Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004399-23
Uitspraakdatum: 29 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats [plaats 1] , van 8 september 2023 met parketnummer 18-222214-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het BRP-adres [adres 1] (Spanje).
1. Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank.
2. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van het hof van 7 en 9 april 2026 en op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 10 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsvrouw,
mr. N.J.H. Lina, is aangevoerd.
3. Het vonnis
4. Tenlastelegging
3. primair
3. subsidiair
De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en vrijgesproken van het onder 3 primair ten laste gelegde.
Het hof komt in dit arrest tot een (deels) andere bewijsbeslissing, kwalificatie en strafoplegging dan de rechtbank. Het hof zal het vonnis van de rechtbank daarom vernietigen en opnieuw rechtdoen. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van het bewijs grotendeels op de juiste wijze heeft beslist en overwogen. Het hof zal daarom grote delen van het vonnis van de rechtbank, met enige aanpassingen, overnemen.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen en/of Duitsland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
a. a) (ZD-001, Noorwegen)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 tot en met 11 april 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of methamfetamine, (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
b) (ZD-002, [plaats 4] 1)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] en/of elders in Duitsland,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of amfetamine, (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
c) (ZD-005, [plaats 4] 2)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 29 mei tot en met 12 juni 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 4] en/of elders in Duitsland,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
3,2 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 6] en/of [plaats 7] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen en/of Duitsland en/of Spanje, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
a. a) (ZD-001, Noorwegen)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 tot en met 11 april 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland en/of Noorwegen,
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer
15,5 kilogram hasjiesj, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
en/of
b) (ZD-002, [plaats 4] 1)
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of [plaats 4] en/of elders in Duitsland,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
1,45 kilogram hennep, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
c) (ZD-003, Spanje- [plaats 6] )
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland en/of [plaats 7] en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
527 kilogram hennep en/of 108 kilogram hasjiesj, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
en/of
d) (ZD-004, Spanje- [plaats 7] )
(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 14 tot en met 28 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 7] en/of elders in Nederland en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje,
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
240 kilogram hennep, althans een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of (delen van) hennepplanten, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(ZD-003, [plaats 6] -Spanje)
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, en/of vervoerd en/of geleverd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig gehad, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer)
48 kilogram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, althans van 1 maart 2020 tot en met 12 juni 2020, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 6] en/of elders in Nederland en/of [plaats 8] en/of (elders) in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van (in totaal) (ongeveer) 48 kilogram cocaïne, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
immers heeft verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen, opzettelijk
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
Het gebruik van de EncroChat-berichten voor het bewijs
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de EncroChat-berichten voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Hiertoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de berichten te twijfelen. Dat wat in de door de raadsvrouw aangevoerde uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 30 april 2024 en van andere rechters in Europa is geoordeeld over de toepassing van artikel 31 van de Richtlijn 2014/41/EU (hierna: de Richtlijn) maakt dit niet anders. Voornoemd artikel geldt namelijk niet voor situaties als de onderhavige waarin sprake is van een Joint Investigation Team-overeenkomst (hierna: JIT-overeenkomst). In het verlengde hiervan heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van de ruwe datasets van de EncroChat-berichten in het dossier niet tot gevolg dient te hebben dat de EncroChat-berichten van het bewijs moeten worden uitgesloten, dan wel dat de zaak aangehouden moet worden om een en ander alsnog te laten uitzoeken. Ter verdere onderbouwing van dit standpunt verwijst de advocaat-generaal naar zijn schriftelijk ingenomen standpunt van 1 augustus 2024 en de beslissing van de raadsheer-commissaris van 13 december 2024 met betrekking tot de afwijzing van de door de verdediging geformuleerde onderzoekswens strekkende tot het toevoegen van de ruwe datasets aan het dossier.
Het gebruik van het proces-verbaal van bevindingen met documentcode JM143 voor het bewijs
Ten aanzien van het proces-verbaal met nummer JM143 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat dit ook voor het bewijs gebruikt kan worden. Hiertoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat dit een proces-verbaal van bevindingen betreft dat op ambtsbelofte is opgemaakt door de verbalisant. In dit proces-verbaal heeft de verbalisant de onderliggende (EncroChat-)gegevens die voor haar beschikbaar waren, geanalyseerd en samengevat. Ook zonder deze onderliggende gegevens kan van de inhoud van dit proces-verbaal worden uitgegaan. Er is geen enkele reden om aan de inhoud ervan te twijfelen en het dossier biedt ook geen enkel aanknopingspunt voor twijfel hierover. Bovendien zijn er naast dit proces-verbaal nog andere aanwijzingen in het dossier die de inhoud van het proces-verbaal bevestigen. Een en ander maakt volgens de advocaat-generaal dat ook het voorwaardelijke aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw in dit kader, afgewezen dient te worden. Enig nader onderzoek op dit punt is namelijk niet noodzakelijk voor de afdoening van onderhavige strafzaak.
Bewijs van de ten laste gelegde feiten
5.1.3.1. Identificatie van verdachte als [accountnaam 1]
De advocaat-generaal heeft zich met betrekking tot de identificatie van verdachte op het standpunt gesteld dat hij conform het vonnis van de rechtbank kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam 1] ’. In aanvulling op dat wat de rechtbank op dit punt heeft overwogen verwijst de advocaat-generaal naar het requisitoir van de officieren van justitie in eerste aanleg.
5.1.3.2. Bewijsminimum
De advocaat-generaal heeft zich verder op het standpunt gesteld dat aan het bewijsminimum is voldaan in de onderhavige zaak. De stelling dat meerdere (EncroChat-)berichten uit één telefoon slechts als één bewijsmiddel kunnen worden gezien omdat die berichten uit dezelfde telefoon (en dus dezelfde ‘bron’) komen, vindt geen steun in het recht. Verder zijn de EncroChat-berichten niet het enige bewijs dat voorhanden is in onderhavige zaak. De berichten worden ondersteund en bevestigd door andere bewijsmiddelen in het dossier. Zo is een van de drugstransporten waarover wordt gesproken in de berichten onderschept door de politie in [plaats 7] .
5.1.3.3. Het onder 1 en 2 ten laste gelegde
Ten aanzien van het bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze feiten in lijn met de beslissing van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
5.1.3.4. Het onder 3 primair ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal zich (in tegenstelling tot de beslissing van de rechtbank) op het standpunt gesteld dat de primaire variant wettig en overtuigend bewezen kan worden. In dit kader heeft de advocaat-generaal primair gesteld dat sprake is geweest van verlengde uitvoer doordat uit het dossier blijkt dat de blokken cocaïne vanuit de opslag in [plaats 2] in een auto (de Smart) zijn gestopt en naar [plaats 6] zijn vervoerd alwaar die ten vervoer met bestemming [plaats 8] , althans Spanje, zijn aangeboden aan de beoogde chauffeur(s). Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat ook indien de blokken cocaïne uiteindelijk niet in [plaats 6] zijn aangekomen, of zelfs in de opslag in [plaats 2] zijn gebleven, er sprake is geweest van het ten vervoer met bestemming buitenland aanbieden van de drugs. Dit omdat het ging om buitenlandse chauffeurs die weer zouden terugrijden naar Spanje die werden gevraagd de cocaïne daarbij mee te nemen. Dat de cocaïne uiteindelijk niet werd meegenomen, doet niet af aan een voltooide verlengde uitvoer. Meer subsidiair heeft de advocaat-generaal gesteld dat het onder 3 primair ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen kan worden indien het hof van oordeel is dat geen sprake is van verlengde uitvoer. Onder 3 primair is namelijk ook het vervoer en/of het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs ten laste gelegd, wat (eveneens) op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
Bewijsuitsluitingsverweren
5.2.1.1. EncroChat-berichten uitsluiten van het bewijs
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de EncroChat-berichten uitgesloten dienen te worden van het bewijs met als gevolg dat verdachte van het onder 1, 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt hoe de EncroChat-database precies is samengesteld en wat de oorspronkelijke context en bron van de berichten is geweest. Hierdoor kunnen de EncroChat-berichten niet door de verdediging op betrouwbaarheid worden gecontroleerd. Het verzoek van de verdediging in dit kader, strekkende tot het toevoegen aan het dossier van de ruwe datasets van de EncroChat-berichten, is zowel door de raadsheer-commissaris als door het hof afgewezen. Dit terwijl dat wat het Hof van Justitie in zijn uitspraak van 30 april 2024 heeft overwogen over de toepassing van artikel 31 van de Richtlijn tot een ander oordeel dient te leiden. Zo zijn buitenlandse rechtbanken in met de onderhavige zaak vergelijkbare gevallen ook tot de conclusie gekomen dat de betrouwbaarheid van de aanvankelijk beschikbaar gestelde datasets niet getoetst kon worden indien de verdediging niet beschikte over de ruwe datasets, dat de ruwe datasets (nadat deze beschikbaar waren gesteld) niet identiek waren aan de eerder beschikbaar gestelde datasets en/of dat (daarom) tot bewijsuitsluiting dient te worden overgegaan. In de onderhavige zaak is onderzoek of inzage naar/in de ruwe EncroChat-datasets van belang om vast te stellen in hoeverre de overgenomen EncroChat-berichten, inclusief tijd en datum, authentiek zijn en dus betrouwbaar. Dit raakt de zaak in de kern omdat de EncroChat-berichten één op één voor het bewijs worden gebruikt zonder dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om dit bewijs op betrouwbaarheid te toetsen. Een en ander leidt tot een schending van artikel 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Voorwaardelijk verzoek
Voor zover het hof de EncroChat-berichten toch voor het bewijs zou willen gebruiken, doet de raadsvrouw, gelet op het voorgaande, een aanhoudingsverzoek zodat er onderzoek gedaan kan worden naar de ruwe datasets van de EncroChat-berichten. Dit om een antwoord te kunnen geven op de vragen hoe de dataset is samengesteld (i) en of sprake is van een betrouwbare inhoud daarvan (ii).
5.2.1.2. Proces-verbaal met nummer JM143 uitsluiten van het bewijs
De raadsvrouw heeft zich verder (onder meer) op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal met het nummer JM143 uitgesloten dient te worden van het bewijs. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat dit proces-verbaal verwijst naar meerdere mutaties die niet in het dossier zitten waardoor deze niet door de verdediging kunnen worden gecontroleerd. Dit terwijl ogenschijnlijk op basis van deze mutaties wordt vastgesteld dat verdachte degene is geweest die in de betreffende auto zat en die gebruiker is geweest van het EncroChat-toestel met IMEI-nummer [nummer] . Verder blijkt uit dit proces-verbaal (of uit de rest van het dossier) ook niet hoe het IMEI-nummer gekoppeld zou zijn aan het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam 1] ’, waar de ‘top100 countries’ en top100 cities’ te vinden zijn en wat het onderlinge gesprek was tussen de EncroChat-accounts met de namen ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 3] ’ en de overige EncroChat-accounts die genoemd worden in het proces-verbaal.
Voorwaardelijk verzoek
Voor zover het hof het proces-verbaal met nummer JM143 niet van het bewijs zal uitsluiten, doet de raadsvrouw een aanhoudingsverzoek zodat de desbetreffende onderliggende stukken aan het dossier toegevoegd kunnen worden en de verdediging een en ander kan controleren. Hetzelfde verzoek doet de raadsvrouw ten aanzien van het proces-verbaal van verdenking met nummer JM116-01.
Overige standpunten ten aanzien van het bewijs
5.2.2.1. Bewijsminimum
Voor zover het voorgaande niet zal leiden tot bewijsuitsluiting heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1, 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde omdat, ook wanneer niet tot bewijsuitsluiting zal worden overgegaan, niet is voldaan aan het bewijsminimum. Het bewijs in de onderhavige zaak stoelt namelijk enkel op de EncroChat-berichten.
5.2.2.2. Standpunt van de verdediging ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde
Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich, voor zover haar overige verweren niet zullen slagen, op het standpunt gesteld dat verdachte, in lijn met de overweging van de rechtbank, vrijgesproken dient te worden van dit feit.
Oordeel van het hof
Gebruik van de EncroChat-berichten voor het bewijs
5.3.1.1. Inleiding
Het Openbaar Ministerie liep in strafrechtelijke onderzoeken regelmatig tegen afgeschermde communicatie via EncroChat-toestellen aan. Datzelfde gold voor opsporingsdiensten in andere Europese landen, waaronder Frankrijk, waar de server van EncroChat zich bevond.
Om dit probleem te ondervangen werd op 30 januari 2020 door de Franse rechter toestemming gegeven voor het plaatsen van een interceptietool (een hack) op de server van EncroChat. Deze interceptietool beoogde informatie te verzamelen die op de EncroChat-telefoons waren opgeslagen. Op 10 februari 2020 startte het Openbaar Ministerie het onderzoek ‘26Lemont’, dat zich onder meer richtte op EncroChat. Binnen dit onderzoek is een JIT-overeenkomst gesloten met Frankrijk. Hierin is overeengekomen dat de verkregen informatie naar aanleiding van de hack – waaronder de onderschepte EncroChat-data – binnen het JIT zou worden gedeeld. In de periode van 1 april 2020 tot en met 14 juni 2020 zijn door middel van de interceptietool live data vanuit EncroChat-telefoons verzameld door de Franse autoriteiten. Deze data zijn vervolgens gedeeld met de JIT-partner Nederland.
Vanuit het onderzoeksteam 26Lemont werd in juni 2020 middels een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen informatie verschaft inhoudend dat medeverdachte [medeverdachte 1] een opslagplaats beheerde met verdovende middelen en transporten van verdovende middelen regelde. Naar aanleiding van dit proces-verbaal werd onder onderzoeksnaam ‘Zebra’ een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Uit de onderschepte EncroChat-gesprekken binnen dit onderzoek konden vijf transporten van verdovende middelen vanuit of naar het buitenland worden gefilterd. Tien personen werden aangemerkt als verdachte en vier van hen zijn door de rechtbank bij vonnis van 8 september 2023 veroordeeld. Drie van deze verdachten, waaronder verdachte, zijn in hoger beroep gegaan tegen het vonnis. De verdenking jegens deze drie verdachten berust in belangrijke mate op de EncroChat-berichten in het dossier die door het Openbaar Ministerie aan hen worden toegeschreven.
5.3.1.2. Gebruik van het EncroChat-bewijsmateriaal
Ten aanzien van de EncroChat-berichten heeft de raadsvrouw gesteld dat uit het politiedossier onvoldoende duidelijk blijkt hoe deze berichten precies zijn verzameld en samengesteld en wat de oorspronkelijke context en bron van de berichten is geweest. Hierdoor kunnen de EncroChat-berichten niet door de verdediging (op betrouwbaarheid) worden gecontroleerd. Volgens de raadsvrouw maakt dit dat sprake is van een schending van artikel 6 en 8 EVRM en de berichten van het bewijs moeten worden uitgesloten. Voor zover het hof de berichten toch voor het bewijs wil gebruiken, heeft de raadsvrouw het hof verzocht de zaak aan te houden om nader onderzoek te (laten) doen naar de ruwe EncroChat-datasets. Ter onderbouwing hiervan heeft zij gewezen op de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 april 2024 omtrent de toepassing van artikel 31 van de Richtlijn en uitspraken van andere rechters uit Europese landen in dit kader.
Vertrouwensbeginsel
Het hof stelt op grond van de gang van zaken zoals weergegeven in sub-paragraaf 5.3.1.1 (de inleiding) dat de EncroChat-data zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van buitenlandse (Franse) autoriteiten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest. Dit wordt door de raadsvrouw ook niet betwist.
Dit maakt dat in dit geval, op grond van bestendige jurisprudentie, het vertrouwensbeginsel geldt. Uit deze jurisprudentie volgt namelijk dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop een onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek (met andere woorden: of het onderzoek rechtmatig is geweest). Nederlandse autoriteiten mogen er dus op vertrouwen dat het onderzoek van de buitenlandse autoriteiten strookt met de rechtsregels die in dat land gelden voor dat onderzoek (het vertrouwensbeginsel). Een en ander is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dezen ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Artikel 8 EVRM
Vorengenoemd vertrouwensbeginsel (ten aanzien van de rechtmatigheid van het bewijs) brengt met zich mee dat het hof er vanuit dient te gaan dat het onderzoek van de Franse autoriteiten strookt met de rechtsregels die in Frankrijk gelden voor dat onderzoek en dat daarmee de interceptie, verzameling en samenstelling van de EncroChat-berichten in Frankrijk op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden. Het tegendeel is niet in Frankrijk onherroepelijk in rechte komen vast te staan. Voor zover het verweer van de raadsvrouw inhoudt dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM omdat uit het dossier niet blijkt hoe de EncroChat-database precies is samengesteld en niet kan worden getoetst of het onderzoek in lijn met voornoemd artikel is verricht, kan dit verweer daarom niet slagen. Daarbij komt dat de raadsvrouw haar verweer op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd in het licht van de feiten en omstandigheden van de onderhavige strafzaak.
Betrouwbaarheid van het EncroChat-bewijsmateriaal en artikel 6 EVRM
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van het door middel van het in Frankrijk uitgevoerde onderzoek verkregen bewijsmateriaal geldt het vertrouwensbeginsel, zoals hierboven uiteengezet, ook. Uit het toetsingskader van de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 volgt in dit kader dat de rechter tot uitgangspunt mag nemen dat het onderzoek op zodanige wijze is verricht dat de door dat onderzoek verkregen resultaten betrouwbaar zijn, indien resultaten zijn verkregen onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten (hetgeen, zoals hiervoor genoemd, in de onderhavige zaak aan de orde is). Vanzelfsprekend is dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar acht. Dit brengt met zich mee dat de rechter gehouden is de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten te onderzoeken als er – al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer – concrete aanwijzingen zijn op grond waaraan aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten zou kunnen worden getwijfeld. Daartoe kan de rechter bijvoorbeeld – met tussenkomst van het Openbaar Ministerie – nadere informatie inwinnen over de wijze waarop het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is verlopen en de (procedurele) waarborgen die daarbij in acht zijn genomen; een en ander voor zover dat voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door die autoriteiten verkregen resultaten van belang is. Deze plicht tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de resultaten hangt samen met het op grond van artikel 6 EVRM aan een verdachte toekomende recht om de authenticiteit en de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten en zich tegen het gebruik ervan te verzetten.
In dit kader constateert het hof dat door de raadsvrouw geen concrete aanwijzingen met betrekking tot de onderhavige zaak zijn aangevoerd op grond waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek van de Franse autoriteiten. De uitspraak van het Hof van Justitie van 30 april 2024 en de uitspraken van de buitenlandse rechters die de raadsvrouw heeft aangehaald, hebben betrekking op andere zaken, met andere omstandigheden dan de onderhavige zaak en leveren daarmee geen mogelijke aanwijzingen op die twijfel zouden kunnen zaaien over de betrouwbaarheid van het onderhavige onderzoek. Bovendien houden de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraken verband met de toepassing van artikel 31 van de Richtlijn, terwijl het hof van oordeel is dat uit artikel 3 van de Richtlijn, en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) over het Europees onderzoeksbevel, volgt dat onderzoeksactiviteiten van een JIT (zoals in de onderhavige zaak aan de orde) nadrukkelijk niet onder het bereik van de Richtlijn vallen. Hierdoor vindt artikel 31 van de Richtlijn in de onderhavige zaak geen toepassing. Bovendien biedt het dossier voor het overige ook geen enkel aanknopingspunt op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van het onderzoek en daarmee aan de betrouwbaarheid van het aldus verkregen bewijsmateriaal dient te worden getwijfeld.
Om te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, is door de rechter-commissaris te Rotterdam op 27 maart 2020 een beschikking afgegeven op grond van artikel 126uba, lid 1 sub a, b, c en d Sv. Op basis van deze verkregen machtiging heeft de officier van justitie een bevel afgegeven om de verkregen informatie te analyseren binnen de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden.
Het hof ziet dan ook, gelet op het hiervoor overwogene, in al hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd, het verhandelde ter terechtzitting en het dossier geen aanwijzingen dat er een inbreuk is gemaakt op het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Dit brengt met zich mee dat het verweer van de raadsvrouw strekkende tot bewijsuitsluiting van de EncroChat-berichten niet kan slagen.
Voorwaardelijk verzoek
Het hiervoor overwogene leidt er eveneens toe dat het hof geen noodzaak ziet tot het doen van nader onderzoek ten aanzien van de ruwe datasets zoals door de raadsvrouw (voorwaardelijk) is verzocht. In aanvulling op het hiervoor overwogene verwijst het hof hiertoe ook naar wat de raadsheer-commissaris in zijn beslissing van 13 december 2024 heeft overwogen naar aanleiding van ditzelfde verzoek in onvoorwaardelijke zin gedaan door de verdediging bij appelschriftuur. Het hof kan zich hiermee verenigen, neemt de overwegingen van de raadsheer-commissaris over en maakt deze tot de zijne.
De overwegingen van de raadsheer-commissaris luidde als volgt:
Om te beginnen wijs ik op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:900) in zijn beoordeling van het tweede cassatiemiddel heeft overwogen:
“4.4.2
Het door de verdediging gedane verzoek “alle Ennetcom-data (...) door het openbaar ministerie (...) te doen verstrekken aan de verdediging, althans daarin inzage te doen bieden ter selectie en eventuele voeging daarvan in het procesdossier, teneinde de door het openbaar ministerie gepresenteerde berichten op hun volledigheid en context te kunnen beoordelen in ontlastende zin ten behoeve van de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding en de door het hof in dat kader te nemen beslissingen”, is door het hof - mede gelet op het verzoek van de verdediging om “het dossier (...) door het openbaar ministerie te doen completeren met voornoemde ontbrekende stukken” - niet onbegrijpelijk opgevat als een verzoek tot voeging van “alle Ennetcom-data” bij de (proces)stukken als bedoeld in artikel 328 Sv, althans tot het bieden van de gelegenheid aan de verdediging tot inzage daarvan.
4.4.3
Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken. (Vgl. HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218.)
De verdediging kan - mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM
gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier - een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. (...)
4.5(...)
De oordelen van het hof berusten, gelet op wat onder 4.4.3 is vooropgesteld, niet op een onjuiste rechtsopvatting en zijn, mede in aanmerking genomen dat door de verdediging in de kern niet meer aan de verzoeken ten grondslag is gelegd dan dat de Ennetcom-data “mogelijk” ontlastende gegevens bevatten, niet onbegrijpelijk.”
Daarnaast is van belang dat de verdediging op grond van (de rechtspraak van het EHRM over) artikel 6 EVRM weliswaar in beginsel het recht heeft om toegang te verkrijgen tot al het materiaal dat zowel ten nadele als ten gunste van de verdachte kan worden gebruikt - waarbij het niet alleen gaat om “material evidence”, maar ook om “other evidence that might relate to the admissibility, reliabilily and and completeness of the evidence” - maar dat dat recht niet absoluut is. Ten eerste is dit recht op toegang onderhevig aan beperkingen die worden gevonden in andere belangen, waaronder de noodzaak tot het beschermen van getuigen, (zwaarwegende) opsporingsbelangen en het recht op privacy van betrokkenen. Ten tweede mag van de verdediging worden verwacht dat zij, waar het gaat om verzochte toegang tot databestanden, gemotiveerd duidelijk maakt welke zoekacties relevant kunnen zijn. Het zo
mogelijk voorkomen van ‘fishing expeditions” vormt onder omstandigheden een nadere beperking van dit recht op toegang. (Vgl. Gerechtshof [plaats 9] 28 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2199, met daarin verwijzingen naar de uitspraken van het EHRM in de zaken [naam 1] /Verenigd Koninkrijk, [naam 2] /Kroatië en [naam 3] e.a./IJsland.)
De advocaat-generaal heeft gemotiveerd aangegeven welke bezwaren bestaan tegen verstrekking van de verdediging van alle Encrochat-data. Die bezwaren zien onder meer op de bescherming van de privacy en veiligheid van anderen. Voorts heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat het zaaks-Openbaar Ministerie in dit onderzoek ook geen inzage heeft in de ruwe dataset.
Gelet op het voorgaande en nu de verdediging ten aanzien van de door haar gewenste verzoek niet meer heeft aangevoerd dan om te “toetsen hoe de datasets zijn samengesteld en of deze rechtmatig zijn verzameld.” Is – indachtig het recht op een eerlijk proces – de noodzaak van de toewijzing van het verzoek niet gebleken. Het verzoek wordt daarom door mij afgewezen.
Gebruik van het proces-verbaal met nummer JM143 voor het bewijs
Ten aanzien van het proces-verbaal met nummer JM143 heeft de raadsvrouw gesteld dat dit proces-verbaal uitgesloten dient te worden van het bewijs. Dit omdat hierin wordt verwezen naar mutaties die niet in het dossier zitten, uit het dossier niet precies blijkt hoe het betreffende IMEI-nummer gekoppeld zou zijn aan het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam 1] ’, waar de ‘top100 countries’ en top100 cities’ te vinden zijn en wat het onderlinge gesprek was tussen de EncroChat-accounts met de namen ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 3] ’ en de overige EncroChat-accounts die genoemd worden in het proces-verbaal. Met betrekking tot dit laatste punt verwijst het hof naar hetgeen hierboven in sub-paragraaf 5.3.1.2 is overwogen ten aanzien van (het gebruik voor het bewijs van) de EncroChat-berichten in het dossier. Voor het overige overweegt het hof ten aanzien van dit verweer van de raadsvrouw als volgt.
Het hof stelt, in lijn met het standpunt van de advocaat-generaal, voorop dat het hier gaat om een proces-verbaal dat door een politieambtenaar op ambtsbelofte is opgemaakt naar aanleiding van de haar beschikbare onderliggende informatie. De raadsvrouw heeft geen concrete redenen aangevoerd op grond waarvan aan de inhoud van dit proces-verbaal zou moeten worden getwijfeld. Het dossier biedt hier ook geen aanknopingspunten voor. Bovendien zijn de politiemutaties en het betreffende IMEI-nummer niet de enige elementen uit het proces-verbaal die het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam 1] ’ aan verdachte (kunnen) linken. Het hof verwijst in dit kader naar wat het hof hierover hierna overweegt in sub-paragraaf 5.3.3.2. (identificatie van verdachte als [accountnaam 1] ).
Voorwaardelijk verzoek
Een en ander maakt dat het hof het (laten) verrichten van nader onderzoek naar de achterliggende informatie op basis waarvan het proces-verbaal tot stand is gekomen niet noodzakelijk acht. Het voorwaardelijk gedane verzoek van de raadsvrouw in dit kader zal dan ook worden afgewezen. Nu het hof het proces-verbaal van verdenking (JM116-10) niet voor het bewijs gebruikt, is niet voldaan aan de voorwaarde van het aanvullende verzoek tot nader onderzoek, zodat het hof daarop geen beslissing hoeft te nemen.
Beoordeling van het bewijs
5.3.3.1. Inleiding
De verdenking jegens verdachte berust in belangrijke mate op chatberichten van het EncroChat-account ‘ [accountnaam 1] ’, welk account door het Openbaar Ministerie aan verdachte wordt toegeschreven. Het hof zal daarom eerst de vraag beantwoorden of op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte de gebruiker is geweest van dit account. Daarna zal het hof ingaan op de vraag of voldaan is aan het bewijsminimum en of het hof al dan niet overtuigd is van het daadwerkelijk plaatsvinden van de ten laste gelegde transporten en de rol van verdachte hierbij, zoals die uit de EncroChat-gesprekken naar voren komen. Tot slot zal het hof (op basis van het voorgaande) de vraag beantwoorden of en in hoeverre de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.
Het hof overweegt, op grond van de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, als volgt.
5.3.3.2. Identificatie van verdachte als [accountnaam 1]
Uit een mutatie in de basisvoorziening handhaving blijkt dat verdachte op 5 mei 2020 is gecontroleerd als bestuurder van een grijze Opel Astra+, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] , die op dat moment geparkeerd stond aan [straatnaam] te [plaats 9] , ter hoogte van de horecagelegenheid ‘ [bedrijf 1] ’. In het voertuig bevond zich nog een ander persoon. Het geregistreerde tijdstip is 17:54 uur (UTC+2).
Op dezelfde datum (5 mei 2020) wordt in een EncroChat-gesprek tussen [accountnaam 1] en een andere gebruiker gesproken over een ontmoeting tussen hen beiden. In dat gesprek stuurt de andere gebruiker naar [accountnaam 1] : “In 17.00 in [bedrijf 2] you confirm?”, waarop [accountnaam 1] antwoordt: “Oke bro”, “Nee [bedrijf 1] ”. [accountnaam 1] geeft aan in een grijze Opel Astra te zitten, dat er “2person in the car bro” zitten en dat hij “at front [bedrijf 1] ” staat. Later in het gesprek geeft [accountnaam 1] aan dat [bedrijf 1] “Is ckub in ams”. Om 16:12 (UTC) stuurt [accountnaam 1] het volgende bericht: “I aas wsiting here to long they syop me”.
Het hof constateert op basis hiervan dat tussen enerzijds de mutatie van de controle van verdachte en anderzijds de berichten tussen [accountnaam 1] en de andere gebruiker zeer sterke overeenkomsten bestaan. Het hof komt tot die constatering gelet op de datum (5 mei 2020), het kleine verschil in tijd tussen het tijdstip van de controle en het tijdstip waarop [accountnaam 1] laat weten dat hij is gestopt (15:54 UTC en 16:12 UTC), de locatie ( [bedrijf 1] te [plaats 9] ), de kleur en het type voertuig (grijze Opel Astra) en het aantal personen in het voertuig (twee).
Uit een registratie in de basisvoorziening handhaving blijkt voorts dat verdachte op 7 mei 2020 om 01:39 uur (UTC+2) in een grijze Opel Astra+ met kenteken [kenteken] is geverbaliseerd voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op [adres 2] .
Uit een gesprek tussen [accountnaam 1] en een andere gebruiker blijkt dat [accountnaam 1] op dezelfde datum (7 mei 2020) om 23:39 uur (UTC) stuurt: “ok broer ben rijden”. Verder blijkt uit de geolocaties van het IMEI-nummer waar [accountnaam 1] gebruik van maakte dat het toestel zich op 7 mei 2020 om 01:39 uur (UTC+2) bevindt op een plek waarvan de coördinaten overeenkomen met de [adres 3] ter hoogte van [plaats 10] .
Het hof constateert in dit kader dat de locatie waar verdachte op 7 mei 2020 is geverbaliseerd en het tijdstip waarop dat is gebeurd, overeenkomt met het door [accountnaam 1] gestuurde bericht dat hij aan het rijden was en met de locatiegegevens van het IMEI-nummer waar [accountnaam 1] gebruik van maakte.
Uit de EncroChat-gesprekken tussen [accountnaam 1] en misterlargo en [accountnaam 3] zoals opgenomen in het dossier blijkt verder dat sprake is van een gezinsband tussen [accountnaam 1] en deze EncroChat-gebruikers. [accountnaam 1] en deze andere EncroChat-gebruikers refereren namelijk aan elkaar en/of zichzelf in de berichten als “(mijn) broer” en “jij bent mijn bloed”, “ [naam 4] ” en/of “ [naam 5] ”. Ook benoemen zij hun moeder en/of andere familieleden. Uit onderzoek blijkt dat verdachte twee broers heeft die [naam 5] en [naam 4] heten.
Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account met de naam ‘ [accountnaam 1] ’. Het hof overweegt dat het dossier geen enkele aanwijzing voor het tegendeel bevat. Verdachte heeft zelf ook geen alternatief scenario naar voren gebracht of aangegeven wat hiervan niet juist zou zijn. De raadsvrouw heeft in haar pleidooi aangevoerd dat verdachte zich bereid heeft getoond om gehoord te worden, maar dat het hier nooit van is gekomen. Het hof stelt evenwel vast dat verdachte meer dan genoeg gelegenheid heeft gehad om de conclusie dat hij schuilging achter voornoemd account, te ontzenuwen of te ontkrachten. Verdachte heeft echter nagelaten zich (in persoon) te melden bij de politie en is ook niet verschenen op de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in eerste aanleg en in hoger beroep.
5.3.3.3. Bewijsminimum en de overtuiging van het hof
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er niet voldaan is aan het bewijsminimum omdat het bewijs in deze zaak enkel is gestoeld op EncroChat-bewijsmateriaal. In deze sub-paragraaf zal het hof ingaan op dit verweer van de raadsvrouw. In het verlengde hiervan ziet het hof zich ook voor de vraag gesteld of op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de in sub-paragraaf 5.3.3.4 van dit arrest beschreven drugstransporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en aldus niet op fictie zijn gebaseerd.
Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot het bewijsminimum merkt het hof in zijn algemeenheid op dat het van oordeel is dat de stelling dat het totaal aan EncroChat-berichten slechts als één bewijsmiddel moet worden gezien, geen steun vindt in het recht. Het hof is van oordeel dat de transcripties van de chatgesprekken meerdere bewijsmiddelen opleveren, nu het gaat om legio gesprekken op meerdere data met verschillende EncroChat-gebruikers over verschillende onderwerpen. Daarbij komt dat er afbeeldingen zijn verstuurd die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen. Het voorgaande neemt niet weg dat het hof zal ingaan op de vraag of het voldoende overtuigd is van het al dan niet daadwerkelijk plaatsvinden van de ten laste gelegde drugstransporten.
Uit hetgeen hieronder is weergegeven in sub-paragraaf 5.3.3.4 volgt dat de politie blijkens de EncroChat-berichten op 28 mei 2020 een inval in een loods in [plaats 7] heeft gedaan. Bij de inval is 240 kilo hennep in beslag genomen en zijn drie personen aangehouden voor overtreding van de Opiumwet. Hierop is een strafrechtelijk onderzoek verricht, waaraan de naam ‘NIRO’ is gegeven. De bevindingen inzake onderzoek NIRO, zoals die in het onderhavige procesdossier zijn opgenomen, sluiten één op één aan bij de EncroChat-berichten zoals die in sub-paragraaf 5.3.3.4 zijn weergegeven. Anders dan de raadsvrouw stelt, is er dus ook sprake van bewijs dat niet enkel verband houdt met EncroChat-berichten. Er is immers sprake geweest van een daadwerkelijk onderschept transport, waarbij ook daadwerkelijk sprake was van drugs. De details hiervan komen precies overeen met de inhoud van de daarop betrekking hebbende EncroChat-berichten. Om deze reden bestaat er geen reden om te betwijfelen dat de andere beschreven drugstransporten – waarbij (grotendeels) dezelfde EncroChat-gebruikers een rol hebben gespeeld – (eveneens) zouden hebben plaatsgevonden op de manier zoals die uit de berichten naar voren komt.
Daar komt bij dat het dossier ook andere aanwijzingen bevat waaruit kan volgen dat de EncroChat-berichten een waarheidsgetrouwe weergave vormen van hetgeen heeft plaatsgevonden en die de betrokkenheid van verdachte daarbij ondersteunen. Uit hetgeen is weergegeven in sub-paragraaf 5.3.3.2 (over de identificatie van verdachte) volgt dat door verdachte verstuurde EncroChat-berichten bevestiging vinden in concrete gebeurtenissen, te weten de registraties in de politiesystemen van 5 en 7 mei 2020. Daarnaast geldt dat bij een doorzoeking in de garage bij de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] twee verborgen ruimtes aangetroffen zijn in de vloer, welke qua formaat, positie en omgeving overeenkomen met een foto die op 13 mei 2020 door verdachte aan een andere EncroChat-gebruiker is gestuurd. Het hof wijst er tot slot (nogmaals) op dat verdachte in het geheel geen verklaring heeft afgelegd en er is dus ook geen concreet alternatief scenario aan het hof is voorgelegd dat tot andere conclusies noopt.
Het hiervoor overwogene maakt dat het hof overtuigd is dat de uiteenzetting van de transporten en de rol die verdachte daarbij heeft gehad zoals weergegeven in sub-paragraaf 5.3.3.4 in overeenstemming is met hetgeen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
5.3.3.4. Transporten en de rol van verdachte hierbij blijkens de EncroChat-berichten
5.3.3.4.1. Transport ZD-001, Nederland-Noorwegen (feit 1 en 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 9 april 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Noorwegen. Het treffen van voorbereidingen voor het transport begon op 2 april 2020 en in de dagen voorafgaand aan het transport werden de drugs door diverse binnenlandse transporten (onder andere vanuit [plaats 1] ) samengebracht op een opslaglocatie in [plaats 2] . Vanuit [plaats 2] zijn de drugs naar [plaats 3] gebracht, waar deze vervolgens zijn ingeladen in een vrachtwagen. Er zijn in totaal 8 kilo cocaïne, 40.000 pillen XTC, 30 kilo MDMA, 60 kilo amfetamine, 2 kilo methamfetamine en 15,5 kilo hasjiesj geëxporteerd naar Noorwegen. Op 11 april 2020 vond de financiële afwikkeling plaats.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit het geheel aan chats volgt dat verdachte een initiërende en organiserende rol heeft gehad bij het transport, waarbij hij veelvuldig contact heeft onderhouden met allerlei andere EncroChat-gebruikers, waaronder ‘ [accountnaam 4] ’ (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 1] ) en ‘ [accountnaam 5] ’ (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 2] ). Verdachte stemde het transport af met de Noorse afnemer ‘ [naam 6] ’, met wie hij van begin tot eind contact onderhield over de gang van zaken. Daarnaast had verdachte onder meer contact met [medeverdachte 1] over het opslaan van de handel in [plaats 2] , gaf hij laatstgenoemde instructies voor het verpakken van de handel en stuurde hij hem aan bij het transport van de handel naar [plaats 3] .
5.3.3.4.2. Transport ZD-002, Nederland- [plaats 4] 1 en [plaats 5] (feit 1 en 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 30 april 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Duitsland. Op 30 april 2020 werd een lading afgegeven in [plaats 4] en op 1 mei 2020 in [plaats 5] . Het treffen van voorbereidingen voor het transport begon op 30 maart 2020 en in de dagen voorafgaand aan het transport werden de drugs via verschillende binnenlandse transporten (onder andere vanuit [plaats 1] ) samengebracht. De drugs met als bestemming [plaats 5] werden voorafgaand aan het transport opgeslagen op een opslaglocatie in [plaats 2] . Er zijn in totaal (ongeveer) 4 kilo cocaïne, 6 liter amfetamine-olie en 1,45 kilo hennep geëxporteerd naar [plaats 4] en 2 kilo cocaïne naar [plaats 5] . In de maand mei (tot 20 mei 2020) vond de financiële afwikkeling plaats.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats volgt dat verdachte deels eigenaar is geweest van de verdovende middelen die naar [plaats 4] en [plaats 5] zijn geëxporteerd. Verdachte organiseerde het transport en onderhield tijdens de voorbereiding van het transport contact met de Duitse afnemer, met wie hij prijsafspraken maakte en uiteindelijk besprak hoeveel geld en op welke manier dat ontvangen diende te worden. Daarnaast had verdachte onder meer contact met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over de (controle bij de) grenzen in Duitsland en testritten.
5.3.3.4.3. Transport ZD-003 Spanje- [plaats 6] (feit 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 13 en 14 mei 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden vanuit [plaats 8] naar Nederland. Op 11 mei 2020 stond de vrachtwagen met drugs klaar voor vertrek en met enige dagen vertraging kwam de uit Spanje afkomstige vrachtwagen op 14 mei 2020 aan bij een loods in [plaats 6] . Deze loods was bestemd voor onder meer het lossen en verpakken van de (drugs)hande1. De handel is vervolgens vervoerd naar een opslaglocatie in [plaats 2] . In totaal is er 527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj geïmporteerd.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats volgt dat verdachte deels eigenaar is geweest van de handel. Verdachte organiseerde het transport en onderhield contact met de Spaanse leverancier. Daarnaast had hij contact met de personen die eigenaar waren van de overige lading, onderhield hij nauw contact over de praktische gang van zaken met onder meer [medeverdachte 2] en had hij contact met [medeverdachte 1] , die op zijn beurt verantwoording aan verdachte aflegde.
5.3.3.4.4. Transport ZD-003 [plaats 6] -Spanje (feit 3)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat er plannen zijn gemaakt om 48 kilo cocaïne te vervoeren naar Spanje. Dit zou met de Spaanse vrachtwagen gebeuren waarin de hennep en de hasjiesj naar Nederland waren vervoerd (zoals in de voorgaande sub-paragraaf weergegeven). Dit transport heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden, omdat de betreffende chauffeur niet wilde terugrijden met deze lading. De lading stond (in een Smart) opgeslagen op de opslaglocatie van medeverdachte [medeverdachte 1] in [plaats 2] en is naar aanleiding van de mededeling van de chauffeur verplaatst naar de garage in het seniorencomplex van de moeder van [medeverdachte 1] (eveneens in [plaats 2]).
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat verdachte organiseerde dat de 48 kilo cocaïne na het lossen van de geïmporteerde handel in [plaats 6] , mee terug zou gaan naar Spanje. Om dit te bewerkstelligen had verdachte contact met investeerders van de handel, bewoog hij hen om de cocaïne mee te sturen op het transport en instrueerde hij hen over het vervoeren van de cocaïne naar [plaats 6] . Toen bekend werd dat de chauffeur niet wilde gaan rijden, heeft verdachte contact gezocht met zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] (ten aanzien van de (voorlopige) opslagplaats van de handel). Zo gaf verdachte aan [medeverdachte 2] de opdracht om de cocaïne “niet te sturen”, waarop [medeverdachte 2] contact opzocht met [medeverdachte 1] met de vraag of laatsgenoemde de cocaïne veilig kon bewaren. [medeverdachte 2] informeerde verdachte hier vervolgens over en benadrukte dat verdachte een juiste beslissing moest maken over de verdere opslag van de cocaïne. Verdachte zocht vervolgens zelf direct contact op met [medeverdachte 1] om het hier over te hebben, waarna door verdachte werd besloten de drugs naar de garage in het seniorencomplex van de moeder van [medeverdachte 1] te laten verplaatsen en (voorlopig) op te slaan.
5.3.3.4.5. Transport ZD-004 Spanje- [plaats 7] (feit 2)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 28 mei 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden vanuit Spanje ( [plaats 8] ) naar Nederland. Het treffen van voorbereidingen
voor dit transport begon op 14 mei 2020. Op 28 mei 2020 kwam de uit Spanje afkomstige vrachtwagen aan bij een loods in [plaats 7] , welke loods was bestemd voor onder meer het lossen en verpakken van de (drugs)handel. In totaal is er 240 kilo hennep geïmporteerd. Tijdens het lossen van de vracht in [plaats 7] is door de politie een inval gedaan in de loods, waarbij de drugs in beslag zijn genomen en verschillende aanhoudingen zijn verricht.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats volgt dat verdachte voorafgaand aan het transport contact had met een andere gebruiker over het ophalen van hennep in [plaats 8] . Verdachte had daarnaast contact met gebruikers in Nederland, aan wie hij liet weten dat de hennep zou worden geladen in [plaats 8] en naar Nederland zou gaan. Verder zorgde verdachte ervoor dat [medeverdachte 2] de zaken voor hem waarnam en organiseerde in Nederland. Een deel van de door de politie onderschepte hennep was bestemd voor verdachte.
5.3.3.4.6. Transport ZD-005 Nederland- [plaats 4] 2 (feit 1)
Uit de EncroChat-gesprekken volgt dat op 12 juni 2020 een drugstransport heeft plaatsgevonden van Nederland naar Duitsland van in totaal 3,2 kilo cocaïne. De voorbereidingen voor dit transport begonnen op 29 mei 2020. De cocaïne werd voorafgaand
aan het transport opgehaald op een opslaglocatie in [plaats 2] en werd elders in het land bewerkt. De in bolletjes verpakte cocaïne werd voorafgaand aan het transport weer naar [plaats 2] gebracht en op 12 juni 2020 werd de cocaïne vanuit [plaats 2] vervoerd naar [plaats 4] te Duitsland.
Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt het hof dat uit de chats volgt dat verdachte eigenaar is geweest van de geëxporteerde cocaïne. Verdachte organiseerde het transport en onderhield contact met de Duitse afnemer. Daarnaast stond verdachte in nauw contact met [medeverdachte 2] , die op zijn beurt het transport coördineerde. Tot slot zorgde verdachte ervoor dat de cocaïne in Nederland werd bewerkt en werd verpakt in bolletjes die uiteindelijk meegingen op het transport.
5.3.3.5. Eindoordeel over het bewijs
5.3.3.5.1. Het onder 1 en 2 ten laste gelegde
Het hof overweegt ten aanzien van de transporten zoals ten laste gelegd onder 1 en 2 dat uit hetgeen hiervoor is weergegeven, volgt dat telkens sprake is geweest van een grensoverschrijdend drugstransport en dat verdachte daar telkens als medepleger bij betrokken is geweest. Daaruit volgt namelijk dat verdachte telkens een organiserende rol heeft
gehad en dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachten (en andere betrokkenen) om de transporten tot stand te brengen. Het hof acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigd bewezen.
5.3.3.5.2. Het onder 3 primair ten laste gelegde
Ten aanzien van het transport zoals primair onder 3 ten laste is gelegd (en besproken in sub-paragraaf 5.3.3.4.4), overweegt het hof dat uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt dat er plannen zijn gemaakt om 48 kilo cocaïne te exporteren naar Spanje, maar dat deze cocaïne blijkens de EncroChat-berichten uiteindelijk in Nederland is gebleven. Hoewel het begrip ‘buiten het grondgebied brengen’ extensief moet worden geïnterpreteerd, zodat niet enkel het daadwerkelijk over de grens brengen van drugs daaronder valt, is het hof van oordeel dat in dit geval niet kan worden gesproken van een zogenaamde ‘verlengde uitvoer van cocaïne’. Het hof overweegt hiertoe dat voor een bewezenverklaring van verlengde uitvoer nodig is dat de drugs in ieder geval zijn of worden vervoerd of voor vervoer zijn of worden aangeboden met bestemming buitenland, in dit geval Spanje. Anders dan door de advocaat-generaal betoogd, is het hof van oordeel dat uit de EncroChat-berichten en de overige inhoud van het dossier niet blijkt dat de cocaïne de loods in [plaats 6] heeft bereikt, of in ieder geval in die richting is vervoerd, en (vervolgens) aan de chauffeur(s) is aangeboden voor vervoer naar Spanje. Het hof maakt uit de EncroChat-berichten op dat de cocaïne (in ieder geval) vanaf 10 mei 2020 stond opgeslagen in de opslaglocatie van [medeverdachte 1] in [plaats 2] en daar eerst op 14 mei 2020 (weliswaar inmiddels in de Smart gestopt) ook nog stond toen duidelijk werd dat de cocaïne niet zou worden geëxporteerd in verband met de afhakende chauffeur. Uit de chats volgt voorts dat [medeverdachte 1] de cocaïne uiteindelijk, na contact met verdachte en [medeverdachte 2] , in de Smart heeft vervoerd naar de garage van de seniorenflat van zijn moeder in [plaats 2] om deze daar op te slaan. Nu de cocaïne eerst nog stond opgeslagen in de opslaglocatie van [medeverdachte 1] in [plaats 2] en vervolgens voor een veiliger opslag naar de garage van het seniorencomplex (ook in [plaats 2] ) is verplaatst, kan naar het oordeel van het hof niet worden gesteld dat de cocaïne werd vervoerd of voor vervoer werd aangeboden met bestemming buitenland. Het gegeven dat uit de chats blijkt dat verdachte en medeverdachten wel van plan waren de drugs naar het buitenland te vervoeren, dat in beginsel daartoe de drugs door [medeverdachte 1] in de Smart zijn gedaan en dat er al chauffeurs (die naar Spanje zouden rijden) waren benaderd voor het uitvoeren van de drugs, maakt het oordeel van het hof niet anders.
Anders dan door de rechtbank beslist en in lijn met het meer subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde is het hof echter van oordeel dat dit niet betekend dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit (primaire) feit. Uit de tenlastelegging blijkt namelijk dat onder 3 primair (onder andere) het vervoeren van de drugs ten laste is gelegd. Uit de hiervoor besproken EncroChat-berichten volgt dat de drugs vanaf de opslaglocatie van [medeverdachte 1] in [plaats 2] naar de garage van het seniorencomplex van zijn moeder in [plaats 2] zijn vervoerd. Uit de berichten blijkt namelijk dat verdachte zich zorgen maakte omdat er een te grote voorraad met drugs in de opslaglocatie bij [medeverdachte 1] opgeslagen zou zijn als de 48 kilo cocaïne daar bleef. Hierdoor heeft hij hierover eerst met [medeverdachte 2] overleg gehad. [medeverdachte 2] heeft hierop contact gezocht met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] stelde aan hem voor om de drugs in de garage van het seniorencomplex van zijn moeder op te slaan. [medeverdachte 2] vertelde verdachte over dit voorstel van [medeverdachte 1] . Verdachte zocht vervolgens zelf direct contact op met [medeverdachte 1] en ook zij overlegden over het verplaatsen van de drugs naar de garage van het seniorencomplex. Uiteindelijk besloot verdachte de drugs daar naartoe te laten verplaatsen door [medeverdachte 1] .
Gelet op het onderlinge overleg en de bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten over het verplaatsen van de drugs naar een ‘veilige’ plek, is het hof van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden voor zover inhoudende het medeplegen van het vervoeren van de 48 kilo cocaïne.
6. Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. hij op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland, Noorwegen en Duitsland meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten
op verschillende tijdstippen in de periode van 2 tot en met 11 april 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland en Noorwegen, een hoeveelheid van in totaal
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 20 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , elders in Nederland, [plaats 4] en [plaats 5] , een hoeveelheid van in totaal (ongeveer)
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 29 mei tot en met 12 juni 2020 te [plaats 2] , elders in Nederland en [plaats 4] , een hoeveelheid van in totaal
3,2 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. hij op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 28 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 6] , [plaats 7] , elders in Nederland, Noorwegen, Duitsland en Spanje meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, te weten
op verschillende tijdstippen in de periode van 2 tot en met 11 april 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , elders in Nederland en Noorwegen, een hoeveelheid van in totaal
15,5 kilogram hasjiesj, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 30 maart 2020 tot en met 20 mei 2020 te [plaats 1] , [plaats 2] , elders in Nederland en [plaats 4] , een hoeveelheid van in totaal
1,45 kilogram hennep, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 11 tot en met 14 mei 2020 te [plaats 2] , [plaats 6] en [plaats 8] , een hoeveelheid van in totaal
527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en
op verschillende tijdstippen in de periode van 14 tot en met 28 mei 2020 te [plaats 7] en [plaats 8] , een hoeveelheid van in totaal ongeveer
240 kilogram hennep, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.primair hij in de periode van 11 mei 2020 tot en met 14 mei 2020, te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten een hoeveelheid van in totaal
48 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op
- onder 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- onder 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd;
- onder 3 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
8. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
9. Oplegging van straf
9. 1. Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 10 maanden. Bij zijn strafvordering heeft de advocaat-generaal meegewogen de aard en de ernst van het handelen, de rol die verdachte heeft gespeeld bij het tot stand brengen van de verschillende drugstransporten en de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.
9. 2. Standpunt van de verdediging
Voor zover het hof tot een strafoplegging komt, heeft de raadsvrouw zich, mede gelet op de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van 6 of 6,5 jaar meer recht zou doen aan de zaak.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.
Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van nog geen drie maanden schuldig gemaakt aan het meermalen medeplegen van het in- en uitvoeren van aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs en aan het medeplegen van het vervoeren van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Verdachte heeft hierbij op zeer professionele wijze gehandeld binnen een omvangrijk internationaal samenwerkingsverband. Verdachte fungeerde binnen dit samenwerkingsverband telkens als directeur en organisator en vervulde hiermee een belangrijke en onmisbare rol in het tot stand komen van de verschillende drugstransporten. Zo initieerde en organiseerde hij de transporten, onderhield hij contact met buitenlandse afnemers en leveranciers, maakte hij prijsafspraken met hen en stuurde hij andere personen binnen het samenwerkingsverband aan. Ook was verdachte eigenaar van bepaalde hoeveelheden drugs en was hij nauw betrokken bij onder meer het verwerken van drugs. Daarbij bleef hij steeds op afstand en liet hij het ‘vuile werk’ door anderen opknappen. De communicatie van verdachte met de medeverdachten of andere betrokkenen bij de organisatie verliep via een cryptotelefoon. Hiermee probeerde verdachte buiten het zicht van justitie te blijven.
Door aldus te handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de internationale drugshandel en kan hij medeverantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. De harddrugs die mede door verdachte zijn uitgevoerd werken sterk verslavend en zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De handel en het gebruik van deze verdovende middelen brengen bovendien vele vormen van (zware) criminaliteit met zich mee. Ook de softdrugs die mede door verdachte zijn in- en uitgevoerd zijn stoffen die kunnen leiden tot schade aan de gezondheid bij langdurig gebruik. Dat is dan ook de reden dat de verstrekking van softdrugs in Nederland aan banden is gelegd. Dit restrictieve beleid wordt doorkruist door de handelswijze van verdachte. Verdachte heeft enkel vanuit financiële motieven gehandeld en heeft zich niet om de schadelijke gevolgen van zijn handelen bekommerd. Bovendien heeft verdachte zich tot op heden niet bij de politie gemeld en is hij niet op de zittingen in eerste aanleg of in hoger beroep verschenen. Verdachte heeft aldus op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit alles weegt het hof in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 9 maart 2026. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een andersoortig strafbaar feit. Dit heeft geen invloed op de door het hof op te leggen straf.
Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze (zeer summier) uit het dossier blijken.
Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zoals hierboven uiteengezet, acht het hof in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden passend. Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden in hoger beroep. Verdachte heeft namelijk blijkens de akte tot het instellen van het hoger beroep op 21 september 2023 hoger beroep ingesteld. Het arrest is op 29 mei 2026 uitgesproken. Tussen deze twee data is een tijd verstreken van 2 jaren en afgerond 8 maanden. De termijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval twee jaren. De termijn is dus overschreden met afgerond 8 maanden. Deze overschrijding dient naar het oordeel van het hof te leiden tot een vermindering van voornoemde gevangenisstraf met 7 maanden.
Gelet op het hiervoor overwogen acht het hof passend en noodzakelijk de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 65 maanden. Tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
10. Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
11. BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 65 (vijfenzestig) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 mei 2026.