[verdachte] ,
Onderzoek van de zaak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004153-25
Uitspraakdatum: 26 mei 2026
VERSTEK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 20 oktober 2025 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 22 december 2022 met parketnummer 16-078993-22 in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof op 12 mei 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Procesgang en omvang van het nog voorliggende hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte wegens oplichting tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, veroordeeld. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 2.820,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens verdachte is tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft verdachte bij het arrest van 5 maart 2024 – na vernietiging van bovengenoemd vonnis – tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, veroordeeld. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is toegewezen tot een bedrag van € 2.820,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Op 29 maart 2024 is namens verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest van dit hof. Op 9 december 2024 is door de raadsman van verdachte, mr. L.C. de Lange, een cassatieschriftuur ingediend bij de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad). Het middel bevat onder andere de klacht dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.820,00 niet zonder meer begrijpelijk is.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 oktober 2025 het arrest van het gerechtshof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De zaak is teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
Gelet op het voorgaande ligt aan het hof nog enkel de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter beoordeling voor. Voor het overige blijft het arrest van het hof van 5 maart 2024 in stand.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.460,90 aan materiële schade ingediend.
De vordering bestaat uit de volgende schadeposten:
De rechtbank heeft de vordering voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.820,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.820,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en bijbehorende wettelijke rente. Volgens de advocaat-generaal staat de vrijspraak van de gedachtestreepjes die betrekking hebben op de aanbetaling van € 500,- bij de tenlastegelegde oplichting niet in de weg aan het oordeel dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze aanbetaling en het bewezenverklaarde handelen van verdachte en kan de vordering ook voor dit deel worden toegewezen.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.820,00. Het hof overweegt hierover als volgt.
Verdachte en de benadeelde partij hebben een overeenkomst gesloten die ertoe strekte dat verdachte het huis van de benadeelde partij zou schilderen. De benadeelde partij heeft hiervoor een offerte getekend en een bedrag van € 500,- aanbetaald. Daarna heeft de benadeelde partij in twee termijnen een bedrag van € 2.320,- naar verdachte overgemaakt, die voorwendde dat dit geld door hem gebruikt zou gaan worden voor verf. De verf is echter nooit gekocht of geleverd en mede daarom is bewezen verklaard dat verdachte de benadeelde partij heeft opgelicht. Het gehele bedrag dat ten behoeve van de aanschaf van verf is betaald, komt daarom als rechtstreekse schade voor vergoeding in aanmerking. Verdachte is op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek tot vergoeding van die schade gehouden.
Daarnaast overweegt het hof dat door de oplichting door verdachte van aangever ook niet meer verwacht kon worden dat hij verdachte het schilderwerk zou laten uitvoeren. Iedere mogelijkheid tot nakoming van die overeenkomst was door het handelen van de verdachte van tafel en op basis daarvan had verdachte de benadeelde partij het bedrag van € 500,- als aanbetaling voor de schilderwerkzaamheden moeten terugbetalen. Nu dit bedrag niet is terugbetaald, heeft de benadeelde partij ook voor dit deel van de vordering rechtstreeks schade geleden als gevolg van de oplichtingshandelingen. Naar het oordeel van het hof komt ook het bedrag van € 500,- als rechtstreekse schade voor vergoeding in aanmerking. Verdachte is op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk wetboek tot vergoeding van die schade gehouden.
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover de vordering ziet op meerkosten voor het schilderwerk dat uiteindelijk door een andere partij is verricht. Niet op voorhand staat vast dat dit bedrag rechtstreekse schade is als gevolg van de oplichting. Een nader partijdebat over dit punt levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De benadeelde partij wordt in zoverre niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 augustus 2020, zijnde de dag van de laatste (voorschot)betaling.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof - schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
Het hof heeft gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals dit gold ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.820,00 (tweeduizend achthonderdtwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 2.820,00 (tweeduizend achthonderdtwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 augustus 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. S. Bek, mr. M. Zwartjes en mr. M. van Kuilenburg, in aanwezigheid van de griffier mr. B. van Leeuwen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 mei 2026.