ECLI:NL:GHARL:2026:3417

ECLI:NL:GHARL:2026:3417

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer 21-002434-25
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Ontnemingsbeslissing

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002434-25

Uitspraakdatum: 29 mei 2026

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 23 mei 2025 met parketnummer 18-152238-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1. Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing van de rechtbank.

2. Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 7 en 9 april 2026 en wat op de zittingen van de rechtbank is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van dat wat door de advocaat-generaal en door de raadsman van betrokkene, mr. R.H. Bouwman, is aangevoerd.

3. De beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft bij bovengenoemde beslissing het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op € 387.818,00. De rechtbank heeft de verplichting aan betrokkene tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op datzelfde bedrag (€ 387.818,00) en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd ten hoogste 1080 dagen is. Voor het overige heeft de rechtbank de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie afgewezen.

Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Dit omdat het hof tot een (iets) andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, een andere verdeling tussen de betrokkenen bij transport 5 en daarmee een andere betalingsverplichting aan de Staat komt. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank het wederrechtelijk voordeel grotendeels op de juiste wijze heeft berekend en geschat. Het hof zal daarom grote delen van de berekening van de rechtbank, met enige aanpassingen, overnemen.

4. Vordering en standpunt van de advocaat-generaal

Vordering in eerste aanleg

De officieren van justitie hebben in eerste aanleg schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 476.036,00 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 476.036,00 ). Hoewel dit niet met zoveel woorden uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 11 april 2025 blijkt, gaat het hof ervan uit dat de officieren van justitie de ontnemingsvordering op deze zitting (net als in de ontnemingszaken van mededaders [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] ) hebben verlaagd, in die zin dat ten aanzien van transport 6 geen voordeel meer zal worden gevorderd. Dit brengt met zich mee dat het hof ervan uitgaat dat de uiteindelijke vordering van de officieren van justitie in eerste aanleg was dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 461.798,00 en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 461.798,00).

Vordering in hoger beroep en standpunt van de advocaat-generaal

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 533.584,00 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 533.584,00). Het hof gaat ervan uit dat de advocaat-generaal, gelet op de door hem voorgestelde berekening, bedoeld heeft een bedrag van € 460.701,00 te vorderen.

Ten aanzien van voornoemde vordering heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank gevolgd dient te worden voor zover het gaat om de verdeelsleutel voor transporten 1, 2 en 4. Hetzelfde geldt voor de berekening en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de transporten 1, 2, 4 en 6.

Ten aanzien van transport 5 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat betrokkene (samen met de andere betrokkenen) de hoeveelheid cocaïne (na het mislukte transport zoals in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak onder 3 primair bewezen is verklaard) alsnog heeft verkocht. Dit levert dan ook voordeel op uit een ander strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit voordeel dient volgens de advocaat-generaal meegenomen te worden in de berekening, omdat het aannemelijk is dat ook deze drugs (later) zijn verkocht, nu het altijd de bedoeling was om deze drugs te verkopen, de handel niet incidenteel was en deze partij cocaïne later tijdens de doorzoeking ook niet meer teruggevonden is op de stashlocatie. Ten aanzien van betrokkene dient het voordeel vastgesteld te worden op een bedrag van 20% van het totaalbedrag van € 364.415,00. Het bedrag waarop de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene heeft geschat (€ 387.818,00), dient dan ook hiermee vermeerderd te worden. Volgens de advocaat-generaal leidt dit tot een totaal voordeel voor betrokkene van € 533.584,00. Het hof merkt op dat de advocaat-generaal hiermee € 460.701,00 bedoeld moet hebben.

5. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de verdeelsleutel niet uitgegaan kan worden van een pondspondsgewijze verdeling omdat de rol van betrokkene bij de transporten van ondergeschikte aard is geweest. Hij is enkel uitvoerder geweest en daarom kan niet gesteld worden dat hij op gelijke wijze met de opdrachtgever(s) voordeel heeft genoten. Bovendien is, gelet op de inhoud van het dossier, niet aannemelijk dat betrokkene een hoog bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Niet blijkt dat betrokkene een luxueus leven heeft geleid, dan wel dat hij over luxe goederen de beschikking heeft gehad. Tijdens de doorzoekingen zijn dergelijke goederen of gelden niet aangetroffen.

6. Oordeel van het hof

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak bij arrest van dit hof van 29 mei 2026 veroordeeld voor, kort gezegd,

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 1);

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd (feit 2);

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (Feit 3 primair).

Bewijsmiddelen

Uit vorenbedoeld arrest van het hof en de daarin in de noten opgenomen bewijsmiddelen en bij de behandeling van de ontnemingsvordering op de zitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen wederrechtelijk financieel voordeel heeft genoten. Om tot een schatting van dit financiële voordeel te komen, heeft het hof (naast voornoemd arrest en de bewijsmiddelen daarin) als uitgangspunt genomen de berekeningen die zijn opgenomen in de rapporten wederechtelijk verkregen voordeel per delict (met bijlagen) (hierna: de rapporten). Het hof acht de in deze rapporten gebruikte berekeningswijze, die overigens niet door de verdediging is bestreden, in beginsel betrouwbaar.

Verdeelsleutel

6.1.1.1. Transporten 1 en 2

Voor wat betreft de transporten 1 en 2 geldt dat aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen indicatie valt te ontlenen voor de verdeling van het behaalde voordeel onder de betrokkene en zijn mededaders. Betrokkene heeft hier zelf geen inzicht in gegeven en anders dan door de raadsman is betoogd, zijn er in het dossier geen concrete aanknopingspunten voor een andere verdeelsleutel dan die op basis van een gelijke verdeling. Betrokkene heeft bij de totstandkoming van de transporten 1 en 2 in de ogen van het hof een even grote en onmisbare rol vervuld als zijn mededaders. Zo blijkt uit dat wat het hof in het arrest van 29 mei 2026 (in de strafzaak van betrokkene) heeft overwogen over de rol van betrokkene bij het tot stand brengen van deze transporten dat hij zich bezig heeft gehouden met de opslag, het verpakken en het vervoeren van de handel. Hierbij ging betrokkene actief te werk en dacht hij mee over de oplossing van eventuele problemen bij het opslaan en verpakken van de handel. Bovendien heeft betrokkene bij transport 1 ook gefungeerd als vervoerder van de drugs en heeft hij bij transport 2 proefritten gemaakt door middel waarvan vastgesteld kon worden of de handel ‘veilig’ en ongedetecteerd geëxporteerd kon worden naar Duitsland. Bij dit laatste transport heeft hij ook gebruikgemaakt van een eigen rijder die hij zelf aanstuurde. Gelet hierop zal het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel bij de transporten 1 en 2 pondspondsgewijs toerekenen. Een andere verdeling zou naar het oordeel van het hof geen recht doen aan de onderlinge verhouding tussen betrokkene en zijn mededaders, hun onderlinge samenspraak, de betrokkenheid van betrokkene bij de transporten en het gewicht van de rol die hij heeft gespeeld bij het tot stand brengen daarvan.

6.1.1.2. Transport 4

Anders dan bij de transporten 1 en 2 geldt voor transport 4 dat uit de berichten die betrokkene en zijn mededaders naar elkaar stuurden concrete aanwijzingen volgen om een afwijkende verdeelsleutel aan te nemen dan die van een gelijke verdeling. Het hof heeft in de aan deze ontnemingszaak onderliggende strafzaak over de rolverdeling van betrokkene en zijn mededaders bij transport 4 onder meer overwogen dat [medebetrokkene 2] eigenaar was van het overgrote deel van de drugs en (mede daardoor) een sterk initiërende en organiserende rol had bij het tot stand brengen van het betreffende transport. Zo was hij ook degene die het contact onderhield met de Spaanse leverancier. [medebetrokkene 1] heeft bij dit transport vooral een organiserende/logistieke rol gehad, waarbij hij veel overlegde met [medebetrokkene 2] . Ook legde [medebetrokkene 1] verantwoording af aan [medebetrokkene 2] door hem steeds op de hoogte te houden van wat hij deed en van de overige gang van zaken. Betrokkene legde bij dit transport ook verantwoording af aan [medebetrokkene 2] en zorgde er verder voor dat alle drugs werden gelost op zijn opslaglocatie te [plaats 1] en daar ook werden opgeslagen. Bij dit transport handelde betrokkene echter niet ‘slechts’ in opdracht van [medebetrokkene 2] , maar maakte hij ook gebruik van eigen (achter)rijders die hij zelf aanstuurde.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat [medebetrokkene 2] een grotere rol heeft gespeeld bij het bewerkstelligen van transport 4 dan betrokkene (en [medebetrokkene 1] ). [medebetrokkene 2] was immers eigenaar van het overgrote deel van de drugs, onderhield het contact met de Spaanse leverancier en aan hem legden [medebetrokkene 1] en betrokkene verantwoording af. Daarom ligt het voor de hand dat [medebetrokkene 2] het grootste deel van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Verder leidt het hof uit het voorgaande af dat betrokkene en [medebetrokkene 1] elk een even grote en belangrijke rol hebben vervuld bij onderhavig transport. Het veilig opslaan, bewaken en vervoeren van de handel is naar het oordeel van het hof een minstens zo belangrijke taak als de rol die [medebetrokkene 1] heeft vervuld. Daarom ligt het voor de hand dat zij een even groot deel van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten. Het hof is daarom van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van transport 4 voor 40% aan [medebetrokkene 2] , voor 30% aan [medebetrokkene 1] en voor 30% aan betrokkene dient te worden toegerekend.

6.1.1.3. Transporten 5 en 6

De verdeelsleutel voor transporten 5 en 6 behoeft geen bespreking, omdat het hof de vordering voor wat betreft die transporten (gelet op dat wat hieronder is overwogen) zal afwijzen.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 1

Ten aanzien van transport 1 is bewezenverklaard de uitvoer van:

8 kilogram cocaïne;

40.000 XTC-pillen;

30 kilogram MDMA;

60 kilogram amfetamine;

2 kilogram methamfetamine;

15,5 kilogram hasjiesj.

De opbrengsten per hoeveelheid drugs zijn als volgt:

8 kilogram cocaïne € 196.048,40

40.000 XTC-pillen € 38.566,52

30 kilogram MDMA € 203.850,00

60 kilogram amfetamine € 101.770,38

2 kilogram methamfetamine € 94.121,77

15,5 kilogram hasjiesj € 102.986,65

Dit levert een totale opbrengst op van € 737.343,72.

Uit het rapport wederechtelijk verkregen voordeel met nummer JM1320 volgt dat de kosten € 1.725,00 bedragen.

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 1 is dus € 737.343,72 - € 1.725,00 = € 735.618,72.

Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.1.1.1 wordt bij dit transport een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over vier personen (waaronder betrokkene). Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van 25% van € 735.618,72, te weten € 183.904,68.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 2

Ten aanzien van transport 2 is bewezenverklaard de uitvoer van:

ongeveer 4 kilogram cocaïne;

6 liter amfetamine-olie;

1,45 kilogram hennep.

De opbrengsten, uitgaande van bovengenoemde bewezenverklaarde hoeveelheden, zijn als volgt:

ongeveer 4 kilogram cocaïne € 139.650,00

6 liter amfetamine-olie € 7.650,00

1,45 kilogram hennep € 12.850,00

Totaal: € 160.150,00

Hierbij geldt dat het hof ten aanzien van de cocaïne uitgaat van een hoeveelheid van 3,99 kilogram, nu uit pagina 9 van het rapport met nummer JM1335 blijkt dat 10 gram cocaïne ontbrak. Verder geldt dat het hof in lijn met pagina 11 van voornoemd rapport (en de inhoud van de daarin genoemde EncroChat-berichten) uitgaat van een opbrengst van € 35.000,00 per kilogram cocaïne. Hierbij merkt het hof op dat de raadsman met zijn standpunt dat er € 10.000,00 in mindering dient te worden gebracht op het wederechtelijk verkregen voordeel heeft miskend dat er in het rapport ten aanzien van transport 2 wordt uitgegaan van een opbrengst van € 35.000,00 en niet € 40.000,00 per kilogram cocaïne. Dit laatste bedrag ziet op de opbrengst van de cocaïne ten aanzien van transport 3 (op welk transport onderhavige ontnemingsvordering geen betrekking heeft).

De (inkoop)kosten, uitgaande van bovengenoemde bewezenverklaarde hoeveelheden, zijn als volgt:

4 kilogram cocaïne € 111.400,00

6 liter amfetamine-olie € 4.620,00

1,45 kilogram hennep € 5.655,00

kosten chauffeur € 2.306,00

Totaal: € 123.981,00

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 2 is dus € 160.150,00 - € 123.981,00 = € 36.169,00.

Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.1.1.1 wordt bij dit transport een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over vier personen (waaronder betrokkene). Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van 25% van € 36.169,00, te weten € 9.042,25.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 4

Ten aanzien van transport 4 is bewezenverklaard de invoer van 527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj. Uit de EncroChat-berichten is gebleken dat 127 kilogram hennep van een ander was dan betrokkene of [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 1] , daarom wordt voor de nettowinst gerekend met 400 kilogram hennep.

Berekening nettowinst 527 kilogram hennep:

verkoop hennep: € 2.055.300,00

inkoop hennep: € 921.723,00 -

overige kosten: € 7.851,79 -

Nettowinst: € 1.125.725,21

De nettowinst voor 400 kilogram hennep is € 1.125.725,21 / 527 x 400 = € 854.440,38 (afgerond).

Berekening nettowinst 108 kilogram hasjiesj:

verkoop hasjiesj € 310.500,00

inkoop hasjiesj € 188.892,00 -

Nettowinst: € 121.608,00

Uit het rapport volgt dat de kosten voor de loods, de huur van de bus, de verhuisdozen en de chauffeur in totaal € 7.851,79 zijn. Het hof gaat ervan uit dat dit de kosten betreffen van zowel de hennep als de hasjiesj. Op pagina 22 van het rapport met nummer JM1321 staat weliswaar dat de kosten voor de hasjiesj € 2.497,20 betreffen, maar uit de berekening zoals opgenomen op pagina 21 van datzelfde rapport blijkt dat dat de kosten voor transport 5 zijn. Nu de juiste kosten al zijn meegenomen in de berekening van de nettowinst van de hennep, laat het hof deze kosten voor de hasjiesj buiten beschouwing.

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 4 is dus € 854.440,39 + € 121.608,00 = € 976.048,38.

Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.1.1.2 zal het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel bij dit transport voor 30% aan betrokkene toerekenen. Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van (afgerond) € 292.814,51.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 5

Uit het onderliggende arrest van het hof in de strafzaak blijkt dat het transport van 48 kilogram cocaïne van [plaats 2] naar Spanje niet door is gegaan. Betrokkene is vrijgesproken van het medeplegen van de (verlengde) uitvoer van 48 kilogram cocaïne en veroordeeld voor het medeplegen van het vervoeren van de drugs.

De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan ook wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten worden ontnomen als voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Buiten redelijke twijfel moet vaststaan dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd.

Het hof is, in tegenstelling tot het standpunt van de advocaat-generaal, van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt niet wat er met de cocaïne is gebeurd. Het is onduidelijk of er een transport heeft plaatsgevonden, wie bij de totstandkoming daarvan betrokken zijn geweest en wie daar dan eventueel voordeel uit zou hebben genoten. Het hof zal de ontnemingsvordering daarom afwijzen voor zover die ziet op transport 5.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 6

Transport 6 behoeft geen nadere bespreking nu de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de ontnemingsvordering ten aanzien van dit transport in lijn met de beslissing van de rechtbank wordt afgewezen. Het hof ziet geen reden daarvan af te wijken.

Conclusie wederrechtelijk verkregen voordeel

Al het voorgaande leidt tot de volgende berekening van het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene:

transport 1: € 183.904,68

transport 2: € 9.042,25

transport 4: € 292.814,51

Totaal: € 485.761,44

Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op een bedrag van € 485.761,44.

Anders dan door de raadsman betoogd, is het hof, gelet op de rol die betrokkene heeft gespeeld bij het tot stand brengen van de transporten, het risico dat betrokkene hiermee nam doordat vrijwel alle handel bij hem opgeslagen was en hij deze ook vervoerde, alsmede de hoeveelheid en de waarde van deze handel, van oordeel dat niet onaannemelijk is dat betrokkene een voordeel van voornoemd bedrag heeft genoten. Dat er geen grote geldbedragen of dure voorwerpen bij betrokkene zijn aangetroffen, maakt dit oordeel van het hof niet anders.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof gaat er op grond van wat op de zitting in hoger beroep naar voren is gebracht over de persoonlijke omstandigheden en draagkracht van betrokkene vanuit dat hij in staat zal zijn om (in de toekomst) aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Het hof ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen. Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op hetzelfde bedrag als waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, te weten € 485.761,44.

7. Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e Sr, welk voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van onderhavige procedure.

8. BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 485.761,44 (vierhonderdvijfentachtigduizend zevenhonderdeenenzestig euro en vierenveertig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 485.761,44 (vierhonderdvijfentachtigduizend zevenhonderdeenenzestig euro en vierenveertig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Deze beslissing is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand