ECLI:NL:GHARL:2026:3434

ECLI:NL:GHARL:2026:3434

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer 21-002612-25
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Ontnemingsbeslissing.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002612-25

Uitspraakdatum: 29 mei 2026

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 23 mei 2025 met parketnummer 18-222214-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het BPR-adres [adres] (Spanje).

1. Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing van de rechtbank.

2. Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 7 en 9 april 2026 en wat op de zittingen van de rechtbank is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van dat wat door de advocaat-generaal en door de raadsvrouw van betrokkene, mr. N.J.H. Lina, is aangevoerd.

3. De beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft bij bovengenoemde beslissing het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op € 594.218,00. De rechtbank heeft de verplichting aan betrokkene tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op datzelfde bedrag (€ 594.218,00) en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd ten hoogste 1080 dagen is. Voor het overige heeft de rechtbank de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie afgewezen.

Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Dit omdat het hof tot een (iets) andere schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, een andere verdeling tussen de betrokkenen bij transport 5 en daarmee een andere betalingsverplichting aan de Staat komt. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank het wederrechtelijk voordeel grotendeels op de juiste wijze heeft berekend en geschat. Het hof zal daarom grote delen van de berekening van de rechtbank, met enige aanpassingen, overnemen.

4. Vordering en standpunt van de advocaat-generaal

Vordering in eerste aanleg

De officieren van justitie hebben in eerste aanleg schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 769.055,00 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 769.055,00). Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben de officieren van justitie het aanvankelijk gevorderde bedrag ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangepast naar € 740.579,00. Verder hebben zij gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 740.579,00).

Vordering in hoger beroep en standpunt van de advocaat-generaal

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 739.984,00 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag (€ 739.984,00).

Ten aanzien van voornoemde vordering heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank gevolgd dient te worden voor zover het gaat om de verdeelsleutel voor de transporten 1 tot en met 4. Hetzelfde geldt voor de berekening en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de transporten 1 tot en met 4 en 6.

Ten aanzien van transport 5 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat betrokkene (samen met de andere betrokkenen) de hoeveelheid cocaïne (na het mislukte transport zoals in de aan deze zaak ten grondslag liggende strafzaak onder 3 primair bewezen is verklaard) alsnog heeft verkocht. Dit levert dan ook voordeel op uit een ander strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit voordeel dient volgens de advocaat-generaal meegenomen te worden in de berekening, omdat het aannemelijk is dat ook deze drugs (later) zijn verkocht, nu het altijd de bedoeling was om deze drugs te verkopen, de handel niet incidenteel was en deze partij cocaïne later tijdens de doorzoeking ook niet meer teruggevonden is op de stashlocatie. Ten aanzien van betrokkene dient het voordeel vastgesteld te worden op een bedrag van € 145.766,00 (40% van het totaalbedrag van € 364.415,00). Het bedrag waarop de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene heeft geschat (€ 594.218,00), dient dan ook vermeerderd te worden met dit bedrag. Dit leidt tot een totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene van € 739.984,00.

5. Standpunt van de verdediging

Verdeelsleutel van de transporten

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de verdeelsleutel op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de transporten 1, 2, 3 en 4 uitgegaan dient te worden van een pondspondsgewijze verdeling omdat het dossier geen aanleiding geeft voor de toepassing van een andere verdeling ten nadele van betrokkene. Bovendien blijkt uit het dossier dat er meerdere personen betrokken waren bij de verschillende transporten (zoals Bellghroup). Deze personen zijn ten onrechte niet in de verdeelsleutel meegenomen.

Ten aanzien van de verdeelsleutel van transport 4 heeft de raadsvrouw meer in het bijzonder aangevoerd dat bij de verdeling van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de inhoud van de EncroChat-berichten zoals deze in het dossier zitten. Daarnaast is geen nader onderzoek gedaan met betrekking tot de vraag wat de verdeelsleutel ten aanzien van dit transport precies zou moeten zijn. Zo zijn de ruwe datasets van de EncroChat-berichten (ook na verzoek van de verdediging hiertoe) niet beschikbaar gesteld en zijn er ook geen getuigen gehoord. Daarom verzoekt de raadsvrouw het hof om de verdediging toegang te geven tot de ruwe datasets. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar verweer dat de verdeelsleutel onjuist zou zijn, ter terechtzitting in hoger beroep verwezen naar haar conclusie van antwoord in eerste aanleg. Daarin is onder andere verzocht om [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] als getuigen te doen horen. Dit om meer duidelijkheid te verkrijgen over de verdeelsleutel bij dit transport. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de raadsvrouw echter afstand gedaan van het verzoek tot het horen van deze getuigen. Nu de raadsvrouw daar in hoger beroep niet expliciet opnieuw om heeft verzocht (terwijl beide medeverdachten ter zitting aanwezig waren en bij een dergelijk verzoek direct gehoord hadden kunnen worden) gaat het hof ervan uit dat de raadsvrouw niet bedoeld heeft dit specifieke verzoek te herhalen. Los hiervan geldt voor tansport 4 in ieder geval dat door de verdediging wordt betwist dat betrokkene eigenaar is geweest van (een deel van) de drugs en dat uit de chatberichten in het dossier volgt dat [medebetrokkene 2] een grotere rol heeft gespeeld dan hem is toebedeeld. Bij hem is immers alle handel opgeslagen geweest. Dit impliceert een grotere rol dan ‘slechts’ 20%.

Transport 3

Ten aanzien van transport 3 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een opbrengst van € 40.000,00 per kilo cocaïne, wat voor dit transport een totale opbrengst van € 80.000,00 betekent. Op basis van het dossier geldt echter dat (net als bij het transport naar [plaats 1] ) uitgegaan dient te worden van een opbrengst van € 35.000,00 per kilo cocaïne, wat voor dit transport een totale opbrengst van € 70.000,00 zou betekenen.

Transporten 5 en 6

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van transporten 5 en 6 op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering op dit punt, in lijn met de beslissing van de rechtbank, afgewezen dient te worden nu niet vastgesteld kan worden dat betrokkene enig voordeel heeft genoten ten gevolge van deze transporten.

6. Oordeel van het hof

Verzoeken van de raadsvrouw

Verzoek om toegang tot de ruwe datasets

Het verzoek van de raadsvrouw om toegang te krijgen tot de ruwe datasets van de EncroChat-berichten is ook gedaan in de aan deze ontnemingszaak onderliggende strafzaak. In het arrest van het hof van 29 mei 2026 in die strafzaak (parketnummer 21-004399-23) heeft het hof dat verzoek gemotiveerd afgewezen. Nu het hof nader onderzoek op dit punt ook niet noodzakelijk acht voor de beoordeling van de ontnemingsvordering zal het hof ook in de onderhavige zaak het verzoek afwijzen. Voor een nadere onderbouwing hiervan verwijst het hof naar zijn overwegingen in voornoemd arrest.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Betrokkene is in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak bij arrest van dit hof van 29 mei 2026 veroordeeld voor, kort gezegd,

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 1);

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd (feit 2);

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (Feit 3 primair).

Bewijsmiddelen

Uit vorenbedoeld arrest van het hof en de daarin in de noten genoemde bewijsmiddelen en bij de behandeling van de ontnemingsvordering op de zitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen wederrechtelijk financieel voordeel heeft genoten. Om tot een schatting van dit financiële voordeel te komen, heeft het hof (naast voornoemd arrest en de bewijsmiddelen daarin) als uitgangspunt genomen de berekeningen die zijn opgenomen in de rapporten wederechtelijk verkregen voordeel per delict (met bijlagen) (hierna: de rapporten). Het hof acht de in deze rapporten gebruikte berekeningswijze, die overigens niet door de raadsvrouw is bestreden, in beginsel betrouwbaar.

Verdeelsleutel

6.2.1.1. Transporten 1 tot en met 3

Voor wat betreft transporten 1 tot en met 3 valt aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van het behaalde voordeel onder de betrokkene en zijn mededaders. Betrokkene heeft hier zelf geen inzicht in gegeven en er zijn geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een andere verdeelsleutel dan die op basis van een gelijke verdeling. Het hof zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel bij deze transporten pondspondsgewijs toerekenen. Overigens is tegen een dergelijke verdeling ten aanzien van voornoemde transporten in hoger beroep ook geen bezwaar gemaakt door de raadsvrouw. Wel heeft zij aangevoerd dat er meer personen meegenomen moeten worden in de verdeling dan in de rapporten en door de rechtbank is gedaan, omdat uit het dossier zou blijken dat meerdere personen betrokken zijn geweest bij deze transporten. Hoewel uit het dossier weliswaar blijkt dat er meerdere personen (bijvoorbeeld als rijder) betrokken zijn geweest bij de transporten, biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt dat deze personen (buiten de eventuele verdiensten voor hun werkzaamheden om en die al in de berekening van het voordeel hieronder bij de kostenposten zijn meegenomen) hebben meegedeeld in het door middel van transporten 1 tot en met 3 verkregen voordeel. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om bij de verdeelsleutel van deze transporten uit te gaan van meer personen die voordeel zouden hebben genoten dan waarvan in de rapporten wordt uitgegaan.

6.2.1.2. Transport 4

Voor transport 4 geldt dat er uit de berichten die de betrokkene en zijn mededaders naar elkaar stuurden concrete aanwijzingen volgen om een afwijkende verdeelsleutel aan te nemen. Het hof heeft in de aan deze ontnemingszaak onderliggende strafzaak over de rolverdeling van betrokkene en zijn mededaders bij transport 4 onder meer overwogen dat betrokkene eigenaar was van het overgrote deel van de drugs en (mede daardoor) een sterk initiërende en organiserende rol had bij het tot stand brengen van het betreffende transport. Zo was hij ook degene die het contact onderhield met de Spaanse leverancier. [medebetrokkene 1] heeft bij dit transport vooral een organiserende/logistieke rol gehad, waarbij hij veel overlegde met betrokkene. Ook legde [medebetrokkene 1] verantwoording af aan betrokkene door hem steeds op de hoogte te houden van wat hij deed en van de overige gang van zaken. Ook [medebetrokkene 2] legde bij dit transport verantwoording af aan betrokkene en zorgde er verder voor dat alle drugs werden gelost op zijn opslaglocatie te [plaats 2] en daar ook werden opgeslagen. Bij dit transport maakte [medebetrokkene 2] ook gebruik van eigen (achter)rijders die hij zelf aanstuurde.

Uit het voorgaande leidt het hof, anders dan door de raadsvrouw betoogd, af dat betrokkene een grotere rol heeft gespeeld bij het bewerkstelligen van transport 4 dan [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] . Betrokkene was immers eigenaar van het overgrote deel van de drugs, onderhield het contact met de Spaanse leverancier en aan hem legden [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] verantwoording af. Daarom ligt het voor de hand dat hij het grootste deel van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Verder leidt het hof uit het voorgaande af dat de mededaders van betrokkene ( [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] ) elk een even grote en belangrijke rol hebben vervuld bij onderhavig transport. Daarom ligt het voor de hand dat zij een even groot deel van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten. Het hof is daarom van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van transport 4 voor 40% aan betrokkene, voor 30% aan [medebetrokkene 1] en voor 30% aan [medebetrokkene 2] dient te worden toegerekend. In lijn met hetgeen hierboven ten aanzien van transporten 1 tot en met 3 is overwogen, is het hof van oordeel dat ook hier geldt dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat anderen zouden hebben meegedeeld in het voordeel dat behaald is met transport 4. Het hof ziet daarom ook hier geen aanleiding om bij de verdeelsleutel uit te gaan van meer personen die voordeel zouden hebben genoten dan betrokkene en zijn twee mededaders.

6.2.1.3. Transporten 5 en 6

De verdeelsleutel voor de transporten 5 en 6 behoeft geen bespreking, omdat het hof de vordering voor wat betreft die transporten (gelet op dat wat hieronder is overwogen) zal afwijzen.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 1

Ten aanzien van transport 1 is bewezenverklaard de uitvoer van:

8 kilogram cocaïne;

40.000 XTC-pillen;

30 kilogram MDMA;

60 kilogram amfetamine;

2 kilogram methamfetamine;

15,5 kilogram hasjiesj.

De opbrengsten per hoeveelheid drugs zijn als volgt:

8 kilogram cocaïne € 196.048,40

40.000 XTC-pillen € 38.566,52

30 kilogram MDMA € 203.850,00

60 kilogram amfetamine € 101.770,38

2 kilogram methamfetamine € 94.121,77

15,5 kilogram hasjiesj € 102.986,65

Dit levert een totale opbrengst op van € 737.343,72.

Uit het rapport wederechtelijk verkregen voordeel met nummer JM1320 volgt dat de kosten € 1.725,00 bedragen.

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 1 is dus € 737.343,72 - € 1.725,00 = € 735.618,72.

Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.2.1.1 wordt bij dit transport een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over vier personen (waaronder betrokkene). Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van 25% van € 735.618,72, te weten € 183.904,68.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 2

Ten aanzien van transport 2 is bewezenverklaard de uitvoer van:

ongeveer 4 kilogram cocaïne;

6 liter amfetamine-olie;

1,45 kilogram hennep.

De opbrengsten, uitgaande van bovengenoemde bewezenverklaarde hoeveelheden, zijn als volgt:

- ongeveer 4 kilogram cocaïne € 139.650,00

6 liter amfetamine-olie € 7.650,00

1,45 kilogram hennep € 12.850,00

Totaal: € 160.150,00

De (inkoop)kosten, uitgaande van bovengenoemde bewezenverklaarde hoeveelheden, zijn als volgt:

4 kilogram cocaïne € 111.400,00

6 liter amfetamine-olie € 4.620,00

1,45 kilogram hennep € 5.655,00

kosten chauffeur € 2.306,00

Totaal: € 123.981,00

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 2 is dus € 160.150,00 - € 123.981,00 = € 36.169,00.

Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.2.1.1 wordt bij dit transport een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over vier personen (waaronder betrokkene). Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van 25% van € 36.169,00, te weten € 9.042,25.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 3

Ten aanzien van transport 3 is bewezenverklaard de uitvoer van 2 kilogram cocaïne.

De opbrengst voor 2 kilogram cocaïne betreft € 80.000,00. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat ten onrechte wordt uitgegaan van een opbrengst van € 40.000,00 per kilogram cocaïne, nu uit de EncroChat-berichten blijkt dat de Duitse klant voor dit transport € 40.000,00 per kilo heeft betaald. Dat bij een ander transport (transport 2) van een andere (lagere) opbrengst per kilo cocaïne wordt uitgegaan, doet hieraan niet af.

De (inkoop)kosten zijn als volgt:

inkoop cocaïne € 55.700,00

kosten chauffeur € 1.920,00

Totaal: € 57.620,00

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 3 is dus € 80.000,00 - € 57.620,00 = € 22.380,00

Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.2.1.1 wordt bij dit transport een pondspondsgewijze verdeling aangehouden, verdeeld over twee personen (waaronder betrokkene). Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van 50% van € 22.380,00, te weten € 11.190,00.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 4

Ten aanzien van transport 4 is bewezenverklaard de invoer van 527 kilogram hennep en 108 kilogram hasjiesj. Uit de EncroChat-berichten is gebleken dat 127 kilogram hennep van een ander was dan betrokkene of [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] , daarom wordt voor de nettowinst gerekend met 400 kilogram hennep.

Berekening nettowinst 527 kilogram hennep:

verkoop hennep: € 2.055.300,00

inkoop hennep: € 921.723,00 -

overige kosten: € 7.851,79 -

Nettowinst: € 1.125.725,21

De nettowinst voor 400 kilogram hennep is € 1.125.725,21 / 527 x 400 = € 854.440,38 (afgerond).

Berekening nettowinst 108 kilogram hasjiesj:

verkoop hasjiesj € 310.500,00

inkoop hasjiesj € 188.892,00 -

Nettowinst: € 121.608,00

Uit het rapport volgt dat de kosten voor de loods, de huur van de bus, de verhuisdozen en de chauffeur in totaal € 7.851,79 zijn. Het hof gaat ervan uit dat dit de kosten betreffen van zowel de hennep als de hasjiesj. Op pagina 22 van het rapport met nummer JM1321 staat weliswaar dat de kosten voor de hasjiesj € 2.497,20 betreffen, maar uit de berekening zoals opgenomen op pagina 21 van datzelfde rapport blijkt dat dat de kosten voor transport 5 zijn. Nu de juiste kosten al zijn meegenomen in de berekening van de nettowinst van de hennep, laat het hof deze kosten voor de hasjiesj buiten beschouwing.

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor transport 4 is dus € 854.440,38 + € 121.608,00 = € 976.048,38.

Zoals blijkt uit sub-paragraaf 6.2.1.2 zal het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel bij dit transport voor 40% aan betrokkene toerekenen. Dit levert voor betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel op van (afgerond) € 390.419,35.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 5

Uit het onderliggende arrest van het hof in de strafzaak blijkt dat het transport van 48 kilogram cocaïne van [plaats 3] naar Spanje niet door is gegaan. Betrokkene is vrijgesproken van het medeplegen van de (verlengde) uitvoer van 48 kilogram cocaïne en veroordeeld voor het medeplegen van het vervoeren van de drugs.

De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan ook wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten worden ontnomen als voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Buiten redelijke twijfel moet vaststaan dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd.

Het hof is, in tegenstelling tot het standpunt van de advocaat-generaal, van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt niet wat er met de cocaïne is gebeurd. Het is onduidelijk of er een transport heeft plaatsgevonden, wie bij de totstandkoming daarvan betrokken zijn geweest en wie daar dan eventueel voordeel uit zou hebben genoten. Het hof zal de ontnemingsvordering daarom afwijzen voor zover die ziet op transport 5.

Wederrechtelijk verkregen voordeel transport 6

Transport 6 behoeft geen nadere bespreking nu de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de ontnemingsvordering ten aanzien van dit transport in lijn met de beslissing van de rechtbank wordt afgewezen. Het hof ziet geen reden daarvan af te wijken.

Conclusie wederrechtelijk verkregen voordeel

Al het voorgaande leidt tot de volgende berekening van het geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene:

transport 1: € 183.904,68

transport 2: € 9.042,25

transport 3: € 1 1.190,00

transport 4: € 390.419,35

Totaal: € 594.556,28

Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op een bedrag van € 594.556,28.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof gaat er op grond van hetgeen uit het dossier blijkt over de persoonlijke omstandigheden en draagkracht van betrokkene vanuit dat hij in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Het hof ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen. Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op hetzelfde bedrag als waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, te weten € 594.556,28.

7. Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e Sr, welk voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van onderhavige procedure.

8. BESLISSING

Het hof:

vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:

stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 594.556,28 (vijfhonderdvierennegentigduizend vijfhonderdzesenvijftig euro en achtentwintig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 594.556,28 (vijfhonderdvierennegentigduizend vijfhonderdzesenvijftig euro en achtentwintig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Deze beslissing is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. I.C. Bita en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 29 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand