie en de belastingen. Het ging om [bedrijf 1] . Ze zaten in de stress, want ze hadden hoge schulden en daar hadden ze heel erg hard hulp bij nodig. Het betrof voornamelijk ambtshalve aanslagen. [getuige] zou de administratie gaan voeren en heeft ze geholpen met betalingsregelingen met de Belastingdienst. [getuige] heeft veel werkzaamheden met terugwerkende kracht verricht. Deze werkzaamheden vonden hoofdzakelijk plaats in 2020. Volgens [getuige] had verdachte het niet meer overzichtelijk. Hieruit blijkt het hof dat verdachte reeds in 2020 wist dat er een behoorlijke schuld bestond van [bedrijf 1] bij de Belastingdienst.
Ondanks dat [bedrijf 1] een grote schuld had bij de Belastingdienst en bij het pensioenfonds Metaal en Techniek, bleef verdachte doorgaan met het opnemen van grote contante bedragen en het doen van privébetalingen vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] . Ter zitting bij het hof verklaarde verdachte ook, zoals ook hiervoor overwogen, dat hij werknemers zwart heeft uitbetaald. Verdachte heeft de door hem opgenomen contante gelden niet alleen aangewend ten behoeve van een door hem – nieuw – op te zetten bedrijf op [plaats 2] , maar ook voor het zwart betalen van zijn personeel. Verdachte heeft echter nagelaten om de verschuldigde belastingen, waaronder loonheffing, en pensioenpremies te betalen. In de periode juli 2020 tot en met juni 2022 bestaat de ontstane belastingschuld voornamelijk uit loonheffingen. De totale belastingschuld van [bedrijf 1] is berekend op een bedrag van € 262.932,48.
Verdachte wist dus in 2020 al van het bestaan van een forse (belasting)schulden van [bedrijf 1] , maar is toch doorgegaan met gebruiken van gelden van de vennootschap voor zichzelf en ten behoeve van een nieuw op te richten bedrijf op [plaats 2] dat geen enkele zakelijke verhouding had met [bedrijf 1] . De door verdachte van de zakelijke bankrekening van [bedrijf 1] opgenomen bedragen en verrichtte privé betalingen zijn door hem ook niet in een rekening-courant-verhouding in de administratie verwerkt.
Verdachte heeft ter zitting bij het hof verklaard dat hij in de veronderstelling was dat hij op een later moment zijn schulden, zoals die bij de Belastingdienst en het pensioenfonds en betalingsregelingen wel zou kunnen aflossen, maar dat hij voorrang gaf aan de opbouw van zijn nieuwe bedrijf op [plaats 2] . Desgevraagd gaf verdachte ter zitting toe dat het er in feite op neer komt dat hij door deze handelwijze geld van de Belastingdienst op [plaats 2] heeft geïnvesteerd en dat dat niets met de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] te maken had.
Hier komt bij dat [naam 3] als getuige heeft verklaard dat het faillissement van [bedrijf 1] niet op zichzelf lijkt te staan en dat sprake lijkt te zijn van een patroon. De curator van [bedrijf 4] (verder: [bedrijf 4] ), een eerdere vennootschap van verdachte, heeft tegenover [naam 3] verklaard dat bij het faillissement van [bedrijf 4] van dezelfde situatie sprake was als bij het faillissement van [bedrijf 1] .
Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 4] blijkt dat deze vennootschap is opgericht op 17 januari 2019. Als bestuurder staat [naam 1] geregistreerd, de partner van verdachte. [bedrijf 4] . is op 15 september 2020 in staat van faillissement verklaard. In het faillissementsverslag van [bedrijf 4] staat vermeld dat de activiteiten van [bedrijf 4] in 2019/begin 2020 zijn voortgezet in een andere vennootschap. Dit betreft dus [bedrijf 1] . De schuld aan de Belastingdienst in het faillissement van [bedrijf 4] is berekend op een bedrag van € 127.879,-.
Al voordat het faillissement van [bedrijf 1] werd uitgesproken, heeft verdachte wederom een nieuwe vennootschap opgericht, [bedrijf 3] B.V. (verder: [bedrijf 3] ). Deze vennootschap is opgericht op 11 maart 2021 en op naam van de zus van verdachte gezet. De activiteiten van [bedrijf 1] werden – net als bij [bedrijf 4] – ook weer voortgezet in de nieuwe vennootschap.
Het hof concludeert dat verdachte [bedrijf 1] willens en wetens heeft gebruikt als financier voor zijn eigen privéwensen, terwijl de vennootschap op dat moment al (te) grote schulden had om op korte termijn nog te kunnen inlossen. In de wetenschap van in elk geval een aanzienlijke schuld bij de Belastingdienst en een schuld bij pensioenfonds Metaal en Techniek, heeft verdachte vanaf 20 juli 2021 geweten dat hij meerdere schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zou benadelen op het moment dat hij de tenlastegelegde contante opnames en (privé)betalingen deed met gelden van [bedrijf 1] vanaf de rekening van [bedrijf 1] ter hoogte van € 353.311,38.
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het aan hem onder 2 ten laste gelegde.
Ten aanzien van onder 3
Ten aanzien van onder 3 heeft de verdediging – kort gezegd – betoogt dat verdachte geen oogmerk zou hebben gehad om zichzelf te bevoordelen.
Deze rechtspersoon, in 2021 opgericht door de zus van verdachte, werd pas actief op 27 juli 2022, dus kort na het faillissement van [bedrijf 1] op 19 juli 2022. In zijn tweede verhoor met de FIOD heeft verdachte op de vraag waarom verdachte vanuit [bedrijf 3] € 281.654,- op zijn privérekening heeft ontvangen, geantwoord dat dat bedrag was voor kosten van het huis van zijn vriendin, kosten van [plaats 2] , het huis op [plaats 2] , elke dag tanken en klein materiaal dat hij moest kopen. Daarnaast heeft hij verklaard een tijd dure auto’s te hebben gehuurd voor een weekend of een week. Hij reed naar eigen zeggen in een Audi SQ7 en een Audi A6, dat hij het geld aanwendde tot het huren van nieuwe auto’s en dat het wel een dure variant was.
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 1] een bedrijf in zonnepanelen, in feite een voortzetting was van de activiteiten van [bedrijf 1] en dat de onderneming feitelijk van hem was. Dat blijkt ook uit zijn mededelingen aan de curator van [bedrijf 1] . Hij heeft ook ter zitting bij het hof zijn verklaring bij de FIOD bevestigd dat hij de keuze maakte om al die tenlastegelegde uitgaven te doen ten behoeve van een nieuw leven en een nieuwe onderneming in Spanje, te weten een handel in kaviaar. Ondertussen liep de schuld bij de Belastingdienst op tot een bedrag van € 22.996,- en loste hij de schuldeisers van [bedrijf 1] , waarvan [bedrijf 3] in feite een voortzetting was, niet af.
Het verweer dat verdachte de gelden zou hebben aangewend ten behoeve een doorstart van zijn onderneming in zonnepanelen en ter afdekking van acute financiële tekorten van die onderneming in zonnepanelen, wordt dus door verdachte zelf ter zitting weersproken en het hof verwerpt dan ook dat verweer.
Uit het voorgaande volgt dat verdachte het oogmerk had om zichzelf en zijn andere onderneming in Spanje te bevoordelen.
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem onder 3 ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.Hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 juli 2022 tot en met 30 oktober 2024, te [plaats 1] , althans elders in Nederland, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van 19 juli 2022 in staat van faillissement is verklaard,
- tijdens het faillissement van die rechtspersoon, desgevraagd (telkens) opzettelijk niet terstond, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie, te weten een (volledige) kasadministratie en/of jaarrekeningen en/of (zorgvuldige/complete debiteuren en/of crediteurenadministratie en/of balansen en/of winst- en verliesrekeningen, in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekt, en/of
- tijdens het faillissement van de vennootschap, of voor het faillissement indien dit is gevolgd, opzettelijk niet heeft voldaan aan of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie, immers was er geen sprake van (het voeren en/of samenstellen van een (volledige) kasadministratie en/of jaarrekeningen en/of (zorgvuldige/complete) debiteuren- en/of crediteurenadministratie en/of balansen en/of winst- en verliesrekeningen, en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.
2.Hij, als bestuurder van een vennootschap, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 1] , welke vennootschap op 19 juli 2022 in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens het faillissement, te weten op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 20 juli 2021 (moment treffen betalingsregeling pensioenfonds) tot en met 20 juli 2022 (datum laatste betaling na faillissement), te [plaats 1] , althans elders in Nederland en/of [plaats 2] , althans in Spanje, een of meerdere geldbedragen, althans enig goed,
- aan de boedel heeft onttrokken en/of
- buitensporige middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd en/of,
- een van de schuldeisers (“werknemers”) van de rechtspersoon op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers (Belastingdienst en/of Pensioenfonds Metaal en/of UWV) van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld immers heeft verdachte in de periode een of meerdere geldbedragen van (in totaal) ongeveer) EUR 353.311,38, bestaande uit
- EUR 200.948,50 contante opnames
- EUR 41.668,35 (privébetalingen, zoals tanken/boodschappen)
- EUR 12.365,14 (huurwoning Spanje)
- EUR 3.561,00 (betaling [bedrijf 2] )
- EUR 9.090,45 (volkswagen leasing)
- EUR 1.933,80 (betaling voor woning [plaats 1] /stichting [stichting] )
- EUR 37.344,14 (betaling aan privérekening)
- EUR 26.420,00 (betaling aan (ex-partner) [naam 1]
- EUR 19.980,00 (betaling aan zus [naam 2] ) (p. 6 zaaksdossier) althans een of meerdere geldbedragen buiten de boedel gebracht en/of werknemers “zwart” uitbetaald en/of onverklaarbare/onverantwoorde uitgaven gedaan.
3.Hij, op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2022 en 31 november 2023, te [plaats 1] , althans elders in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten de besloten vennootschap [bedrijf 3] , buiten het geval van de artikelen 342 en 343, buitensporige middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden en het voortbestaan in gevaar is gekomen, immers heeft verdachte een of meerdere gelbedragen (in totaal EUR 281.654,60) op de bankrekening van de rechtspersoon rechtstreeks overgemaakt op zijn privé rekening, terwijl dat vanuit goed ondernemerschap en gezonde bedrijfsvoering abnormaal en/of als volstrekt onredelijk is aan te merken en die handeling de bedrijfsresultaten zodanig heeft aangetast dat de rechtspersoon (vanwege onder meer een oplopende Belastingschuld) op een bankroet afstevent.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
het tijdens het faillissement desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende een ingevolge de wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken
en
het voor het faillissement opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, buitensporig middelen van de rechtspersoon vervreemden.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
Als bestuurder van een rechtspersoon, buiten het geval van de artikelen 342 en 343, buitensporig middelen vervreemden, ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel ondervindt en het voortbestaan in gevaar komt.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte en de omtrent verdachte opgemaakte rapportages.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij heeft geen sluitende administratie gevoerd en deze dus ook niet terstond ter beschikking van de curator gesteld en hij heeft wederrechtelijk grote geldbedragen aan twee besloten vennootschappen onttrokken. Door aldus te handelen heeft verdachte zichzelf bevoordeeld en schuldeisers benadeeld, de curator bemoeilijkt in zijn werkzaamheden om het faillissement af te wikkelen en heeft hij een opvolgende vennootschap richting een faillissement gebracht. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op het waarborgen van een betrouwbare basis voor afwikkeling van het faillissement. Daarnaast heeft hij inbreuk gemaakt op de bescherming van het openbaar krediet en het vertrouwen in de kredietverlening, welke belangen essentieel worden geacht voor de economie.
Het hof heeft gelet op een uittreksel van het strafblad van verdachte van 13 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte na onderhavige feiten onherroepelijk is veroordeeld voor meerdere overtredingen. Om die reden is artikel 63 Sr van toepassing.
Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met wat verdachte op de zitting van het hof heeft verklaard. Het hof heeft de stellige indruk gekregen dat verdachte nog steeds geen enkel inzicht heeft in de strafwaardigheid van zijn handelen en telkens de schuld van zich af probeert te schuiven. Hij legt de schuld volledig buiten zichzelf, terwijl hij naar het oordeel van het hof een spoor van financiële vernieling heeft achtergelaten en buitensporig veel geld heeft uitgegeven ten behoeve van zichzelf.
Gelet op de ernst en de omvang van de feiten en het voorgaande is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige straf is waarmee kan worden volstaan voor onderhavige feiten.
Voordat het hof zal uitleggen welke straf het passend en geboden acht, overweegt het hof dat het uitzonderlijk is dat in zaken met een dergelijk financieel nadeel en dergelijke ernstige feiten wordt gedagvaard bij de politierechter. De advocaat-generaal heeft toegelicht dat om redenen van een snelle afdoening is gedagvaard bij de politierechter, in de wetenschap dat de politierechter geen hogere gevangenisstraf dan twaalf maanden kan opleggen. Dat is ook kenbaar geweest voor de verdediging destijds. Desgevraagd deelde de raadsvrouw mede dat de verdediging beseft dat in sommige gevallen appelleren riskeren kan zijn, maar dat verdachte zich principieel op het standpunt stelt dat hij geen opzet had op de hem verweten feiten en van mening is dat hij vrijgesproken moet worden.
Nu alle drie feiten bewezen zijn verklaard, voltrekt zich het risico van een hogere straf dan in eerste aanleg geëist en opgelegd. Gelet op al hetgeen hiervoor overwogen, acht het hof een straf conform de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, te weten een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, passend en geboden. Voor een lichtere straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht, is geen reden en doet geen recht aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Het hof zal de tijd die door verdachte voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering brengen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis is echter door de politierechter opgeheven per datum vonnis. Er is dus geen sprake (meer) van een voorlopige hechtenis of een schorsing daarvan die opgeheven kan worden. Gevangenneming is niet gevorderd. Het hof zal dus geen uitspraak doen over de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot het niet-betaalde salaris van de curator ter grootte van € 32.799,55. Voor het overige is de vordering niet eenvoudig genoeg. Hierin dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de gehele vordering tot schadevergoeding. Hiertoe heeft de raadsvrouw – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er geen sprake is van rechtstreeks toegebrachte schade en dat de vordering een onevenredige belasting vormt van het strafgeding.
Oordeel van het hof
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 415.199,62 ingediend, volledig bestaande uit materiële schade. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 32.799,55. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van €32.799,55, bestaande uit het niet-betaalde salaris van de curator, door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Door het wederrechtelijke handelen van de verdachte is de vennootschap [bedrijf 1] failliet gegaan, ten gevolge waarvan de vordering van de curator is ontstaan. Er is zodoende sprake van rechtstreekse schade en verdachte is pleger als bestuurder van de vennootschap. Het hof zal bepalen dat de wettelijke rente wordt toegepast vanaf 19 juli 2022.
Het hof kan in deze procedure niet vaststellen dat de gehele door de benadeelde gevorderde schade veroorzaakt is door het bewezen verklaarde handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Daarom kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 63, 343, 344a en 347 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verdachte] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 32.799,55 (tweeëndertigduizend zevenhonderdnegenennegentig euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [verdachte] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 32.799,55 (tweeëndertigduizend zevenhonderdnegenennegentig euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 167 (honderdzevenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 juli 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. C.H. Zuur, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. P.L.M van Gorkom, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 mei 2026.