ECLI:NL:GHARL:2026:3400

ECLI:NL:GHARL:2026:3400

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer 21-005021-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Het hof veroordeelt een vijftigjarige vrouw voor het veroorzaken van een verkeersongeval (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994). De verdachte is met haar auto door rood licht gereden en heeft daarbij de -door groen licht rijdende- overstekende scooterrijder niet gezien. Zij is tegen de scooterrijder aangereden, die aan de aanrijding zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden. Het hof beoordeelt het rijgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Het hof legt een onvoorwaardelijke taakstraf en een onvoorwaardelijke rijontzegging op.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 november 2022 met parketnummer 05-082099-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. F. Luinstra, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, tot een taakstraf van honderd uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.

Het hof gaat bij de beoordeling uit van (deels) andere bewijsoverwegingen dan de rechtbank Ook legt het hof aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:

primair zij op of omstreeks 25 juni 2021 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, rijdend over voornoemde [straat] en/of gekomen nabij de verkeerslichten met de fietsoversteekplaats ( [fietsoversteekplaats] ) een in haar rijrichting uitstralend rood verkeerslicht (welk verkeerslicht al 8,3 seconden rood licht uitstraalde) te negeren en/of (daarbij) niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid de fietsoversteekplaats is genaderd en/of over de [straat] (verder)is opgereden/ doorgereden en/of vervolgens tegen een (overstekende) medeweggebruiker is gebotst en/of gereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten heupfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair zij op of omstreeks 25 juni 2021 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straat] , en/of gekomen nabij de verkeerslichten met de fietsoversteekplaats ( [fietsoversteekplaats] ) een in haar rijrichting uitstralend rood verkeerslicht heeft genegeerd en/of (vervolgens) op/tegen een (overstekende) medeweggebruiker is gebotst en/of gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet uit te sluiten is dat er sprake is geweest van een heel kort moment van onoplettendheid. Verdachte was in de veronderstelling dat het stoplicht groen was en heeft vervolgens de heer [slachtoffer] op zijn scooter niet gezien. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden. Verdachte heeft dus geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Oordeel van het hof

De feiten

Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast:

Op 25 juni 2021 reed verdachte als bestuurder van een personenauto in [plaats] over de [straat] uit de richting van de [straat2] in de richting van de [wegnummer] . [slachtoffer] reed met zijn bromfiets op het fietsoversteekpad. Hij kwam uit de richting van de [straat3] en wilde de [straat] oversteken richting de [straat4] . Tussen verdachte en [slachtoffer] heeft een aanrijding plaatsgevonden.

Getuige [getuige] fietste op 25 juni 2021 op de [straat4] te [plaats] in de richting van de [straat] . Ze moest wachten voor het rode verkeerslicht om het kruispunt over te steken. Aan de overzijde van de weg zag ze een jongen op een scooter, ook hij stond te wachten voor het verkeerslicht. Na een korte tijd ging het verkeerslicht voor de getuige op groen en is ze de [straat] overgestoken. Ze zag dat de jongen op de scooter aan de overzijde ook overstak. De getuige hoorde en zag plotseling dat een auto van links kwam op de [straat] en met hoge snelheid optrok en daarbij hoge toeren maakte. Vervolgens zag ze dat de auto tegen de scooterrijder botste. De scooterrijder werd door de lucht geslingerd en viel een paar meter verderop op de straat.

Uit de analyse van de gegevens van de verkeersregelinstallatie ter plaatse is gebleken dat verdachte het verkeerslicht omstreeks 13:04:13,8 is gepasseerd, terwijl het verkeerslicht vanaf 13:04:05,5 uur rood licht uitstraalde. Dit betekent dat de voor verdachte geldende verkeerslichten minimaal 8,3 seconden op rood stonden op het moment dat zij de stopstreep passeerde. Verdachte is voorafgaand aan het ongeluk het kruispunt genaderd met een gemiddelde indicatieve snelheid gelegen tussen de 47km/h en 57 km/h. Het verkeerslicht voor de bestuurder van de bromfiets ( [slachtoffer] ) straalde vanaf 13:04:09,00 tot 13:04:17,4 groen licht uit en hij is op 13:04:11,00 de stopstreep gepasseerd.

De mate van schuld

De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval, op een manier als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. ‘Schuld’ als delictsbestanddeel bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.

Bij de beoordeling van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin.

In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich ‘aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig’ heeft gedragen.

De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.

De [straat] in [plaats] is naar het oordeel van het hof een weg die bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van de weggebruikers vraagt. Het is een weg met meerdere rijbanen met een fietsoversteekplaats die uit twee rijbanen bestaat. Uit de voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte voorafgaand aan de aanrijding met een snelheid van tussen de 47 en 57 kilometer per uur het kruispunt is genaderd. Anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd, gaat het hof er, gelet op deze snelheid vanuit dat verdachte niet voor het rode verkeerslicht is gestopt. Zij is kennelijk met deze snelheid het kruispunt opgereden, terwijl het voor haar geldende stoplicht al 8,3 seconden op rood stond. Zij heeft daarbij bovendien onvoldoende gelet op het overige verkeer. Zij heeft immers naar eigen zeggen [slachtoffer] op zijn bromfiets niet zien oversteken, terwijl hij al enkele seconden, te weten 2,8 seconden, zijn stopstreep gepasseerd was op het moment dat verdachte de hare passeerde. Ook heeft zij niet gezien dat getuige [getuige] op haar fiets eveneens de [straat] aan het oversteken was. Naar het oordeel van het hof is verdachte daarmee, gelet op de omstandigheden van het geval en in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid, zodanig tekortgeschoten in de aandacht die van haar mocht worden gevergd, dat haar rijgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt. Daarmee heeft verdachte zich zodanig gedragen dat het tenlastegelegde verkeersongeval aan haar schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.

Zwaar lichamelijk letsel

[slachtoffer] heeft als gevolg van dit ongeval letsel opgelopen. Er was sprake van inwendig bloedverlies en een heupfractuur (subtrochantere femurfractuur), waarbij operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat bij die operatie pinnen in de heup en enkele schroeven boven zijn knie zijn geplaatst. Hij heeft het eerste half jaar thuis gezeten en kon slechts een klein stukje lopen met behulp van krukken. Ongeveer negen maanden na het ongeval had [slachtoffer] nog steeds veel last van het ongeval. Hij kon toen zelfstandig lopen, maar de trap kostte hem nog erg veel moeite. Hij had op dat moment nog hulp nodig bij het aantrekken van zijn sokken en kon niet sporten. Hij werd twee keer per week door de fysiotherapeut behandeld.

Vanwege de aard van het letsel, de operatie en de langdurige gevolgen is er naar het oordeel van het hof sprake van zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegensverkeerswet 1994, waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Het primair tenlastegelegde is daarmee bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 25 juni 2021 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, rijdend over voornoemde [straat] en/of gekomen nabij de verkeerslichten met de fietsoversteekplaats ( [fietsoversteekplaats] ) een in haar rijrichting uitstralend rood verkeerslicht (welk verkeerslicht al 8,3 seconden rood licht uitstraalde) te negeren en/of (daarbij) niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid de fietsoversteekplaats is genaderd en/of over de [straat] (verder) is opgereden/ doorgereden en/of vervolgens tegen een (overstekende) medeweggebruiker is gebotst en/of gereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een heupfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf van negentig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijfenveertig dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt primair om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair verzoekt zij, mede gelet op het tijdsverloop, een geheel voorwaardelijke taakstraf of geldboete op te leggen. De raadsvrouw verzoekt geen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen, omdat verdachte al viereneenhalf jaar niet meer heeft gereden en zij niet meer voornemens is de geldigheid van haar rijbewijs te verlengen. Verdachte woont samen met haar vier kinderen, voor wie zij zorgt. Zij heeft een uitkering en haar medische situatie is verslechterd. Het is onduidelijk of verdachte in staat is een taakstraf te verrichten.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte is met haar auto door rood licht gereden en heeft daarbij de - door groen licht rijdende - overstekende fietser en scooterrijder helemaal niet gezien. Vervolgens heeft verdachte de scooterrijder aangereden. Deze verkeersgedragingen zijn ernstig. In het verkeer moeten weggebruikers op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de verkeersveiligheid zijn opgesteld. Verkeerslichten zijn bij uitstek bedoeld om dergelijke botsingen te voorkomen.

De scooterrijder heeft als gevolg van verdachtes onoplettendheid en de daardoor ontstane aanrijding fors letsel opgelopen. Uit het dossier volgt dat het ongeluk grote gevolgen voor hem heeft gehad. Mogelijk kan hij zijn werk als hovenier nooit meer uitvoeren. Hoewel verdachte deze gevolgen ook nooit gewild heeft, is zij hiervoor wel verantwoordelijk.

Het hof heeft als vertrekpunt voor een op te leggen straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor zaken waarin sprake is van schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval met ernstige gevolgen. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor het met aanmerkelijke schuld veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, een taakstraf van honderdtwintig uren en een rijontzegging van zes maanden.

Het hof heeft ook rekening gehouden met het strafblad van 13 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft het hof gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze door verdachte en haar raadsvrouw ter zitting van het hof naar voren zijn gebracht

Tenslotte heeft het hof rekening gehouden met het tijdsverloop in de berechting van de zaak. In de fase van het hoger beroep geldt als uitgangspunt dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Verdachte heeft op 23 november 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 26 mei 2026 arrest. Van bijzondere omstandigheden is in de fase van het hoger beroep niet gebleken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met anderhalf jaar.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een taakstraf voor de duur van honderd uren passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren.

Ter bescherming van de verkeersveiligheid en om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen, zal het hof daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van zes maanden opleggen. Het hof ziet geen aanleiding om hier vanwege het tijdsverloop vanaf te zien.

Wetsartikelen

De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. J. Steenbrink en mr. I.M. Nusselder, in aanwezigheid van de griffier mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 mei 2026.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 26 mei 2026.

Tegenwoordig:

mr. S. Bek, voorzitter,

mr. N.M. Smits, advocaat-generaal,

mr. H.A.C. Peters, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Bek

Griffier

  • mr. H.A.C. Peters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand