Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004142-23
Uitspraakdatum: 29 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 8 september 2023 met parketnummer 18-152238-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
1. Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank.
2. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van het hof van 7 en 9 april 2026 en op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 10 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.H. Bouwman, hebben aangevoerd.
3. Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en vrijgesproken van het onder 3 primair ten laste gelegde. Verder heeft de rechtbank de taser en de twee bussen pepperspray onttrokken aan het verkeer. Van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen heeft de rechtbank de teruggave aan verdachte (de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon) gelast.
Het hof komt in dit arrest tot een (deels) andere bewijsbeslissing, kwalificatie en strafoplegging dan de rechtbank. Het hof zal het vonnis van de rechtbank daarom vernietigen en opnieuw rechtdoen. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van het bewijs grotendeels op de juiste wijze heeft beslist en overwogen. Het hof zal daarom grote delen van het vonnis van de rechtbank, met enige aanpassingen, overnemen.
4. Tenlastelegging
3. subsidiair
Op de zitting bij de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen en/of Duitsland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
a. a) (ZD-001, Noorwegen)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 tot en met 11 april 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of methamfetamine, (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
b) (ZD-002, [plaats 6] 1)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 6] en/of [plaats 7] en/of elders in Duitsland,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of amfetamine, (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
c) (ZD-005, [plaats 6] 2)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 29 mei tot en met 12 juni 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 6] en/of elders in Duitsland,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
3,2 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen en/of Duitsland en/of Spanje, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
a. a) (ZD-001, Noorwegen)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 tot en met 11 april 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen,
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer
15,5 kilogram hasjiesj, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
en/of
b) (ZD-002, [plaats 6] 1)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 6] en/of elders in Duitsland,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
1,45 kilogram hennep, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
c) (ZD-003, Spanje- [plaats 4] )
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland en/of [plaats 5] en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
527 kilogram hennep en/of 108 kilogram hasjiesj, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3. primair
(ZD-003, [plaats 4] -Spanje)
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
te weten een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
48 kilogram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 4] en/of elders in Nederland en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van (in totaal) (ongeveer) 48 kilogram cocaïne, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
immers heeft verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, opzettelijk
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze feiten in lijn met de beslissing van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het onder 3 primair ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal zich (in tegenstelling tot de beslissing van de rechtbank) op het standpunt gesteld dat de primaire variant wettig en overtuigend bewezen kan worden. In dit kader heeft de advocaat-generaal primair gesteld dat sprake is geweest van verlengde uitvoer doordat uit het dossier blijkt dat de blokken cocaïne vanuit de opslag in [plaats 2] in een auto (de Smart) zijn gestopt en naar [plaats 4] zijn vervoerd alwaar die ten vervoer met bestemming [plaats 8] , althans Spanje, zijn aangeboden aan de beoogde chauffeur(s). Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat ook indien de blokken cocaïne uiteindelijk niet in [plaats 4] zijn aangekomen, of zelfs in de opslag in [plaats 2] zijn gebleven, er sprake is geweest van het ten vervoer met bestemming buitenland aanbieden van de drugs. Dit omdat het ging om buitenlandse chauffeurs die weer zouden terugrijden naar Spanje die werden gevraagd de cocaïne daarbij mee te nemen. Dat de cocaïne uiteindelijk niet werd meegenomen, doet niet af aan een voltooide verlengde uitvoer. Meer subsidiair heeft de advocaat-generaal gesteld dat het onder 3 primair ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen kan worden indien het hof van oordeel is dat geen sprake is van verlengde uitvoer. Onder 3 primair is namelijk ook het vervoer en/of het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs ten laste gelegd, wat (eveneens) op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
Primaire standpunt: integrale vrijspraak
De raadsman heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1, 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam] ’. Bovendien rust het hele dossier slechts op één bewijsmiddel: de EncroChat-berichten. Op basis hiervan heeft de rechtbank vastgesteld dat de transporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, ondanks dat er geen verdovende middelen zijn aangetroffen. Ook niet bij de doorzoeking van de vermeende stash-locaties die in het dossier aan verdachte worden toegeschreven.
Subsidiaire standpunt
5.2.2.1. Het onder 1 ten laste gelegde
Ten aanzien van de rol van verdachte bij het onder 1 ten laste gelegde bestrijdt de verdediging, voor zover het hof tot een bewezenverklaring van dit feit komt, dat vastgesteld kan worden dat verdachte als chauffeur zelf drugs heeft vervoerd.
5.2.2.1. Het onder 3 primair ten laste gelegde
Voor zover het voorgaande niet tot een vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde zou leiden, heeft de raadsman zich ten aanzien van dit feit op het standpunt gesteld dat verdachte in lijn met de beslissing van de rechtbank moet worden vrijgesproken omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een (verlengde) uitvoer van de drugs.
Oordeel van het hof
Inleiding
De verdenking jegens verdachte berust in belangrijke mate op chatberichten van het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam] ’, welk account door het Openbaar Ministerie aan verdachte wordt toegeschreven. Het hof zal daarom eerst de vraag beantwoorden of kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van het aan hem toegeschreven account. Daarna zal het hof ingaan op de vraag of voldaan is aan het bewijsminimum en of het hof al dan niet overtuigd is van het daadwerkelijk plaatsvinden van de ten laste gelegde transporten en de rol van verdachte hierbij, zoals dat uit de EncroChat-gesprekken naar voren is gekomen. Tot slot zal het hof op basis van het voorgaande de vraag beantwoorden of en in hoeverre de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.
Het hof overweegt, op grond van de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, als volgt.
Identificatie van verdachte als [accountnaam]
Aan het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam] ’ zijn blijkens de contactenlijsten van andere EncroChat-gebruikers verschillende bijnamen gegeven. Zo werd [accountnaam] opgeslagen onder de namen ‘ [naam 3] ’ en ‘ [plaats 2] ’. Op 9 mei 2020 wordt door gebruiker ‘ [naam 1] ’ (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 2] ) een lijst met administratie gedeeld met een andere EncroChat-gebruiker. In die lijst worden onder meer adressen, bedragen en hoeveelheden drugs benoemd. De straat ‘ [straatnaam 1] ’ wordt in de lijst genoemd als locatie waar op 9 april 2020 (in de ten laste gelegde pleegperiode) hasjiesj wordt afgegeven aan [accountnaam] . Het hof constateert dat in de lijst met administratie ook notities beschikbaar zijn van vóór de ten laste gelegde pleegperiode. Uit een notitie van 20 januari 2020 volgt dat [accountnaam] ‘stenen’ heeft aangenomen op het adres [straatnaam 1] [nummer] te [plaats 2] . Uit de adresgegevens van verdachte volgt dat hij sinds 2003 woonachtig is aan het [straatnaam 1] [nummer] te [plaats 2] .
Uit de chats volgt voorts dat [accountnaam] een autogarage heeft en dat hij het adres ‘ [adres 2] te [plaats 2] ’ meermalen als ontmoetingsplek benoemt. In dat kader benoemt [accountnaam] dat het buitenterrein van de autogarage is beveiligd en is voorzien van een poort. Op 5 mei 2020 geeft [accountnaam] jegens een andere gebruiker aan dat de chauffeur de poort binnen kan rijden, waar hij – [accountnaam] – hem zal opvangen. Ten tijde van de pleegperiode was verdachte eigenaar van een autogarage die was gevestigd aan de [adres 2] te [plaats 2] .
Uit EncroChat-berichten volgt verder dat [accountnaam] gebruikmaakte van (in ieder geval) twee verschillende voertuigen, te weten een zwarte Vito en een zwarte Skoda station. Uit een bevraging in de politiesystemen volgt dat verdachte in de ten laste gelegde pleegperiode twee voertuigen op naam had staan: een zwarte Skoda Octavia station en een Mercedes-Benz Vito.
Uit het dossier blijkt ook dat [accountnaam] op 14 mei 2020 een gesprek heeft met [naam 2] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 3] ) over het opslaan van dure handel. In dat gesprek vraagt [naam 2] of [accountnaam] een geschikte plek kent voor het opslaan hiervan, waarop [accountnaam] aangeeft dat de handel kan worden gestald in een garagebox in het seniorencomplex van zijn moeder. Uit de GBA-gegevens van de moeder van verdachte in combinatie met een bevraging in open bronnen op internet blijkt dat zij woonachtig is in een seniorencomplex, waarvan een aantal woningen de beschikking heeft over een eigen garage.
Verder heeft [accountnaam] op 18 mei 2020 een gesprek met een andere EncroChat-gebruiker, waarin [accountnaam] aangeeft dat zijn zoon iets zal aanpakken en dat zijn zoon zal komen in een zwarte Skoda station. Uit een bevraging in de politiesystemen volgt dat verdachte een meerderjarige zoon heeft.
Anders dan door de raadsman betoogd, is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account [accountnaam] . Het dossier bevat geen aanwijzingen voor het tegendeel. Verdachte heeft zich van meet af aan op zijn zwijgrecht beroepen en heeft aldus geen enkele alternatieve verklaring gegeven voor de bevindingen van de politie. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, doet het gegeven dat er geen drugs zijn aangetroffen op de hiervoor genoemde adressen niet af aan voornoemd oordeel. Sterker nog, er zijn tijdens de doorzoeking juist goederen aangetroffen die de identificatie van verdachte alleen maar bevestigen. Zo is in de EncroChat-berichten van april 2020 van [accountnaam] te lezen dat hij en een andere EncroChat-gebruiker het hebben over het ombouwen van meubels voor het heimelijk bewaren van voorwerpen. [accountnaam] geeft hierin onder andere aan dat hij aan de slag gaat met het maken van een dergelijk meubel. Het hof constateert dat op 20 juni 2022 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in en om de woning van verdachte, waarbij meubels zijn aangetroffen met verborgen ruimtes. In de garage bij de woning zijn daarnaast twee verborgen ruimtes aangetroffen onder de vloer, welke qua formaat, positie en omgeving overeenkomen met een foto die op 13 mei 2020 door [naam 2] aan een andere EncroChat-gebruiker is gestuurd.
Bewijsminimum en de overtuiging van het hof
De raadsman heeft aangevoerd dat het bewijs in deze zaak enkel is gestoeld op één bewijsmiddel: de EncroChat-berichten. In deze sub-paragraaf zal het hof ingaan op dit verweer van de raadsman. Ook heeft hij aangevoerd dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat de transporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden omdat er volgens de raadsman geen verdovende middelen zijn aangetroffen. Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de in sub-paragraaf 5.3.4 van dit arrest beschreven drugstransporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
Ten aanzien van het verweer van de raadsman met betrekking tot het bewijsminimum merkt het hof in zijn algemeenheid op dat het van oordeel is dat de stelling dat het totaal aan EncroChat-berichten slechts als één bewijsmiddel moet worden gezien, geen steun vindt in het recht. Het hof is van oordeel dat de transcripties van de chatgesprekken meerdere bewijsmiddelen opleveren, nu het gaat om legio gesprekken op meerdere data met verschillende EncroChat-gebruikers over verschillende onderwerpen. Daarbij komt dat er afbeeldingen zijn verstuurd die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen.
De inhoud van de berichten, waarin over de (verschillende soorten) verdovende middelen wordt gesproken, vindt bovendien ook op andere wijze ondersteuning in de onderzoeksresultaten. Het hof overweegt in dit verband dat er historische verkeersgegevens van het telefoonnummer op naam van verdachte beschikbaar zijn. Daaruit volgt dat het telefoonnummer op 9 april 2020 overdag contact heeft gemaakt met een mast in [plaats 2] . Vanaf 17:35 uur heeft het telefoonnummer contact gemaakt met masten in zuidelijke richting en om 19:17 uur heeft het telefoonnummer contact gemaakt met een mast in [plaats 9] (het hof begrijpt: [plaats 9] ), een dorp naast [plaats 3] . Uit de EncroChat-berichten volgt dat ‘ [accountnaam] ’ op 9 april 2020 overdag thuis was, waar hij bestellingen klaarmaakte ten behoeve van het transport naar [plaats 3] (ZD-001). Om 17:25 heeft ‘ [accountnaam] ’ aan [medeverdachte 3] laten weten dat hij onderweg was en om 19:09 uur liet hij [medeverdachte 3] weten dat hij klaar was. Het hof constateert dat de Encrochat-berichten van ‘ [accountnaam] ’ één op één passen bij de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte. Het hof overweegt verder dat ook de in sub-paragraaf 5.3.2 aangehaalde EncroChat-berichten van april 2020, die gaan over de verborgen ruimtes, steun bieden aan de verdenking dat de ten laste gelegde transporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, nu, zoals al overwogen, dergelijke ruimtes daadwerkelijk zijn aangetroffen en passen bij de noodzaak om de besproken illegale handel ter bewaring te verstoppen.
Er bestaat dus geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de drugstransporten waarover in de EncroChat-berichten wordt gesproken, niet daadwerkelijk zouden hebben plaatsgevonden. Dat er, zoals door de raadsman is aangevoerd, geen verdovende middelen zijn aangetroffen (bij verdachte), doet daar, gelet op al het hiervoor overwogene, niet aan af. Het hof zal er derhalve bij de bespreking van de inhoud van de EncroChat- berichten (hieronder in sub-paragraaf 5.3.4), vanuit gaan dat de in die berichten besproken handelingen met en transporten van verdovende middelen, daadwerkelijk zo hebben plaatsgevonden en dat de rol van verdachte daarbij zo is geweest als daarin wordt weergegeven. Met betrekking tot dat laatste merkt het hof nog op dat verdachte zich zowel tegenover de politie als ter terechtzitting bij de rechtbank en in hoger beroep op zijn zwijgrecht heeft beroepen, zodat er ook geen concreet alternatief scenario voor deze bevindingen van de politie aan het hof is voorgelegd.
Transporten en de rol van verdachte hierbij blijkens de EncroChat-berichten
5.3.4.1. Transport ZD-001, Nederland-Noorwegen (feit 1 en 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 9 april 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Noorwegen. Het treffen van voorbereidingen voor het transport begon op 2 april 2020 en in de dagen voorafgaand aan het transport werden de drugs door diverse binnenlandse transporten (onder andere vanuit [plaats 1] ) samengebracht op een opslaglocatie in [plaats 2] . Vanuit [plaats 2] zijn de drugs naar [plaats 3] gebracht, waar deze vervolgens zijn ingeladen in een vrachtwagen. Er zijn in totaal 8 kilo cocaïne, 40.000 pillen XTC, 30 kilo MDMA, 60 kilo amfetamine, 2 kilo methamfetamine en 15,5 kilo hasjiesj geëxporteerd naar Noorwegen. Op 11 april 2020 vond de financiële afwikkeling plaats.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats allereerst volgt dat verdachte beheerder is geweest van een voorraad harddrugs en softdrugs op zijn opslaglocatie in [plaats 2] . Verdachte kreeg instructies van medeverdachte [medeverdachte 3] voor het verpakken van de drugs in dozen. Anders dan door de raadsman betoogd, is het hof van oordeel dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte bij dit transport ook werd ingeschakeld als chauffeur voor het vervoeren van de gehele handel van [plaats 2] naar [plaats 3] op 9 april 2020. In [plaats 3] heeft hij er vervolgens voor gezorgd dat de handel werd overgedragen aan een Bulgaarse vrachtwagen.
5.3.4.2. Transport ZD-002, Nederland- [plaats 6] 1 en [plaats 7] (feit 1 en 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 30 april 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Duitsland. Op 30 april 2020 werd een lading afgegeven in [plaats 6] en op 1 mei 2020 in [plaats 7] . Het treffen van voorbereidingen voor het transport begon op 30 maart 2020 en in de dagen voorafgaand aan het transport werden de drugs via verschillende binnenlandse transporten (onder andere vanuit [plaats 1] ) samengebracht. De drugs met als bestemming [plaats 7] werden voorafgaand aan het transport opgeslagen op een opslaglocatie in [plaats 2] . Er zijn in totaal (ongeveer) 4 kilo cocaïne, 6 liter amfetamine-olie en 1,45 kilo hennep geëxporteerd naar [plaats 6] en 2 kilo cocaïne naar [plaats 7] . In de maand mei (tot 20 mei 2020) vond de financiële afwikkeling plaats.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats allereerst volgt dat verdachte voorafgaand aan het transport meermalen heeft proefgereden naar Duitsland in verband met de toen geldende coronamaatregelen. Daarnaast was verdachte op 29 april 2020 beheerder van twee kilo cocaïne. Tot slot geldt dat verdachte bij de transporten op 30 april en 1 mei 2020 gebruik maakte van een eigen chauffeur en deze aanstuurde.
5.3.4.3. Transport ZD-003 Spanje- [plaats 4] (feit 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 13 en 14 mei 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden vanuit [plaats 8] naar Nederland. Op 11 mei 2020 stond de vrachtwagen met drugs klaar voor vertrek en met enige dagen vertraging kwam de uit Spanje afkomstige vrachtwagen op 14 mei 2020 aan bij een loods in [plaats 4] . Deze loods was bestemd voor onder meer het lossen en verpakken van de (drugs)hande1. De handel is vervolgens vervoerd naar de opslaglocatie in [plaats 2] . In totaal is er 527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj geïmporteerd.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats allereerst volgt dat verdachte een achterrijder aanstuurde die vanuit [plaats 4] naar [plaats 2] reed. Verdachte kreeg instructies van [medeverdachte 3] en legde verantwoording aan hem af. De handel die afkomstig was uit [plaats 4] , werd gelost in de opslaglocatie van verdachte, waar alle drugs in opslag gingen. Tussen verdachte en [medeverdachte 3] werd afgesproken dat [medeverdachte 3] de dag na het lossen van de handel zou langskomen op de opslaglocatie in [plaats 2] .
5.3.4.4. Transport ZD-003 [plaats 4] -Spanje (feit 3)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat er plannen zijn gemaakt om 48 kilo cocaïne te vervoeren naar Spanje. Dit zou met de Spaanse vrachtwagen gebeuren waarin de hennep en de hasjiesj naar Nederland waren vervoerd (zoals in de voorgaande sub-paragraaf weergegeven). Dit transport heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden, omdat de betreffende chauffeur niet wilde terugrijden met deze lading. De lading stond opgeslagen op de opslaglocatie van verdachte in [plaats 2] en is naar aanleiding van de mededeling van de chauffeur verplaatst naar de garage in het seniorencomplex van de moeder van verdachte (eveneens in [plaats 2]).
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats volgt dat verdachte beheerder is geweest van de 48 kilo cocaïne. Nadat bekend werd dat de chauffeur niet met de cocaïne naar Spanje wilde rijden, hebben zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] contact gezocht met verdachte over het ‘veilig zetten’ van de handel. Verdachte liet eerst [medeverdachte 2] en vervolgens [medeverdachte 3] weten dat hij de handel al in een Smart had gestopt, welke hij op een beveiligde plek in de autogarage had gezet. [medeverdachte 3] heeft verdachte gevraagd of hij een garagebox kende waar niemand van af wist, waarop verdachte heeft voorgesteld om de lading te brengen naar een garagebox bij het seniorencomplex van zijn moeder. [medeverdachte 3] heeft vervolgens beslist om de drugs door verdachte daar naartoe te laten verplaatsen en daar (voorlopig) op te slaan.
5.3.4.5. Transport ZD-005 Nederland- [plaats 6] 2 (feit 1)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 12 juni 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Duitsland van in totaal 3,2 kilo cocaïne. De voorbereidingen voor dit transport begonnen op 29 mei 2020. De cocaïne werd voorafgaand
aan het transport opgehaald op de opslaglocatie in [plaats 2] en werd elders in het land bewerkt. De in bolletjes verpakte cocaïne werd voorafgaand aan het transport weer naar [plaats 2] gebracht en op 12 juni 2020 werd de cocaïne vanuit [plaats 2] vervoerd naar [plaats 6] te Duitsland.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats volgt dat verdachte beheerder is geweest van de cocaïne. De cocaïne werd op 9 juni 2020 bij hem opgehaald door een koerier en op 10 juni 2020 kreeg verdachte de bewerkte cocaïne terug. Op 12 juni 2020 stuurde verdachte de koerier aan die de cocaïne vervoerde naar [plaats 6] . Verdachte ging zelf mee als voor- of achterrijder. Gedurende het hele proces werd verdachte aangestuurd door [medeverdachte 2] , die op zijn beurt het transport coördineerde. Verdachte kreeg van hem te horen wat er exact mee moest op transport, wat de adresgegevens in [plaats 6] waren en verdachte gaf op de dag van het transport regelmatig updates aan [medeverdachte 2] over de stand van zaken.
Eindoordeel over het bewijs
5.3.5.1. Het onder 1 en 2 ten laste gelegde
Het hof overweegt ten aanzien van de transporten zoals ten laste gelegd onder 1 en 2 dat uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat telkens sprake is geweest van een grensoverschrijdend drugstransport en dat verdachte daar telkens als medepleger bij betrokken is geweest. Uit de omschrijving van de rollen die verdachte bij de transporten heeft gehad, volgt dat verdachte telkens een onmisbare, uitvoerende rol heeft gehad en dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachten (en andere betrokkenen) om de transporten tot stand te brengen. Het hof acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigd bewezen.
5.3.5.2. Het onder 3 primair ten laste gelegde
Ten aanzien van het transport zoals primair onder 3 ten laste is gelegd (sub-paragraaf 5.3.4.4), overweegt het hof dat uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat er plannen zijn gemaakt om 48 kilo cocaïne te exporteren naar Spanje, maar dat deze cocaïne blijkens de EncroChat-berichten uiteindelijk in Nederland is gebleven. Hoewel het begrip ‘buiten het grondgebied brengen’ extensief moet worden geïnterpreteerd, zodat niet enkel het daadwerkelijk over de grens brengen van drugs daaronder valt, is het hof van oordeel dat in dit geval niet kan worden gesproken van een zogenaamde ‘verlengde uitvoer van cocaïne’. Het hof overweegt hiertoe dat voor een bewezenverklaring van verlengde uitvoer nodig is dat de drugs in ieder geval zijn of worden vervoerd of voor vervoer zijn of worden aangeboden met bestemming buitenland, in dit geval Spanje. Anders dan door de advocaat-generaal betoogd, is het hof van oordeel dat uit de EncroChat-berichten en de overige inhoud van het dossier niet blijkt dat de cocaïne de loods in [plaats 4] heeft bereikt, of in ieder geval in die richting is vervoerd, en (vervolgens) aan de chauffeur(s) is aangeboden voor vervoer naar Spanje. Het hof maakt uit de EncroChat-berichten op dat de cocaïne (in ieder geval) vanaf 10 mei 2020 stond opgeslagen in de opslaglocatie van verdachte in [plaats 2] en daar eerst op 14 mei 2020 (weliswaar inmiddels in de Smart gestopt) ook nog stond toen duidelijk werd dat de cocaïne niet zou worden geëxporteerd in verband met een afhakende chauffeur. Uit de chats volgt voorts dat verdachte de cocaïne uiteindelijk, na contact met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , in de Smart heeft vervoerd naar de garage van de seniorenflat van zijn moeder in [plaats 2] om deze daar op te slaan. Nu de cocaïne eerst nog stond opgeslagen in de opslaglocatie van verdachte in [plaats 2] en vervolgens voor een veiliger opslag naar de garage van het seniorencomplex (ook in [plaats 2] ) is verplaatst, kan naar het oordeel van het hof niet worden gesteld dat de cocaïne werd vervoerd of voor vervoer werd aangeboden met bestemming buitenland. Het gegeven dat uit de chats blijkt dat verdachte en medeverdachten wel van plan waren de drugs naar het buitenland te vervoeren, dat in beginsel daartoe de drugs door verdachte in de Smart zijn gedaan en dat er al chauffeurs (die naar Spanje zouden rijden) waren benaderd voor het uitvoeren van de drugs, maakt het oordeel van het hof niet anders.
Anders dan door de rechtbank beslist en in lijn met het meer subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde is het hof echter van oordeel dat dit niet betekent dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit (primaire) feit. Uit de tenlastelegging blijkt namelijk dat onder 3 primair (onder andere) het vervoeren van de drugs ten laste is gelegd. Uit de hiervoor besproken EncroChat-berichten volgt dat de drugs vanaf de opslaglocatie van verdachte in [plaats 2] naar de garage van het seniorencomplex van zijn moeder in [plaats 2] zijn vervoerd. Uit de berichten blijkt namelijk dat [medeverdachte 3] zich zorgen maakte omdat er een te grote voorraad met drugs in de opslaglocatie bij verdachte opgeslagen zou zijn als de 48 kilo cocaïne daar bleef. Hierdoor heeft hij hierover eerst met [medeverdachte 2] overleg gehad. [medeverdachte 2] heeft hierop contact gezocht met verdachte. Verdachte stelde hem voor om de drugs in de garage van het seniorencomplex van zijn moeder op te slaan. [medeverdachte 2] vertelde [medeverdachte 3] over dit voorstel van verdachte. [medeverdachte 3] zocht vervolgens zelf direct contact op met verdachte en ook zij overlegden over het verplaatsen van de drugs naar de garage van het seniorencomplex. Uiteindelijk besloot [medeverdachte 3] de drugs daar naartoe te laten verplaatsen door verdachte.
Gelet op het onderlinge overleg en de bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten over het verplaatsen van de drugs naar een ‘veilige’ plek, is het hof van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden voor zover inhoudende het medeplegen van het vervoeren van de 48 kilo cocaïne.
6. Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. hij op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland, Noorwegen en Duitsland meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
te weten
op verschillende tijdstippen in de periode van 2 tot en met 11 april 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland en Noorwegen, een hoeveelheid van in totaal
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 20 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , elders in Nederland, [plaats 6] en [plaats 7] , een hoeveelheid van in totaal (ongeveer)
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 29 mei tot en met 12 juni 2020 te [plaats 2] , elders in Nederland en [plaats 6] , een hoeveelheid van in totaal
3,2 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2. hij op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 28 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , elders in Nederland, Noorwegen, Duitsland en Spanje meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, te weten
op verschillende tijdstippen in de periode van 2 tot en met 11 april 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland en Noorwegen, een hoeveelheid van in totaal
15,5 kilogram hasjiesj, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 20 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , elders in Nederland en [plaats 6] , een hoeveelheid van in totaal
1,45 kilogram hennep, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 11 tot en met 14 mei 2020 te [plaats 2] , [plaats 4] en [plaats 8] , een hoeveelheid van in totaal
527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.primair hij in de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een hoeveelheid van in totaal
48 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op
- onder 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- onder 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd;
- onder 3 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
8. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
9. Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich met betrekking tot de straf op het standpunt gesteld dat passend is de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 10 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bij zijn strafvordering heeft de advocaat-generaal meegewogen de aard en de ernst van het handelen, de rol die verdachte heeft gespeeld bij het tot stand brengen van de verschillende drugstransporten en de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat er bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de beperkte rol die verdachte (ten opzichte van de medeverdachten) heeft gehad bij het bewezenverklaarde, de schending van de redelijke termijn in hoger beroep en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een goede weg ingeslagen. Zo heeft hij een baan en draagt hij de zorg voor zijn vrouw. Bovendien heeft hij laten zien dat hij de afgelopen tijd niet in aanraking is gekomen met justitie.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.
Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van nog geen drie maanden schuldig gemaakt aan het meermalen medeplegen van het in- en uitvoeren van aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs en aan het medeplegen van het vervoeren van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Verdachte heeft hierbij op zeer professionele wijze gehandeld binnen een omvangrijk internationaal samenwerkingsverband. Binnen dit verband vervulde verdachte voornamelijk als beheerder van de (opslag van de) verdovende middelen een belangrijke rol. Zo zorgde hij voor het aannemen, verpakken en opslaan van de verdovende middelen op een eigen (verborgen) opslaglocatie. Hoewel zijn rol enigszins ondergeschikt was aan de rol van zijn medeverdachten, was zijn rol even onmisbaar en ook breder dan dat van enkel een ‘stasher’. Zo had hij overleg met medeverdachten, dacht hij mee over de beste locatie voor het opslaan van drugs en maakte daartoe ook (meubels met) verborgen ruimtes. Daarnaast trad hij op als (test)chauffeur bij het vervoer van verdovende middelen. Verdachte liet zich daarbij aansturen door zijn medeverdachten, maar handelde ook naar eigen inzicht. Zo had hij de beschikking over eigen chauffeurs die hij aanstuurde en was hij ook zelf initiatiefnemer in het contact met medeverdachten. Verdachte probeerde buiten het zicht van justitie te blijven door te communiceren via een cryptotelefoon.
Door aldus te handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de internationale drugshandel en kan hij medeverantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die worden veroorzaakt door de handel in en het gebruik van verdovende middelen. De harddrugs die mede door verdachte zijn uitgevoerd werken sterk verslavend en zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De handel en het gebruik van deze verdovende middelen brengen bovendien vele vormen van (zware) criminaliteit met zich mee. Ook de softdrugs die mede door verdachte zijn in- en uitgevoerd zijn stoffen die kunnen leiden tot schade aan de gezondheid bij langdurig gebruik. Dat is dan ook de reden dat de verstrekking van softdrugs in Nederland aan banden is gelegd. Dit restrictieve beleid wordt doorkruist door de handelswijze van verdachte. Verdachte heeft enkel vanuit financiële motieven gehandeld en heeft zich niet om de schadelijke gevolgen van zijn handelen bekommerd. Bovendien heeft verdachte tot op heden op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor of inzicht getoond in zijn handelen of de schadelijke gevolgen daarvan. Dit alles weegt het hof in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 9 maart 2026. Daaruit volgt dat hij meermaals eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Ook dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Verder heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van 5 oktober 2022 dat met betrekking tot verdachte door Reclassering Nederland is opgemaakt.
Het hof heeft ook meegewogen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij een eigen woning heeft waar hij met zijn vrouw woont. Zijn vrouw is ernstig ziek en hij draagt de zorg voor haar. Verder werkt verdachte als monteur in het bedrijf van zijn zoon en is hij bezig met het volgen van een nieuwe opleiding in dit kader. Als verdachte (langdurig) naar de gevangenis zou moeten dan betekent het voor hem dat hij zijn woning kwijt zou raken en dat hij niet meer voor zijn vrouw kan zorgen. Hoewel het hof begrip heeft voor zijn rol als mantelzorger, moet aan de andere kant worden geconstateerd dat zijn vrouw deze progressieve ziekte al had toen hij de bewezenverklaarde feiten pleegde. Door toch die feiten te plegen, heeft hij zelf bewust het risico genomen gedetineerd te raken, met als gevolg dat hij dan niet meer voor zijn vrouw zou kunnen zorgen.
In het hiervoor overwogene, met name in de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de professionele en grootschalige wijze waarop hij samen met de medeverdachten te werk is gegaan, ziet het hof geen aanleiding voor de oplegging van een andere straf dan een langdurige gevangenisstraf. In dit kader acht het hof in beginsel passend de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden in hoger beroep. Verdachte heeft namelijk blijkens de akte tot het instellen van het hoger beroep op 11 september 2023 hoger beroep ingesteld. Het arrest is op 29 mei 2026 uitgesproken. Tussen deze twee data is een tijd verstreken van 2 jaren en afgerond 9 maanden. De termijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval twee jaren. De termijn is dus overschreden met afgerond 9 maanden. Deze overschrijding dient naar het oordeel van het hof te leiden tot een vermindering van voornoemde gevangenisstraf met 6 maanden.
Gelet op het hiervoor overwogen acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
10. Beslag
Verbeurdverklaring
Het hof acht de aan verdachte toebehorende in beslag genomen taser en bussen pepperspray vatbaar voor verbeurdverklaring.
Het moet er, gelet op de aard van de feiten die bewezen zijn verklaard, voor worden gehouden dat de betreffende voorwerpen tot het begaan van het misdrijf waren bestemd.
Het hof overweegt hierover het volgende.
De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten aangetroffen in het pand aan [straatnaam 2] [nummer] te [plaats 2] , waar verdachte woonde en waar ook enkele verborgen ruimtes onder de vloer en in een meubel, zijn aangetroffen. Het is verder een feit van algemene bekendheid dat grootschalige (internationale) drugshandel grote risico’s op geweld met zich brengt vanwege de enorme waarde van de verdovende middelen. Er wordt onder meer geweld gebruikt om verdovende middelen afhandig te kunnen maken.
Uit het dossier blijkt dat verdachte voorraden drugs aanhield in hetzelfde pand waar de pepperspray en de taser werden aangetroffen. Daarnaast is de mogelijkheid van opslag van de verdovende middelen, die wordt verzameld voor een transport of wordt bewaard tot het transport geregeld is, een fundamenteel onderdeel van het proces van de export en import van de verdovende middelen. Gelet hierop, en gelet op de afwezigheid van aanwijzingen voor een andere reden voor het hebben van deze goederen, moet het ervoor worden gehouden dat de pepperspray en de taser dienden om de bewaarde verdovende middelen veilig te houden tot transport mogelijk was, zodat in dit geval de aanwezigheid van deze wapens diende om de bewezen verklaarde feiten mogelijk te maken.
Teruggave aan verdachte
Ten aanzien van de overige goederen waarop klassiek (en geen conservatoir) beslag ligt is het hof van oordeel dat deze voorwerpen moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.
11. Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
12. BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 mei 2026.