Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004342-23
Uitspraakdatum: 29 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 8 september 2023 met parketnummer 18-152211-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
1. Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
2. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van het hof van 7 en 9 april 2026 en op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 4 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte, zijn raadsvrouw, mr. A. Çimen, en zijn raadsman, mr. M.Q. Zaat, hebben aangevoerd.
3. Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en vrijgesproken van het onder 3 primair ten laste gelegde. Verder heeft de rechtbank de iPhone en de Samsung SSD-schijf verbeurdverklaard. Van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen heeft de rechtbank de teruggave aan verdachte (de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon) gelast.
Het hof komt in dit arrest tot een (deels) andere bewijsbeslissing, kwalificatie en strafoplegging dan de rechtbank. Het hof zal het vonnis van de rechtbank daarom vernietigen en opnieuw rechtdoen. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van het bewijs grotendeels op de juiste wijze heeft beslist en overwogen. Het hof zal daarom grote delen van het vonnis van de rechtbank, met enige aanpassingen, overnemen.
4. Tenlastelegging
3. primair
3. subsidiair
Op de zitting bij de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen en/of Duitsland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
a. a) (ZD-001, Noorwegen)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 tot en met 11 april 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of methamfetamine, (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
b) (ZD-002, [plaats 5] 1)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 5] en/of [plaats 4] en/of elders in Duitsland,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of amfetamine, (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
c) (ZD-005, [plaats 5] 2)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 29 mei tot en met 12 juni 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 5] en/of elders in Duitsland,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
3,2 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 6] en/of [plaats 7] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen en/of Duitsland en/of Spanje, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
a. a) (ZD-001, Noorwegen)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 tot en met 11 april 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen, een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer
15,5 kilogram hasjiesj, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
en/of
b) (ZD-002, [plaats 5] 1)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 5] en/of elders in Duitsland, een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
1,45 kilogram hennep, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
c) (ZD-003, Spanje- [plaats 6] )
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland en/of [plaats 7] en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje, een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
527 kilogram hennep en/of 108 kilogram hasjiesj, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
d) (ZD-004, Spanje- [plaats 7] )
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 14 tot en met 28 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 7] en/of elders in Nederland en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje, een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
240 kilogram hennep, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(ZD-003, [plaats 6] -Spanje)
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
48 kilogram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van (in totaal) (ongeveer) 48 kilogram cocaïne, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
immers heeft verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, opzettelijk
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze feiten in lijn met de beslissing van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het onder 3 primair ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal zich (in tegenstelling tot de beslissing van de rechtbank) op het standpunt gesteld dat de primaire variant wettig en overtuigend bewezen kan worden. In dit kader heeft de advocaat-generaal primair gesteld dat sprake is geweest van verlengde uitvoer omdat uit het dossier blijkt dat de blokken cocaïne vanuit de opslag in [plaats 2] in een auto (de Smart) zijn gestopt en naar [plaats 6] zijn vervoerd alwaar die ten vervoer met bestemming [plaats 8] , althans Spanje, zijn aangeboden aan de beoogde chauffeur(s). Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat ook indien de blokken cocaïne uiteindelijk niet in [plaats 6] zijn aangekomen, of zelfs in de opslag in [plaats 2] zijn gebleven, er sprake is geweest van het ten vervoer met bestemming buitenland aanbieden van de drugs. Dit omdat het ging om buitenlandse chauffeurs, die weer zouden terugrijden naar Spanje, die werden gevraagd de cocaïne daarbij mee te nemen. Dat de cocaïne uiteindelijk niet werd meegenomen, doet niet af aan een voltooide verlengde uitvoer. Meer subsidiair heeft de advocaat-generaal gesteld dat het onder 3 primair ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen kan worden indien het hof van oordeel is dat geen sprake is van verlengde uitvoer. Onder 3 primair is namelijk ook het vervoer en/of het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs ten laste gelegd, wat (eveneens) op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het onder 3 primair ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit feit. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat het idee was om de Spaanse vrachtwagen die gelost was in Nederland terug naar Spanje te laten rijden met de 48 kilo cocaïne. Dit idee is echter in het water gevallen omdat de chauffeur deze vracht niet wilde vervoeren. Wat er vervolgens precies is gebeurd met de drugs is onduidelijk, maar de planning is niet veel verder gekomen dan het opperen om dit op de retourrit aan deze chauffeur mee te geven. Op basis van het dossier is in ieder geval niet vast te stellen dat de drugs zijn verhandeld of uitgevoerd. Ook is geen sprake geweest van verlengde uitvoer van de drugs. Subsidiair voert de raadsvrouw ten aanzien van het medeplegen aan dat verdachte geen bemoeienis had met het voorgenomen transport van de 48 kilo cocaïne, maar pas achteraf toen de drugs ergens (anders) moesten worden opgeslagen omdat de chauffeur niet wilde rijden. Dit maakt dat het bewijs voor het medeplegen ten aanzien van (het voorbereiden of tot stand brengen van) dit voorgenomen transport tekortschiet.
Oordeel van het hof
Inleiding
De verdenking jegens verdachte berust in belangrijke mate op chatberichten van de EncroChat-accounts ‘ [accountnaam 3] ’ en ‘ [accountnaam 4] ’, welke accounts door het Openbaar Ministerie aan verdachte worden toegeschreven. Het hof zal daarom eerst de vraag beantwoorden of kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van de aan hem toegeschreven accounts. Daarna zal het hof ingaan op de vraag of vastgesteld kan worden of de ten laste gelegde transporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en welke rol verdachte hierbij, blijkens de EncroChat-gesprekken en verdachtes verklaring in hoger beroep, had. Tot slot zal het hof op basis van het voorgaande de vraag beantwoorden of en in hoeverre de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.
Het hof overweegt, op grond van de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, als volgt.
Identificatie van verdachte als [accountnaam 3] en [accountnaam 4]
Uit de EncroChat-berichten in het dossier blijkt dat op 6 april 2020 tussen twee EncroChat-gebruikers, te weten [accountnaam 1] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 2] ) en [accountnaam 2] (niet geïdentificeerd) contact plaatsvond over het ophalen van ‘snelle’ (het hof begrijpt: amfetamine). In dat gesprek geeft [medeverdachte 2] aan dat ‘ [bijnaam] ’ dat gaat regelen, waarop [accountnaam 2] vraagt of dat ‘ [accountnaam 3] ’ is. [medeverdachte 2] geeft hierop aan dat dat klopt, maar dat [accountnaam 4] de nieuwe accountnaam is van [accountnaam 3] . Verder blijkt dat van het account met de naam ‘ [accountnaam 3] ’ berichten beschikbaar zijn van 17 maart 2020 tot en met 4 april 2020 en van het account [accountnaam 4] van 3 april 2020 tot en met 12 juni 2020. Beide accounts gebruikten exact hetzelfde wachtwoord. Uit onderzoek naar de algemene functionaliteiten van EncroChat-telefoons is gebleken dat wachtwoorden van EncroChat-telefoons zelf konden worden ingesteld door de gebruikers ervan.
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat de gebruiker van de accounts [accountnaam 3] en [accountnaam 4] één en dezelfde persoon is geweest.
Met betrekking tot de vraag of vastgesteld kan worden dat verdachte deze persoon is geweest, geldt dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zijn bijnaam “ [bijnaam] ” was, dat hij een EncroChat-telefoon heeft gehad, dat hij niet meer weet wat zijn accountnaam precies was, maar dat hij degene is geweest die de berichten heeft verstuurd die door de rechtbank in het vonnis aan hem zijn toegeschreven (dan wel, in het geval van Transport ZD-003 [plaats 6] -Spanje (hieronder besproken in sub-paragraaf 5.3.3.4), dat hij zich de betreffende berichten niet herinnert, maar dat het wel zo kan zijn dat hij deze heeft verstuurd) en dat hij betrokken is geweest bij het tot stand brengen van de ten laste gelegde drugstransporten. Gelet op deze verklaring van verdachte en op de overige aanwijzingen in het dossier die deze verklaring bevestigen, stelt het hof vast dat verdachte de gebruiker is geweest van de accounts [accountnaam 3] en [accountnaam 4] .
Transporten en de rol van verdachte hierbij blijkens de EncroChat-berichten
Voornoemde verklaring van verdachte, inhoudende dat hij inderdaad betrokken is geweest bij (het tot stand brengen van) de ten laste gelegde drugstransporten en het gegeven dat de drugs van één van de transporten (namelijk de 240 kilo hennep die op 28 mei 2020 vanuit Spanje naar [plaats 7] werd getransporteerd zoals weergegeven in sub-paragraaf 5.3.3.5) bij een inval daadwerkelijk door de politie is aangetroffen, maken dat het hof er niet aan twijfelt dat de overige ten laste gelegde drugstransporten – waarbij (grotendeels) dezelfde EncroChat-gebruikers een rol hebben gespeeld – eveneens op de manier zoals die uit de berichten naar voren komt, hebben plaatsgevonden zoals hieronder in de sub-paragrafen weergegeven.
5.3.3.1. Transport ZD-001, Nederland-Noorwegen (feit 1 en 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 9 april 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Noorwegen. Het treffen van voorbereidingen voor het transport begon op 2 april 2020 en in de dagen voorafgaand aan het transport werden de drugs door diverse binnenlandse transporten (onder andere vanuit [plaats 1] ) samengebracht op een opslaglocatie in [plaats 2] . Vanuit [plaats 2] zijn de drugs naar [plaats 3] gebracht, waar deze vervolgens zijn ingeladen in een vrachtwagen. Er zijn in totaal 8 kilo cocaïne, 40.000 pillen XTC, 30 kilo MDMA, 60 kilo amfetamine, 2 kilo methamfetamine en 15,5 kilo hasjiesj geëxporteerd naar Noorwegen. Op 11 april 2020 vond de financiële afwikkeling plaats.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit het geheel aan chats en verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat hij dit transport mede heeft georganiseerd door met name de logistiek ervan voor zijn rekening te nemen. Zo zorgde verdachte ervoor dat de handel middels verschillende transporten binnen Nederland werd samengebracht. Hij stuurde hierbij andere EncroChat-gebruikers aan voor het ophalen en wegbrengen van amfetamine, had de dag voorafgaand aan het transport direct contact met de Noorse afnemer en zorgde ervoor dat de handel een dag voor het transport stond opgeslagen bij medeverdachte [medeverdachte 1] in [plaats 2] .
5.3.3.2. Transporten ZD-002, Nederland- [plaats 5] 1 en [plaats 4] (feit 1 en 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 30 april 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Duitsland. Op 30 april 2020 werd een lading afgegeven in [plaats 5] en op 1 mei 2020 in [plaats 4] . Het treffen van voorbereidingen voor het transport begon op 30 maart 2020 en in de dagen voorafgaand aan het transport werden de drugs via verschillende binnenlandse transporten (onder andere vanuit [plaats 1] ) samengebracht. De drugs met als bestemming [plaats 4] werden voorafgaand aan het transport opgeslagen op een opslaglocatie in [plaats 2] . Er zijn in totaal (ongeveer) 4 kilo cocaïne, 6 liter amfetamine-olie en 1,45 kilo hennep geëxporteerd naar [plaats 5] en 2 kilo cocaïne naar [plaats 4] . In de maand mei (tot 20 mei 2020) vond de financiële afwikkeling plaats.
Ten aanzien van de rol van verdachte bij dit transport heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij (wederom) enkel het logistieke deel voor zijn rekening heeft genomen. Verder heeft hij verklaard dat hij nooit eigenaar is geweest van drugs, ook niet van (een deel van) de drugs van dit transport.
Het hof volgt verdachtes verklaring in zoverre dat het van oordeel is dat uit de chats blijkt dat hij in ieder geval een logistieke rol heeft gehad bij het tot stand brengen van de transporten naar zowel [plaats 5] als [plaats 4] . Zo stuurde hij medeverdachte [medeverdachte 1] aan bij het maken van proefritten over de grens naar Duitsland, coördineerde hij het ophalen en wegbrengen van delen van de voorraad, stuurde hij een koerier aan voor het afleveren van cocaïne in [plaats 2] en stuurde hij een koerier aan om – als afrekening van het transport naar [plaats 4] – geld op te halen in Duitsland.
Het hof acht de vraag of verdachte zelf eigenaar is geweest van (een deel van) de drugs echter, gelet op de inhoud van de chats inzake dit transport (naar [plaats 5] ), niet relevant. Het hof stelt vast dat verdachte een grote rol heeft gehad in dit transport en dat zijn rol vergelijkbaar was met die van medeverdachte [medeverdachte 2] , ongeacht wie de eigenaar van de drugs was. Deze lezing past binnen de chatberichten die verdachte met [medeverdachte 2] heeft uitgewisseld ter voorbereiding van dit tansport. Hieruit blijkt namelijk dat de rol van verdachte groter is geweest dan enkel het zorgdragen voor de logistiek van dit transport. Zo pleegde hij op gelijkwaardig niveau overleg met medeverdachte [medeverdachte 2] en had hij hierbij beslissingsmacht. De keus werd bij verdachte gelaten of hij akkoord zou gaan met het transporteren van de drugs naar [plaats 5] via een door [medeverdachte 2] geregelde vrachtwagen, nadat de testritten waren mislukt. Verdachte gaf aan dat hij “de beslissing had gemaakt”, dat hij geen gebruik ging maken van de vrachtwagen en dat hij zelf wel iets zou regelen. Later kwam het transport tot stand zoals hierboven weergegeven.
5.3.3.3. Transport ZD-003 Spanje- [plaats 6] (feit 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 13 en 14 mei 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden vanuit [plaats 8] naar Nederland. Op 11 mei 2020 stond de vrachtwagen met drugs klaar voor vertrek en met enige dagen vertraging kwam de uit Spanje afkomstige vrachtwagen op 14 mei 2020 aan bij een loods in [plaats 6] . Deze loods was bestemd voor onder meer het lossen en verpakken van de (drugs)handel. De handel is vervolgens vervoerd naar een opslaglocatie in [plaats 2] . In totaal is er 527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj geïmporteerd.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat hij conform zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep een organiserende/logistieke rol heeft gehad bij dit transport. Verdachte coördineerde het transport binnen Nederland en onderhield contact met medeverdachten. Zo regelde hij een voor- en achterrijder voor de rit naar [plaats 2] , stuurde hij de mannen die aanwezig waren in de loods in [plaats 6] aan en gaf hij veelvuldig updates aan [medeverdachte 2] over de stand van zaken.
5.3.3.4. Transport ZD-003 [plaats 6] -Spanje (feit 3)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat er plannen zijn gemaakt om 48 kilo cocaïne te vervoeren naar Spanje. Dit zou met de Spaanse vrachtwagen gebeuren waarin de hennep en de hasjiesj naar Nederland waren vervoerd (zoals in de voorgaande sub-paragraaf weergegeven). Dit transport heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden, omdat de betreffende chauffeur niet wilde terugrijden met deze lading. De lading stond opgeslagen op de opslaglocatie van medeverdachte [medeverdachte 1] in [plaats 2] en is naar aanleiding van de mededeling van de chauffeur verplaatst naar de garage in het seniorencomplex van de moeder van [medeverdachte 1] (eveneens in [plaats 2]).
Ten aanzien van dit transport heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet kan aangeven wat zijn rol hierbij precies is geweest omdat hij zich de betreffende EncroChat-berichten niet kan herinneren, maar dat het wel zo kan zijn dat hij deze berichten heeft verstuurd. Nu het hof hierboven heeft vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam 4] ’ stelt het hof op basis van de chatberichten in het dossier vast dat verdachte met betrekking tot dit transport communicatie onderhield met onder meer medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over het al dan niet doorgaan van het transport en over de vraag waar de 48 kilo cocaïne (voorlopig) opgeslagen moest worden toen bleek dat het transport niet door zou gaan. Zo gaf [medeverdachte 2] verdachte de opdracht om de cocaïne (blokken) “niet te sturen”, waarop verdachte contact zocht met [medeverdachte 1] met de vraag of hij de cocaïne veilig kon bewaren. Verdachte informeerde [medeverdachte 2] hier vervolgens over en benadrukte dat [medeverdachte 2] een juiste beslissing moest maken over de verdere opslag van de cocaïne. [medeverdachte 2] zocht vervolgens zelf direct contact op met [medeverdachte 1] om het hier over te hebben, waarna door [medeverdachte 2] werd besloten de drugs naar de garage in het seniorencomplex van de moeder van [medeverdachte 1] te (laten) verplaatsen en (voorlopig) op te slaan.
5.3.3.5. Transport ZD-004 Spanje- [plaats 7] (feit 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 28 mei 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden vanuit Spanje ( [plaats 8] ) naar Nederland. Het treffen van voorbereidingen
voor dit transport begon op 14 mei 2020. Op 28 mei 2020 kwam de uit Spanje afkomstige vrachtwagen aan bij een loods in [plaats 7] , welke loods was bestemd voor onder meer het lossen en verpakken van de (drugs)handel. In totaal is er ongeveer 240 kilo hennep geïmporteerd. Tijdens het lossen van de vracht in [plaats 7] is door de politie een inval gedaan in de loods, waarbij de drugs in beslag zijn genomen en verschillende aanhoudingen zijn verricht.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof in lijn met verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep dat uit de chats volgt dat verdachte binnen Nederland een coördinerende/logistieke rol heeft gehad bij het tot stand brengen van het transport. [medeverdachte 2] duidt verdachte in een chat aan als “zijn jongen die alles regelt” en de chats bevestigen dit. Uit een door verdachte zelf geschreven notitie volgt dat hij voorafgaand aan de inval communiceerde met onder andere voorrijders, achterrijders en mensen in de loods. Uit die notitie volgt voorts dat verdachte zorg droeg voor de afwikkeling van het mislukte transport, door onder meer de inhoud van EncroChat-telefoons te laten wissen, een auto te laten ophalen en een advocaat voor de aangehouden verdachten te regelen. Zoals door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, deed hij dit om zichzelf in te dekken.
5.3.3.6. Transport ZD-005 Nederland- [plaats 5] 2 (feit 1)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 12 juni 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Duitsland van in totaal 3,2 kilo cocaïne. De voorbereidingen voor dit transport begonnen op 29 mei 2020. De cocaïne werd voorafgaand
aan het transport opgehaald op een opslaglocatie in [plaats 2] en werd elders in het land bewerkt. De in bolletjes verpakte cocaïne werd voorafgaand aan het transport weer naar [plaats 2] gebracht en op 12 juni 2020 werd de cocaïne vanuit [plaats 2] vervoerd naar [plaats 5] te Duitsland.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof in lijn met verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep dat uit de chats volgt dat verdachte een coördinerende/logistieke rol heeft gehad binnen dit transport. Zo stemde verdachte met [medeverdachte 2] af wanneer het transport zou plaatsvinden en had verdachte contact met de Duitse afnemer over onder meer de bestelling, de aankomsttijd en de betaling. Daarnaast stuurde verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] aan, die op zijn beurt een koerier aanstuurde. Zo vertelde hij [medeverdachte 1] wat er exact mee moest op transport, gaf hij de adresgegevens in [plaats 5] door en ontving hij van [medeverdachte 1] op de dag van het transport regelmatig updates over de stand van zaken.
Eindoordeel over het bewijs
5.3.4.1. Het onder 1 en 2 ten laste gelegde
Het hof overweegt ten aanzien van de transporten zoals ten laste gelegd onder 1 en 2 dat uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat telkens sprake is geweest van een grensoverschrijdend drugstransport en dat verdachte daar telkens als medepleger bij betrokken is geweest. Uit de omschrijving van de rollen die verdachte bij de transporten heeft gehad, volgt namelijk dat verdachte telkens een prominente en onmisbare rol heeft gehad en dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachten (en andere betrokkenen) om de transporten tot stand te brengen. Het hof acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
5.3.4.2. Het onder 3 primair ten laste gelegde
Ten aanzien van het transport zoals primair onder 3 ten laste is gelegd (sub-paragraaf 5.3.3.4), overweegt het hof dat uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat er plannen zijn gemaakt om 48 kilo cocaïne te exporteren naar Spanje, maar dat deze cocaïne blijkens de EncroChat-berichten uiteindelijk in Nederland is gebleven. Hoewel het begrip ‘buiten het grondgebied brengen’ extensief moet worden geïnterpreteerd, zodat niet enkel het daadwerkelijk over de grens brengen van drugs daaronder valt, is het hof van oordeel dat in dit geval niet kan worden gesproken van een zogenaamde ‘verlengde uitvoer van cocaïne’. Het hof overweegt hiertoe dat voor een bewezenverklaring van verlengde uitvoer nodig is dat de drugs in ieder geval zijn of worden vervoerd of voor vervoer zijn of worden aangeboden met bestemming buitenland, in dit geval Spanje. Anders dan door de advocaat-generaal betoogd, is het hof van oordeel dat uit de EncroChat-berichten en de overige inhoud van het dossier niet blijkt dat de cocaïne de loods in [plaats 6] heeft bereikt, of in ieder geval in die richting is vervoerd, en (vervolgens) aan de chauffeur(s) is aangeboden voor vervoer naar Spanje. Het hof maakt uit de EncroChat-berichten op dat de cocaïne (in ieder geval) vanaf 10 mei 2020 stond opgeslagen in de opslaglocatie van [medeverdachte 1] in [plaats 2] en daar eerst op 14 mei 2020 (weliswaar inmiddels in de Smart gestopt) ook nog stond toen duidelijk werd dat de cocaïne niet zou worden geëxporteerd in verband met de afhakende chauffeur. Uit de chats volgt voorts dat [medeverdachte 1] de cocaïne uiteindelijk, na contact met verdachte en [medeverdachte 2] , in de Smart heeft vervoerd naar de garage van de seniorenflat van zijn moeder in [plaats 2] om deze daar op te slaan. Nu de cocaïne eerst nog stond opgeslagen in de opslaglocatie van [medeverdachte 1] in [plaats 2] en vervolgens voor een veiliger opslag naar de garage van het seniorencomplex (ook in [plaats 2] ) is verplaatst, kan naar het oordeel van het hof niet worden gesteld dat de cocaïne werd vervoerd - of dat voorvervoer werd aangeboden - met bestemming buitenland. Het gegeven dat uit de chats blijkt dat verdachte en medeverdachten wel van plan waren de drugs naar het buitenland te vervoeren, dat in beginsel daartoe de drugs door [medeverdachte 1] in de Smart zijn gedaan en dat er al chauffeurs (die naar Spanje zouden rijden) waren benaderd voor het uitvoeren van de drugs, maakt het oordeel van het hof niet anders.
Anders dan door de rechtbank beslist en in lijn met het meer subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde is het hof echter van oordeel dat dit niet betekent dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit (primaire) feit. Uit de tenlastelegging blijkt namelijk dat onder 3 primair (onder andere) het vervoeren van de drugs ten laste is gelegd. Uit de hiervoor besproken EncroChat-berichten volgt dat de drugs vanaf de opslaglocatie van [medeverdachte 1] in [plaats 2] naar de garage van het seniorencomplex van zijn moeder in [plaats 2] zijn vervoerd. Uit de berichten blijkt namelijk dat [medeverdachte 2] zich zorgen maakte omdat er een te grote voorraad met drugs in de opslaglocatie bij [medeverdachte 1] opgeslagen zou zijn als de 48 kilo cocaïne daar bleef. Hierdoor heeft hij hierover eerst met verdachte overleg gehad. Verdachte heeft hierop contact gezocht met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] stelde aan hem voor om de drugs in de garage van het seniorencomplex van zijn moeder op te slaan. Verdachte vertelde [medeverdachte 2] over dit voorstel van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] zocht vervolgens zelf contact op met [medeverdachte 1] en ook zij overlegden over het verplaatsen van de drugs naar de garage van het seniorencomplex. Uiteindelijk besloot [medeverdachte 2] de drugs daar naartoe te laten verplaatsen door [medeverdachte 1] .
Gelet op het onderlinge overleg en de bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten over het verplaatsen van de drugs naar een ‘veilige’ plek, is het hof van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden voor zover inhoudende het medeplegen van het vervoeren van de 48 kilo cocaïne.
6. Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. hij op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland, Noorwegen en Duitsland meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten
op verschillende tijdstippen in de periode van 2 tot en met 11 april 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland en Noorwegen, een hoeveelheid van in totaal
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 20 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , elders in Nederland, [plaats 5] en [plaats 4] , een hoeveelheid van in totaal (ongeveer)
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 29 mei tot en met 12 juni 2020 te [plaats 2] , elders in Nederland en [plaats 5] , een hoeveelheid van in totaal
3,2 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. hij op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 28 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 6] , [plaats 7] , elders in Nederland, Noorwegen, Duitsland en Spanje meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, te weten
op verschillende tijdstippen in de periode van 2 tot en met 11 april 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland, en Noorwegen, een hoeveelheid van in totaal
15,5 kilogram hasjiesj, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 20 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , elders in Nederland, en [plaats 5] , een hoeveelheid van in totaal
1,45 kilogram hennep, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 11 tot en met 14 mei 2020 te [plaats 2] , [plaats 6] en [plaats 8] , een hoeveelheid van in totaal
527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 14 tot en met 28 mei 2020 te [plaats 7] en [plaats 8] , een hoeveelheid van in totaal ongeveer
240 kilogram hennep, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.primair hij in de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een hoeveelheid van in totaal
48 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op
- onder 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- onder 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd;
- onder 3 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
8. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
9. Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich met betrekking tot de straf op het standpunt gesteld dat passend is de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 4 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bij zijn vordering heeft de advocaat-generaal meegewogen de aard en de ernst van het handelen, de rol die verdachte heeft gespeeld bij het tot stand brengen van de verschillende drugstransporten, de gewijzigde proceshouding van verdachte en de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat een passende afdoening van de zaak zou zijn de oplegging van een hoge taakstraf in combinatie met een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel van maximaal 6 maanden met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren of meer voor het voorwaardelijke deel. Hiertoe heeft zij allereerst aangevoerd dat er bij de strafoplegging meer dan in eerste aanleg rekening moet worden gehouden met de kleinere rol die verdachte heeft gespeeld bij het tot stand brengen van de drugstransporten ten opzichte van medeverdachte [medeverdachte 2] . Verder geldt ook dat de rol van verdachte niet veel groter of belangrijker is geweest dan de rol die medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gespeeld. Sterker nog, de raadsvrouw bepleit dat de rol van medeverdachte [medeverdachte 1] , een stasher, belangrijker is geweest dan verdachtes rol. Het draait bij de drugshandel immers allemaal om de handelsvoorraad en het veiligstellen daarvan. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ook sprake is van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep, hetgeen tot een strafvermindering van 10% dient te leiden. Ook is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing. De raadsvrouw wijst er verder op dat ook in strafmatigende zin rekening gehouden moet worden met de gewijzigde proceshouding van verdachte in hoger beroep en zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen. Ook heeft hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis laten zien dat hij niet recidiveert. Hij heeft een baan, een eigen woning en geen schulden. Bovendien heeft verdachte al jarenlang gewacht op de afdoening van zijn zaak. Dit heeft zwaar op hem gedrukt. Hij is zich steeds bewust geweest van de straf die hem boven het hoofd hangt.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.
Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van nog geen drie maanden schuldig gemaakt aan het meermalen medeplegen van het in- en uitvoeren van aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs en aan het medeplegen van het vervoeren van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Verdachte heeft hierbij op zeer professionele wijze gehandeld binnen een omvangrijk internationaal samenwerkingsverband. Verdachte fungeerde hierbij als handlanger van medeverdachte [medeverdachte 2] , en had daarbij een sterk organiserende rol. Verdachte vervulde een coördinerende rol en zorgde met name voor het logistieke deel van de drugstransporten. Zo zorgde hij ervoor dat de verdovende middelen via verschillende transporten binnen Nederland werden samengebracht en dat overdrachten van drugs volgens afspraak en soepel verliepen. Hiertoe hield hij een nauwkeurige administratie bij. Ook regelde verdachte chauffeurs en stuurde hij anderen, zoals medeverdachte [medeverdachte 1] , aan. Hoewel het er alle schijn van heeft dat de drugs uiteindelijk [medeverdachte 2] en niet verdachte zelf toebehoorden, was verdachtes rol cruciaal voor het tot stand komen van de verschillende drugstransporten en communiceerde hij doorgaans op gelijkwaardige voet met [medeverdachte 2] . Verdachte had alle touwtjes in handen, wist zowel afnemers als leveranciers te vinden alsmede mensen die bereid waren de drugs te bewaren (stashen), te vervoeren en dat vervoer te begeleiden. Hij coördineerde de transporten van begin tot eind. Hij hield de administratie bij en regelde dat de drugs betaald werden. Zo was verdachte betrokken bij de gehele keten, zonder zelf zijn handen vuil te maken en daardoor de pakkans voor zichzelf te verkleinen. De communicatie tussen verdachte en medeverdachten (of betrokkenen bij de organisatie) verliep dan ook via een cryptotelefoon. Hiermee probeerde verdachte buiten het zicht van justitie te blijven.
Door aldus te handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de internationale drugshandel en kan hij medeverantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die worden veroorzaakt door de handel in en het gebruik van verdovende middelen. De harddrugs die mede door verdachte zijn uitgevoerd werken sterk verslavend en zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De handel en het gebruik van deze verdovende middelen brengen bovendien vele vormen van (zware) criminaliteit met zich mee. Ook de softdrugs die mede door verdachte zijn in- en uitgevoerd zijn stoffen die kunnen leiden tot schade aan de gezondheid bij langdurig gebruik. Dat is dan ook de reden dat de verstrekking van softdrugs in Nederland aan banden is gelegd. Dit restrictieve beleid wordt doorkruist door de handelswijze van verdachte. Verdachte heeft enkel vanuit financiële motieven gehandeld en heeft zich niet om de schadelijke gevolgen van zijn handelen bekommerd. Dit alles weegt het hof in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte een andere proceshouding aangenomen. Hoewel verdachte hiermee niet helemaal openheid van zaken heeft gegeven, heeft hij wel zijn betrokkenheid bij de drugstransporten erkend en is hij als enige van de in onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ aangehouden verdachten op de zitting het gesprek over zijn handelen aangegaan. Dit weegt het hof in strafmatigende zin mee bij de strafoplegging.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 9 maart 2026. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een soortgelijk feit.
Het hof heeft verder acht geslagen op de reclasseringsadviezen die met betrekking tot verdachte zijn opgemaakt door Reclassering Nederland en waarvan de meest recente van 21 november 2022 is.
Het hof heeft ook meegewogen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij door zijn broer en de rest van zijn familie wordt gesteund. Ook werkt hij in de twee bedrijven van zijn broer en heeft hij een eigen woning. Verdachte geeft aan dat hij gemotiveerd is om de goede ontwikkelingen in zijn leven voort te zetten en om een volwaardig lid te worden van de maatschappij, ook als hem een gevangenisstraf zal worden opgelegd. Hij wil niet meer in aanraking komen met justitie en wil het goede voorbeeld geven aan zijn dochtertje waarvoor hij samen met zijn ex-vriendin de zorg draagt.
Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, ziet het hof in het hiervoor overwogene, met name in de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de professionele en grootschalige wijze waarop hij samen met de medeverdachten te werk is gegaan, geen aanleiding voor het opleggen van een andere straf dan een langdurige gevangenisstraf. In het verschil tussen de rollen die verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] bij het tot stand brengen van de transporten hebben gespeeld, verdachtes (veranderde) proceshouding in hoger beroep en zijn persoonlijke omstandigheden, ziet het hof wel aanleiding om de hoogte van deze gevangenisstraf te matigen ten opzichte van de straf die door de rechtbank is opgelegd en ten opzichte van de straf die het hof aan [medeverdachte 2] oplegt. Het hof acht daarom in beginsel passend de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden in hoger beroep. Verdachte heeft namelijk blijkens de akte tot het instellen van het hoger beroep op 21 september 2023 hoger beroep ingesteld. Het arrest is op 29 mei 2026 uitgesproken. Tussen deze twee data is een tijd verstreken van 2 jaren en afgerond 8 maanden. De termijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval twee jaren. De termijn is dus overschreden met afgerond 8 maanden. Deze overschrijding dient naar het oordeel van het hof te leiden tot een vermindering van voornoemde gevangenisstraf met 5 maanden.
Gelet op het hiervoor overwogen acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 49 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
10. Beslag
Verbeurdverklaren
Het hof acht de in beslag genomen iPhone en de Samsung SSD-schijf T7 vatbaar voor verbeurdverklaring. De iPhone betreft namelijk een voorwerp met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid en waarvan niet is kunnen worden vastgesteld aan wie deze toebehoort. De SSD-schijf betreft een voorwerp met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid en deze behoort toe aan verdachte. Bij de beslissing tot verbeurdverklaring van deze voorwerpen heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.
Teruggave aan verdachte
Ten aanzien van de overige voorwerpen waarop klassiek (en geen conservatoir) beslag rust is het hof van oordeel dat deze voorwerpen moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.
11. Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
12. BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 49 (negenenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 mei 2026.