Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002535-25
Uitspraakdatum: 29 mei 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 23 mei 2025 met parketnummer 18-152211-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
1. Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing van de rechtbank.
2. Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 7 en 9 april 2026 en wat op de zittingen van de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van dat wat door de advocaat-generaal en door betrokkene, zijn raadsvrouw, mr. A. Çimen, en zijn raadsman, mr. M.Q. Zaat, is aangevoerd.
3. De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft bij bovengenoemde beslissing het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op € 583.028,00. De rechtbank heeft de verplichting aan betrokkene tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op datzelfde bedrag (€ 583.028,00) en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd ten hoogste 1080 dagen is. Voor het overige heeft de rechtbank de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie afgewezen.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Dit omdat het hof tot een (iets) andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, een andere verdeling tussen de betrokkenen bij transport 5 en daarmee een andere betalingsverplichting aan de Staat komt. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank het wederrechtelijk voordeel grotendeels op de juiste wijze heeft berekend en geschat. Het hof zal daarom grote delen van de berekening van de rechtbank, met enige aanpassingen, overnemen.
4. Vordering en standpunt van de advocaat-generaal
Vordering in eerste aanleg
De officieren van justitie hebben in eerste aanleg schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 757.865,00 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 757.865,00). Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben de officieren van justitie het aanvankelijk gevorderde bedrag ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangepast naar € 729.389,00. Verder hebben zij gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 729.389,00).
Vordering in hoger beroep en standpunt van de advocaat-generaal
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 728.794,00 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 728.794,00).
Ten aanzien van voornoemde vordering heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank gevolgd dient te worden voor zover het gaat om de berekening en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van transporten 1, 2, 4 en 6 en de door de rechtbank gehanteerde verdeelsleutel tussen de betrokkenen.
Ten aanzien van transport 5 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat betrokkene (samen met de andere betrokkenen) de hoeveelheid cocaïne (na het mislukte transport zoals in de aan deze zaak ten grondslag liggende strafzaak onder 3 primair bewezen is verklaard) alsnog heeft verkocht. Dit levert dan ook voordeel op uit een ander strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit voordeel dient volgens de advocaat-generaal meegenomen te worden in de berekening, omdat het aannemelijk is dat ook deze drugs (later) is verkocht, nu het altijd de bedoeling was om deze drugs te verkopen, de handel niet incidenteel was en deze partij cocaïne later tijdens de doorzoeking ook niet meer teruggevonden is op de stashlocatie. Ten aanzien van betrokkene dient het voordeel vastgesteld te worden op een bedrag van € 145.766,00 (40% van het totaalbedrag van € 364.415,00). Het bedrag waarop de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene heeft geschat (€ 583.028,00) dient dan ook vermeerderd te worden met dit bedrag. Dit leidt tot een totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene van € 728.794,00.
5. Standpunt van de verdediging
Primair standpunt ten aanzien van transporten 1 tot en met 6
Primair heeft de raadsman zich namens betrokkene op het standpunt gesteld dat het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene geschat dient te worden op een bedrag van € 3.000,00. Betrokkene heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden € 500,00 kreeg per transport. Wat de verdediging betreft is dit niet een in het oog springend laag of onwaarschijnlijk bedrag. Het bedrag staat in verhouding tot de hoeveelheid werk die betrokkene heeft verricht (volgens de verklaring van betrokkene op de zitting in hoger beroep ongeveer een uur per dag) en de uitsluitend faciliterende rol die betrokkene heeft gehad bij de transporten. Bovendien is deze verklaring van betrokkene aannemelijk en betrouwbaar. Zo blijkt uit het dossier niet dat betrokkene er een opzichtige ‘criminele leefstijl’ op na heeft gehouden, hetgeen passend was geweest bij iemand die ruim € 700.000,00 zou hebben verdiend met strafbare feiten. Een en ander leidt ertoe dat betrokkenes verklaring gevolgd dient te worden. Hiervan uitgaande dient het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens het primaire standpunt van de raadsman als volgt berekend te worden: 6 (transporten) x € 500,00 (verdiensten voor betrokkene per transport) = € 3.000,00. De betalingsverplichting aan de Staat dient gelijk te worden gesteld aan dat bedrag.
Subsidiair standpunt ten aanzien van transporten 1 tot en met 6
Subsidiair heeft de raadsman zich namens betrokkene op het standpunt gesteld dat het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene geschat dient te worden op een bedrag van € 16.500,00. Uit het dossier volgt namelijk dat betrokkene in totaal 33 im- en exportritten heeft geadministreerd. Uitgaande van de verklaring van betrokkene dat hij per transport € 500,00 ontving, levert dit een wederrechtelijk verkregen voordeel op van € 16.500,00. De betalingsverplichting aan de Staat dient gelijk te worden gesteld aan dat bedrag.
Meer subsidiair standpunt ten aanzien van transporten 1 tot en met 6
Meer subsidiair heeft de raadsman zich namens betrokkene op het standpunt gesteld dat het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene geschat dient te worden op een bedrag van € 31.000,00. Dit voor zover het hof tot de conclusie komt dat uit het dossier volgt dat betrokkene ook voordeel heeft genoten buiten de ten laste gelegde periode om. In dat geval dient uitgegaan te worden van de 62 ritten/transporten zoals deze blijken uit de administratie die betrokkene naar de EncroChat-gebruiker met de naam ‘ [naam 1] ’ heeft gezonden. Uitgaande van € 500,00 per transport zou dit een wederrechtelijk verkregen voordeel opleveren van € 31.000,00. De betalingsverplichting aan de Staat dient gelijk te worden gesteld aan dat bedrag.
Meest subsidiair standpunt ten aanzien van transporten 1 tot en met 6
Voor zover het hof de verklaring van betrokkene dat hij per georganiseerd(e) rit/transport € 500,00 verdiende als ongeloofwaardig terzijde schuift, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het (totale) wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene dient te worden geschat op € 376.578,48 en dat de betalingsverplichting aan de Staat gelijk dient te worden gesteld aan dat bedrag. Hiertoe heeft de raadsman het navolgende aangevoerd.
Verdeelsleutel transporten 1, 2 en 4
In het algemeen heeft de raadsman ten aanzien van de verdeelsleutel van transporten 1, 2 en 4 aangevoerd dat bij deze transporten meer personen meegenomen dienen te worden in de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan in het ontnemingsdossier is gedaan. Per transport waren namelijk betrokken
bij transport 1: 5 personen in plaats van 4 doordat [medebetrokkene 1] meegenomen dient te worden in de verdeling (als stasher);
bij transport 2: 5 personen in plaats van 4 doordat [medebetrokkene 2] meegenomen dient te worden in de verdeling;
bij transport 4: 5 personen in plaats van 3 doordat [medebetrokkene 1] (als stasher) en [medebetrokkene 3] (als organisator) meegenomen dienen te worden in de verdeling.
5.4.1.1. Verdeelsleutel en berekening transport 1
Ten aanzien van transport 1 geldt vervolgens dat uitgegaan dient te worden van een verdeling van 20% voor elk van de stashers ( [medebetrokkene 5] en [medebetrokkene 1] ). De overige 60% dient gelijk te worden verdeeld over de overige betrokkenen ( [medebetrokkene 4] , [medebetrokkene 3] en betrokkene). Een verdeling van elk 20% is hier op zijn plaats. Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene dient dan voor transport 1 te worden begroot op 20% van € 734.268,24 (het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit transport) = € 146.853,64.
5.4.1.2. Verdeelsleutel en berekening transport 2
Ten aanzien van transport 2 geldt dat uitgegaan dient te worden van een pondspondsgewijze verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de 5 betrokken personen. Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van 20% van het totale voordeel van dit transport.
Voor de berekening van dit totale voordeel geldt dat uit het ontnemingsdossier blijkt dat een verkoopprijs is afgesproken van € 35.000,00 per kilogram cocaïne. Dit levert voor 2 kilogram cocaïne een totaalbedrag op van € 70.000,00. In het ontnemingsdossier wordt echter ten onrechte gesteld dat 2 kilogram cocaïne is verkocht voor € 80.000,00. De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van dit transport met € 10.000,00 verminderd moet worden. Dit levert een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel op van € 26.169,00 (€ 36.169,00 - € 10.000,00). Wanneer dit bedrag pondspondsgewijs over 5 personen wordt verdeeld, levert dit voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van € 5.233,80 (20% van € 26.169,00).
5.4.1.3. Verdeelsleutel en berekening transport 4
Ten aanzien van transport 4 geldt eveneens dat uitgegaan dient te worden van een verdeling van het voordeel over 5 personen. Naast betrokkene, [medebetrokkene 4] (organisator/eigenaar van de durgs) en [medebetrokkene 5] (stasher) zijn [medebetrokkene 1] (stasher) en [medebetrokkene 3] (organisator) betrokken geweest bij het tot stand brengen van dit transport. Een verdeling naar rato zou dan zijn om 15% van het voordeel aan elk van de stashers toe te rekenen en aan elk van de overige betrokkenen (waaronder betrokkene) (afgerond) 23% toe te rekenen. Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van € 224.491,04 (23% van € 976.048,00).
5.4.1.4. Berekening transporten 5 en 6
De raadsman heeft zich ten aanzien van transporten 5 en 6 op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering op dit punt, in lijn met de beslissing van de rechtbank, afgewezen dient te worden nu niet vastgesteld kan worden dat betrokkene enig voordeel heeft genoten ten gevolge van deze (of andere) transporten.
6. Oordeel van het hof
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak bij arrest van dit hof van 29 mei 2026 veroordeeld voor, kort gezegd,
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 1);
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd (feit 2);
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 3 primair).
Bewijsmiddelen
Uit vorenbedoeld arrest van het hof en de daarin in de noten genoemde bewijsmiddelen en bij de behandeling van de ontnemingsvordering op de zitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen wederrechtelijk financieel voordeel heeft genoten. Om tot een schatting van dit financiële voordeel te komen, heeft het hof (naast voornoemd arrest en de bewijsmiddelen daarin) als uitgangspunt genomen de berekeningen die zijn opgenomen in de rapporten wederechtelijk verkregen voordeel per delict (met bijlagen) (hierna: de rapporten). Het hof acht de in deze rapporten gebruikte berekeningswijze in beginsel betrouwbaar.
Primair, subsidiair en meer subsidiair standpunt van de verdediging
Het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van de verdediging is gebaseerd op de verklaring van betrokkene dat hij per georganiseerd tansport € 500,00 heeft verdiend. Het hof acht deze verklaring echter, gelet op de inhoud van het dossier, de onmisbare rol die betrokkene heeft gehad bij het organiseren van transporten 1, 2 en 4 (die, anders dan door de raadsman is betoogd, meer inhield dan ‘slechts’ een faciliterende rol), de waarde van de goederen die werden getransporteerd, en de verhouding tussen de door betrokkene gestelde verdiensten en de totale opbrengsten van deze transporten, onaannemelijk en ongeloofwaardig. In dit kader acht het hof mede van belang dat uit het dossier, anders dan door de raadsman is betoogd, blijkt dat betrokkene in de ten laste gelegde periode de beschikking heeft gehad over grote geldbedragen en dure voorwerpen. Zo blijkt uit een chatbericht dat betrokkene naar [medebetrokkene 4] heeft verzonden dat hij op 14 mei 2020 om 13.39 uur “nu 250 tot 3 ton (heeft) liggen” (het hof begrijpt tussen de € 250.000,00 tot € 300.000,00). Op diezelfde dag bericht hij [medebetrokkene 4] om 14.51 uur “ik heb hier 280k broer” (het hof begrijpt: € 280.000,00). Verder zijn bij betrokkene (dure) sierraden aangetroffen en in beslag genomen, waaronder een horloge van het merk Rolex, dat sterk lijkt op het Rolex-horloge dat betrokkene zelf droeg. Dat betrokkene die Rolex enkel onder zich had omdat hij deze voor een vriend zou verkopen, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig, nu betrokkene het horloge ook zelf droeg, hij dit horloge kennelijk gedurende langere tijd onder zich had (de foto’s waarop te zien is dat betrokkene het horloge droeg zijn in december 2020 gemaakt, het horloge is onder hem in beslaggenomen in juni 2022) en geen enkele concrete informatie heeft verstrekt over de persoon voor wie hij de Rolex zou moeten verkopen en op welke wijze hij daarmee bezig was.
Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof de verklaring van betrokkene dat hij € 500,00 per transport heeft verdiend als ongeloofwaardig en onaannemelijk terzijde schuiven. Hierdoor wordt de verdediging niet gevolgd in het primaire, subsidiaire of meer subsidiaire standpunt.
Verdeelsleutel
6.1.2.1. Transporten 1 (Nederland-Noorwegen) en 2 (Nederland- - [plaats 3] 1)
Voor wat betreft transporten 1 en 2 geldt dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt hoe het behaalde voordeel onder de betrokkene en zijn mededaders is verdeeld. Betrokkene heeft hier zelf geen inzicht in gegeven en er zijn geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een andere verdeelsleutel dan die op basis van een gelijke verdeling. Het hof zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel bij deze transporten pondspondsgewijs toerekenen. Overigens is tegen een dergelijke verdeling ten aanzien van voornoemde transporten in hoger beroep geen bezwaar gemaakt door de raadsman. Wel heeft hij (meest subsidiair) aangevoerd dat bij deze transporten 5 personen meegenomen moeten worden in de verdeling in plaats van 4. Dit omdat uit het dossier zou blijken dat ook [medebetrokkene 1] , bij transport 1, en [medebetrokkene 2] , bij transport 2, betrokken zijn geweest.
Hoewel uit het dossier weliswaar blijkt dat er meerdere personen betrokken zijn geweest bij de transporten (bijvoorbeeld als rijder), biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt dat [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] (buiten de eventuele verdiensten voor hun werkzaamheden om en die al in de berekening van het voordeel hieronder bij de kostenposten zijn meegenomen) hebben meegedeeld in het door middel van transporten 1 en 2 verkregen voordeel. De enkele omstandigheden dat [medebetrokkene 1] bij transport 1 als rijder werkzaam is geweest en een deel van de drugs in ontvangst heeft genomen op een stashlocatie in [plaats 1] en dat [medebetrokkene 2] bij transport 2 in samenspraak met anderen (waaronder [medebetrokkene 4] ) de cocaïne heeft geregeld die op transport ging en heeft geregeld dat de amfetamine werd opgehaald in [plaats 1] maken dit niet anders. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om bij de verdeelsleutel van deze transporten uit te gaan van meer personen die voordeel zouden hebben genoten dan waarvan in de rapporten wordt uitgegaan.
6.1.2.2. Transport 4 ( [plaats 5] – [plaats 2] )
Ten aanzien van transport 4 heeft de raadsman aangevoerd dat bij dit transport 5 personen meegenomen moeten worden in de verdeling in plaats van 3, omdat uit het dossier zou blijken dat ook [medebetrokkene 1] (als stasher) en [medebetrokkene 3] (als organisator) bij dit transport betrokken zijn geweest. In lijn met hetgeen hierboven ten aanzien van transporten 1 en 2 is overwogen, is het hof van oordeel dat ook hier geldt dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat [medebetrokkene 1] en/of [medebetrokkene 3] (of een ander) hebben meegedeeld in het voordeel dat genoten is met het transport. Het hof ziet daarom ook hier geen aanleiding om bij de verdeelsleutel uit te gaan van meer personen die voordeel zouden hebben genoten dan waarvan in de rapporten wordt uitgegaan (te weten betrokkene en zijn twee mededaders).
Anders dan bij transporten 1 en 2 geldt voor transport 4 verder dat er uit de berichten die de betrokkene en zijn mededaders naar elkaar stuurden concrete aanwijzingen volgen om een afwijkende verdeelsleutel aan te nemen dan die van een gelijke verdeling. Het hof heeft in de aan deze ontnemingszaak onderliggende strafzaak over de rolverdeling van betrokkene en zijn mededaders bij transport 4 onder meer overwogen dat [medebetrokkene 4] eigenaar was van het overgrote deel van de drugs en (mede daardoor) een sterk initiërende en organiserende rol had bij het tot stand brengen van het betreffende transport. Zo was hij ook degene die het contact onderhield met de Spaanse leverancier. Betrokkene heeft bij dit transport vooral een organiserende/logistieke rol gehad, waarbij hij veel overlegde met [medebetrokkene 4] . Ook legde betrokkene verantwoording af aan [medebetrokkene 4] door hem steeds op de hoogte te houden van wat hij deed en van de overige gang van zaken. Ook [medebetrokkene 5] legde bij dit transport verantwoording af aan [medebetrokkene 4] en zorgde er verder voor dat alle drugs werden gelost op zijn opslaglocatie te [plaats 4] en daar ook werden opgeslagen. Bij dit transport maakte [medebetrokkene 5] ook gebruik van eigen (achter)rijders die hij zelf aanstuurde.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medebetrokkene 4] een grotere rol heeft gespeeld bij het bewerkstelligen van transport 4 dan betrokkene (en [medebetrokkene 5] ). [medebetrokkene 4] was immers eigenaar van het overgrote deel van de drugs, onderhield het contact met de Spaanse leverancier en aan hem legden betrokkene en [medebetrokkene 5] verantwoording af. Daarom ligt het voor de hand dat hij het grootste deel van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Verder leidt het hof uit het voorgaande af dat betrokkene en [medebetrokkene 5] elk een even grote, of even belangrijke, rol hebben vervuld bij onderhavig transport. Daarom ligt het voor de hand dat zij een even groot deel van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten. Het hof is daarom van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van transport 4 voor 40% aan [medebetrokkene 4] , voor 30% aan betrokkene en voor 30% aan [medebetrokkene 5] dient te worden toegerekend.
6.1.2.3. Transporten 5 ( [plaats 2] – Spanje) en 6 (Nederland – [plaats 3] 2)
De verdeelsleutel voor transporten 5 en 6 behoeft geen bespreking, omdat het hof de vordering voor wat betreft die transporten (gelet op dat wat hieronder is overwogen) zal afwijzen.
Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 1
Ten aanzien van transport 1 is bewezenverklaard de uitvoer van:
8 kilogram cocaïne;
40.000 XTC-pillen;
30 kilogram MDMA;
60 kilogram amfetamine;
2 kilogram methamfetamine;
15,5 kilogram hasjiesj.
De opbrengsten per hoeveelheid drugs zijn als volgt:
8 kilogram cocaïne € 196.048,40
40.000 XTC-pillen € 38.566,52
30 kilogram MDMA € 203.850,00
60 kilogram amfetamine € 101.770,38
2 kilogram methamfetamine € 94.121,77
15,5 kilogram hasjiesj € 102.986,65
Dit levert een totale opbrengst op van € 737.343,72.
Uit het rapport wederechtelijk verkregen voordeel met nummer JM1320 volgt dat de kosten € 1.725,00 bedragen.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 1 is dus € 737.343,72 - € 1.725,00 = € 735.618,72.
Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.1.2.1 wordt bij dit transport een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over vier personen (waaronder betrokkene). Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van 25% van € 735.618,72, te weten € 183.904,68.
Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 2
Ten aanzien van transport 2 is bewezenverklaard de uitvoer van:
ongeveer 4 kilogram cocaïne;
6 liter amfetamine-olie;
1,45 kilogram hennep.
De opbrengsten, uitgaande van bovengenoemde bewezenverklaarde hoeveelheden, zijn als volgt:
- ongeveer 4 kilogram cocaïne € 139.650,00
6 liter amfetamine-olie € 7.650,00
1,45 kilogram hennep € 12.850,00
Totaal: € 160.150,00
De (inkoop)kosten, uitgaande van bovengenoemde bewezenverklaarde hoeveelheden, zijn als volgt:
4 kilogram cocaïne € 111.400,00
6 liter amfetamine-olie € 4.620,00
1,45 kilogram hennep € 5.655,00
kosten chauffeur € 2.306,00
Totaal: € 123.981,00
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 2 is dus € 160.150,00 - € 123.981,00 = € 36.169,00.
Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.1.2.1 wordt bij dit transport een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over vier personen (waaronder betrokkene). Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van 25% van € 36.169,00, te weten € 9.042,25.
Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 4
Ten aanzien van transport 4 is bewezenverklaard de invoer van 527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj. Uit de EncroChat-berichten is gebleken dat 127 kilogram hennep van een ander was dan betrokkene of [medebetrokkene 4] en [medebetrokkene 5] , daarom wordt voor de nettowinst gerekend met 400 kilogram hennep.
Berekening nettowinst 527 kilogram hennep:
verkoop hennep: € 2.055.300,00
inkoop hennep: € 921.723,00 -
overige kosten: € 7.851,79 -
Nettowinst: € 1.125.725,21
De nettowinst voor 400 kilogram hennep is € 1.125.725,21 / 527 x 400 = € 854.440,38 (afgerond).
Berekening nettowinst 108 kilogram hasjiesj:
verkoop hasjiesj € 310.500,00
inkoop hasjiesj € 188.892,00 -
Nettowinst: € 121.608,00
Uit het rapport volgt dat de kosten voor de loods, de huur van de bus, de verhuisdozen en de chauffeur in totaal € 7.851,79 zijn. Het hof gaat ervan uit dat dit de kosten betreffen van zowel de hennep als de hasjiesj. Op pagina 22 van het rapport met nummer JM1321 staat weliswaar dat de kosten voor de hasjiesj € 2.497,20 betreffen, maar uit de berekening zoals opgenomen op pagina 21 van datzelfde rapport blijkt dat dat de kosten voor transport 5 zijn. Nu de juiste kosten al zijn meegenomen in de berekening van de nettowinst van de hennep, laat het hof deze kosten voor de hasjiesj buiten beschouwing.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 4 is dus € 854.440,38 + € 121.608,00 = € 976.048,38.
Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.1.2.2 zal het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel bij dit transport voor 30% aan betrokkene toerekenen. Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van (afgerond) € 292.814,51.
Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 5
Uit het onderliggende arrest van het hof in de strafzaak blijkt dat het transport van 48 kilogram cocaïne van [plaats 2] naar Spanje niet door is gegaan. Betrokkene is vrijgesproken van het medeplegen van de (verlengde) uitvoer van 48 kilogram cocaïne en veroordeeld voor het medeplegen van het vervoeren van de drugs.
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan ook wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten worden ontnomen als voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Buiten redelijke twijfel moet vaststaan dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd.
Het hof is, in tegenstelling tot het standpunt van de advocaat-generaal, van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt niet wat er met de cocaïne is gebeurd. Het is onduidelijk of er een transport heeft plaatsgevonden, wie bij de totstandkoming daarvan betrokken zijn geweest en wie daar dan eventueel voordeel uit zou hebben genoten. Het hof zal de ontnemingsvordering daarom afwijzen voor zover die ziet op transport 5.
Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 6
Transport 6 behoeft geen nadere bespreking nu de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de ontnemingsvordering ten aanzien van dit transport in lijn met de beslissing van de rechtbank wordt afgewezen. Het hof ziet geen reden daarvan af te wijken.
Conclusie wederrechtelijk verkregen voordeel
Al het voorgaande leidt tot de volgende berekening van het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene:
transport 1: € 183.904,68
transport 2: € 9.042,25
transport 4: € 292.814,51
Totaal: € 485.761,44
Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op een bedrag van € 485.761,44.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof gaat er op grond van wat op de zitting in hoger beroep naar voren is gebracht over de persoonlijke omstandigheden en draagkracht van betrokkene vanuit dat hij in staat zal zijn om (in de toekomst) aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Het hof ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen. Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op hetzelfde bedrag als waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, te weten € 485.761,44.
7. Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e Sr, welk voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van onderhavige procedure.
8. BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 485.761,44 (vierhonderdvijfentachtigduizend zevenhonderdeenenzestig euro en vierenveertig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 485.761,44 (vierhonderdvijfentachtigduizend zevenhonderdeenenzestig euro en vierenveertig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 mei 2026.