Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van
6 mei 2025 met parketnummer 05-281287-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.D. Polat, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte voor overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van
€ 7.050,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de vordering voor het overige afgewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en tot een andere strafoplegging dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1. primair hij op of omstreeks 1 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet als bestuurder van een personenauto meermalen, althans eenmaal, op de rijdende personenauto van die [benadeelde] is ingereden en/of meermalen, althans eenmaal, tegen de rijdende personenauto van die [benadeelde] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair hij op of omstreeks 1 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto met het kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de weg, [locatie] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- op de [locatie] zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen, toen het voor hem rijdende voertuig, door noodzaak in het verkeer, (sterk) snelheid minderde, tengevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen het door hem bestuurde voertuig en het voor hem rijdende voertuig toebehorende aan [benadeelde] , en/of
- niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, en/of meermaals (bewust) in de richting van de (naast hem rijdende) personenauto met het kenteken [kenteken 2] toebehorend aan [benadeelde] heeft gestuurd, tengevolge waarvan meermaals een aanrijding is ontstaan tussen het door hem bestuurde voertuig en het naast hem rijdende voertuig toebehorende aan [benadeelde] , en/of
- één of meerdere snelle en abrupte stuurbewegingen te maken en/of te slingeren op de weg, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
1. meer subsidiair hij op of omstreeks 1 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (kenteken:
[kenteken 2] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2. hij op of omstreeks 1 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] openlijk, te weten, op de autosnelweg [locatie] ter hoogte van hectometerpaal [nummer] in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [benadeelde] door:
- die [benadeelde] (met kracht) bij de nek vast te klemmen en/of te pakken, en/of
- die [benadeelde] (met kracht) in de richting van de grond te brengen, en/of
- die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan en/of te stompen, en/of
- die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Standpunten van partijen inzake het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair tenlastegelegde poging zware mishandeling. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde feit, omdat er geen sprake is van het in vereniging plegen van geweld. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er is geslagen en/of geschopt, noch dat medeverdachte [medeverdachte] daaraan enige significante bijdrage heeft geleverd. Het enkele beheerst naar de grond brengen van aangever door verdachte is bovendien onvoldoende voor een veroordeling voor openlijk geweld.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Uit het dossier volgt dat aangever op 1 november 2022 letsel heeft opgelopen tijdens een vechtpartij op de vluchtstrook van de snelweg [locatie] . Deze vechtpartij was een uitvloeisel van een eerder verkeersincident op die [locatie] , waarbij er meerdere keren tegen de auto van aangever is aangereden.
Voor het bewijs van openlijk geweld tegen aangever, moet uit bewijsmiddelen volgen dat verdachte “in vereniging” geweld heeft gepleegd. Het hof zal daarom moeten beoordelen of niet alleen verdachte, maar ook medeverdachte, een bijdrage aan het geweld heeft geleverd en of deze bijdrage van voldoende gewicht is. Uit jurisprudentie volgt dat hiervan ook sprake kan zijn in het geval van verbale aanmoedigingen. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig was bij het geweldsincident is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld heeft gepleegd. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij aangever gecontroleerd naar de grond heeft gebracht. Vast staat dat medeverdachte [medeverdachte] hierbij in de buurt heeft gestaan. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ontkennen echter dat [medeverdachte] heeft deelgenomen aan de vechtpartij.
Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier lastig is vast te stellen, wat er nu precies is gebeurd en wie hiervoor verantwoordelijk is. Aangever heeft verklaard dat de bestuurder van de Chevrolet (het hof begrijpt: verdachte) hem met zijn arm bij zijn nek vastpakte en dat hij naar de grond is gehaald. Hij klapte toen met zijn voorhoofd tegen een stukje vangrail en met zijn gezicht en buik is hij hard op de grond terechtgekomen. Hij voelde dat de man die hem vastklemde in zijn nek bovenop hem lag en daarbij voelde hij klappen tegen zijn hoofd en lichaam. Hij kan niet vertellen waar hij precies is geslagen. Vervolgens gaat de man van hem af en loopt hij samen met de andere man terug naar de Chevrolet.
De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben de vechtpartij al rijdend vanuit hun auto waargenomen. Alleen getuige [getuige 1] heeft bij de politie en later ook bij de rechter-commissaris verklaard dat twee mannen met een derde man aan het vechten waren. Hij verklaart weliswaar over slaan en schoppen maar slechts in het kort en heel algemeen. Getuige [getuige 2] verklaart dat hij twee mannen heeft zien vechten en dat de derde man erbij stond en weinig deed. Getuige [getuige 3] heeft helemaal geen geweldshandelingen gezien.
Naast de verklaringen is er ook een door aangever opgenomen filmpje dat hij aan de politie heeft overhandigd en dat door de politie is bekeken. De politie beschrijft dat hierop te zien is dat een man op de filmer (het hof begrijpt: aangever) afloopt en achter hem aan blijft lopen. Deze man zegt meermalen tegen een andere man dat hij de filmer moet pakken, waarbij hij eenmaal de naam [naam] noemt. Omdat de voornaam van medeverdachte [medeverdachte] is, gaat het hof ervan uit dat verdachte de persoon is die de andere man ophitst.
De conclusie is dan ook dat het hof niet met voldoende zekerheid kan vaststellen of de medeverdachte een rol bij het tenlastegelegde openlijke geweld heeft gehad, laat staan of die rol kan worden aangemerkt als een significante of wezenlijke bijdrage aan dat geweld. De verklaring van [getuige 1] over het geweld is te weinig specifiek en wijkt ook af van de verklaring van aangever. Daarbij volgt uit de verklaring van [getuige 2] dat de derde man er slechts bij stond en uit de overige stukken dat het geweld alleen is uitgeoefend door verdachte. Het hof komt op basis van deze overwegingen tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in vereniging met een ander of anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen aangever. Op basis van het dossier zou het handelen van verdachte als mishandeling gekwalificeerd kunnen worden maar dat is niet aan verdachte tenlastegelegd.
Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde feit.
Bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde
Namens verdachte is geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit. Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.subsidiairhij op of omstreeks 1 november 2022 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto met het kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de weg, [locatie] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- op de [locatie] zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen, toen het voor hem rijdende voertuig, door noodzaak in het verkeer, (sterk) snelheid minderde, tengevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen het door hem bestuurde voertuig en het voor hem rijdende voertuig toebehorende aan [benadeelde] , en/of
- niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden te houden, en/of meermaals (bewust) in de richting van de (naast hem rijdende) personenauto met het kenteken [kenteken 2] toebehorend aan [benadeelde] heeft gestuurd te sturen, ten gevolge waarvan meermaals een aanrijding is ontstaan tussen het door hem bestuurde voertuig en het naast hem rijdende voertuig toebehorende aan [benadeelde] , en/of
- één of meerdere snelle en abrupte stuurbewegingen te maken en/of te slingeren op de weg, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis bij het niet verrichten van die taakstraf. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de in eerste aanleg opgelegde taakstraf flink te matigen en geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop: de verdenking ziet op feiten van 1 november 2022. Verdachte heeft bovendien een (zwaarwegend) belang bij het behoud van zijn rijbewijs. Voor zijn werkzaamheden als medisch koerier heeft hij zijn rijbewijs nodig. Bij de oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal hij zijn baan verliezen en daarmee wordt hij financieel disproportioneel geraakt. Verdachte is bovendien mantelzorger voor zijn oom.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft op 1 november 2022 op de snelweg [locatie] welbewust meerdere ernstige verkeersovertredingen begaan. Hij is met zijn Chevrolet rechts naast aangever gaan rijden en heeft scherpe stuurbewegingen naar links gemaakt en is daarbij meerdere keren tegen het voertuig van aangever aangereden. Het rijgedrag van verdachte was onverantwoord. Hij heeft onveilige situaties gecreëerd en daarmee ook andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Er kan van geluk worden gesproken dat zich geen ongeval heeft voorgedaan.
Bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee dat hij ook in hoger beroep geen verantwoordelijkheid neemt en niet lijkt te willen inzien dat hij iets verkeerd heeft gedaan, door steeds te wijzen naar de gedragingen van aangever.
Ten aanzien van de persoon van de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op het strafblad van verdachte van 13 april 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde kan niet worden volstaan met een andere of een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke taakstraf en een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof spreekt, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, verdachte vrij van de onder 2 tenlastegelegde openlijke geweldpleging. Om die reden zal het hof de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf van tweehonderdveertig uren enigszins matigen.
Alles afwegend is het hof van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 11.461,50 ingediend, bestaande uit een bedrag van € 7.461,50 aan materiële schade en een bedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 7.050,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de rechtbank is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu uit door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat deze vordering door de verzekeraar is betaald.
De raadsvrouw heeft om diezelfde reden verzocht om de vordering af te wijzen.
Het hof is van oordeel dat uit de door de verdediging overgelegde stukken voldoende blijkt dat door de verzekeraar van verdachte een bedrag van in totaal € 15.500,00 is uitgekeerd aan de benadeelde partij. Deze uitbetaling ziet op dezelfde posten als die waar de vordering benadeelde partij betrekking op heeft. Verdachte hoeft de schade daarom niet (nogmaals) te vergoeden. Het hof wijst de vordering af.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. J. Steenbrink en mr. I.M. Nusselder, in aanwezigheid van de griffier mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 mei 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 26 mei 2026.
Tegenwoordig:
mr. S. Bek, voorzitter,
mr. N.M. Smits, advocaat-generaal,
mr. H.A.C. Peters, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.