Afdeling strafrecht
Parketnummer:21-000512-23
Uitspraakdatum: 3 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 23 januari 2023 met parketnummer 16-209013-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
ingeschreven op het adres: [adres 1] ,
verblijvende op het adres: [adres 2] .
Hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van het hof van 27 september 2023, 14 augustus 2024, 7 april 2025, 13 oktober 2025, 14 oktober 2025, 29 april 2026 en3 juni 2026 en het onderzoek op de zittingen bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, en de advocaten van de benadeelde partijen (mr. J.R. Mekkes namens [benadeelde 4] , mr. W. van Egmond namens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , en mr. P. Meijer namens [benadeelde 3] ) hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte op 23 januari 2023 vrijgesproken van feit 1 (doodslag) en veroordeeld voor feit 2 (openlijk in vereniging geweld plegen) tot een gevangenisstraf van 1 jaar, met aftrek van het voorarrest. De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] zijn door de rechtbank toegewezen (telkens € 17.500,00), met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof komt in dit arrest onder meer tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting van 21 juni 2021 bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 15 augustus 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een of meerdere messen, althans met (een) dergelijk(e) (scherp(e)) steekvoorwerp(en) in de borst, althans het bovenlichaam, te steken;
2.hij op of omstreeks 15 augustus 2020 te [plaats] openlijk, te weten, op de [locatie] , in elk geval op of aan de openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] en/of een goed te weten de personenauto waarin die [slachtoffer] reed, door
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal te slaan/stompen en/of te trappen/schoppen en/of
- tegen die personenauto te trappen/schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Geldigheid dagvaarding
Standpunt verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om de dagvaarding ten aanzien van het eerste gedachtestreepje van feit 2 nietig te verklaren, omdat niet duidelijk is op welk incident dat ziet. Er is immers op drie momenten geweld tegen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) gebruikt, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Het hof acht, gelet op de inhoud van het dossier, volstrekt helder dat het tenlastegelegde onder 2, eerste gedachtestreepje, ziet op geweldpleging jegens [slachtoffer] die heeft plaatsgevonden nadat [slachtoffer] in de auto is gestapt om weg te rijden na afloop van het feest. Verdachte [verdachte] (hierna ook: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) waren immers eerder nog niet ter plaatse aanwezig. Dat er bij de verdediging hierover ook geen verwarring bestaat, blijkt wel uit het feit dat de verdediging van meet af aan ook alleen verweer heeft gevoerd tegen de geweldpleging jegens [slachtoffer] die heeft plaatsgevonden nadat [slachtoffer] in de auto was gestapt om weg te rijden. De tenlastelegging is dus niet onduidelijk voor de verdachte. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Naar het oordeel van het hof is de dagvaarding geldig.
Bewijs
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is in hoger beroep vrijspraak bepleit van al hetgeen hem ten laste is gelegd. De raadsman heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat er zoveel (innerlijke) tegenstrijdigheden en onduidelijkheden zijn in de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, dat daarop geen bewezenverklaring kan worden gebaseerd. Ook het forensisch dossier brengt geen duidelijkheid.
Voorwaardelijke verzoeken
Als het hof tot een bewezenverklaring van feit 1 komt, dan verzoekt de verdediging om de forensische deskundigen dr. J. Fronczek, K. Herlaar en P.D. Zoon nader te bevragen over met welk mes en op welke wijze is gestoken. Het openbaar ministerie gaat ervan uit dat [slachtoffer] in de auto is gestoken en dat dit opzettelijk is gebeurd. Volgens de verdediging kan het ook zo zijn dat hij buiten de auto is gestoken en dat het letsel accidenteel is toegebracht. Deze verzoeken zijn eerder door het hof afgewezen. De verdediging heeft deze verzoeken bij pleidooi herhaald. Het betreft voorwaardelijke verzoeken.
Bewijs, bewijsoverwegingen en het oordeel van het hof
Vaststelling van de feiten
Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast:
In de nacht van 15 augustus 2020 is [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), een jongere broer van verdachte, aanwezig op een verjaardagsfeest in een zaal aan de [adres 3] . Op dit feest is ook [slachtoffer] aanwezig.
Na afloop van het feest wordt [medeverdachte 1] buiten de feestzaal door [slachtoffer] geslagen en ontstaat er een vechtpartij tussen verschillende mensen. Omstanders sussen de ruzie en halen de partijen uit elkaar. [slachtoffer] loopt vervolgens weg naar zijn auto en stapt in.
Na afloop van deze eerste vechtpartij neemt [medeverdachte 1] met de telefoon van getuige [getuige 1] via Snapchat contact op met zijn broer [medeverdachte 2] .
Kort daarna arriveren [medeverdachte 2] en [verdachte] in een witte Volkswagen Golf op de parkeerplaats aan de [locatie] . [medeverdachte 2] bestuurt de auto en [verdachte] zit ernaast. Zij komen aan met hoge snelheid en piepende banden.
[medeverdachte 2] verklaart dat hij een zwart trainingspak aan had en [verdachte] een grijs trainingspak.
[medeverdachte 1] verklaart dat hijzelf een wit T-shirt en een zwarte broek aan had en geel haar [het hof begrijpt: geblondeerd haar] had; hij is ongeveer 1.75 meter lang.
[slachtoffer] bestuurt zijn auto en naast hem zit zijn vriend [getuige 2] . [getuige 2] is samen met [slachtoffer] op het feest en samen willen zij vertrekken. [getuige 2] verklaart dat hij bij [slachtoffer] toen geen letsels heeft gezien, behalve iets bij zijn mond.
[verdachte] stapt uit de Volkswagen Golf en vraagt meteen waar [slachtoffer] is. [slachtoffer] probeert op dat moment in zijn auto weg te rijden van de parkeerplaats. Tegen [verdachte] wordt al wijzend gezegd dat [slachtoffer] daar rijdt. [verdachte] rent dan op de auto van [slachtoffer] af. [slachtoffer] rijdt [verdachte] bijna aan en rijdt tegen een lantaarnpaal aan. Het raam van het autoportier bij [slachtoffer] is open. [verdachte] gaat naar het geopende raam waar [slachtoffer] zit en worstelt door het raam met [slachtoffer] .
[verdachte] hangt met zijn bovenlichaam in het geopende raam bij [slachtoffer] , maakt stotende/stekende bewegingen richting [slachtoffer] en stapt dan naar achteren.
[medeverdachte 1] is met meerdere andere mensen ook naar de auto van [slachtoffer] gegaan. [medeverdachte 1] trapt meerdere malen tegen de deur van de auto van [slachtoffer] (bestuurderszijde) en probeert de deur tot het uiterste open te trekken. Hij is bezig de auto te vernielen.
[slachtoffer] probeert uit te stappen, maar de deur wordt tegen zijn benen getrapt. Hij probeert het nogmaals en dan lukt het hem om uit te stappen. [slachtoffer] heeft bloed op zijn borst en wankelt. [slachtoffer] wordt geschopt, krijgt een trap tegen de borstkas en valt op de grond. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] stappen dan in de auto en rijden samen weg.
Door omstanders wordt het alarmnummer gebeld. Verbalisant [verbalisant 1] komt ter plaatse en ziet dat ambulancebroeders bezig zijn om [slachtoffer] te reanimeren. Zij ziet dat [slachtoffer] meerdere steekwonden heeft en dat zijn shirt vol met bloed zit. [slachtoffer] wordt in de ambulance vervoerd naar het ziekenhuis en overlijdt onderweg.
Verbalisant [verbalisant 2] komt op 15 augustus 2020 om 02.20 uur op het parkeerterrein aan de [locatie] te [plaats] . Hij ziet dat [slachtoffer] gereanimeerd wordt. Hij vraagt aan omstanders om te vertellen wat er is gebeurd. Hij wordt gewezen op de auto van [slachtoffer] die tegen de lantaarnpaal staat. Hij ziet dat de linker deur van de auto open staat. Op de grond, naast de openstaande deur, ligt een zwart heft van een mes. Het lemmet ontbreekt. Achter het linker achterwiel ligt een kapotte telefoon.
Op de plaats delict op de parkeerplaats aan de [locatie] in [plaats] vindt dan forensisch onderzoek plaats. Op de buitenzijde van het linker portier van de auto van [slachtoffer] staat een afdruk van een schoenzool en er zitten deuken in het portier.Op de weg ter hoogte van het linker portier ligt een zwartkleurig heft van vermoedelijk een aardappelschilmesje.
Achter het linker achterwiel ligt in drie stukken, een zwaar beschadigde, witkleurige GSM.
Op de stoep van de hoek [locatie] en het links gelegen parkeerterrein was een bloedvlek te zien.
De bij het achterwiel aangetroffen GSM is bemonsterd en het daarop aangetroffen, veiliggestelde DNA is onderzocht en vergeleken met de DNA-profielen van [slachtoffer] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Het resultaat was dat het DNA op de telefoon afkomstig is van minimaal drie personen met een match met het DNA van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] . Uit onderzoek bleek dat aan de telefoon het telefoonnummer van [medeverdachte 1] kan worden gekoppeld.
De auto van [slachtoffer] is forensisch onderzocht. Daaruit blijkt dat de auto rondom beschadigd is en dat het linker portier niet meer gesloten kan worden. Op de vloerbedekking tussen de linkerzijde van de bestuurderstoel en de portieropening ligt een afgebroken lemmet van een mes. Het lemmet had ongeveer een lengte van zeven centimeter en er zaten bloedsporen op.
Er heeft multidisciplinair forensisch onderzoek plaatsgevonden aan het op het wegdek aangetroffen heft en het in de auto van [slachtoffer] aangetroffen lemmet. De conclusie daaruit is dat extreem veel waarschijnlijker is dat het aangetroffen lemmet en het aangetroffen heft één geheel hebben gevormd dan dat het lemmet bij een ander heft hoort.
De bloedsporen op het aangetroffen lemmet zijn onderzocht door het NFI. Aan de rechterzijde van het lemmet en aan de beide zijden van de punt zitten bloedsporen. Het is meer dan één miljard keer waarschijnlijker dat het bloed op het lemmet afkomstig is van [slachtoffer] dan van iemand anders.
Op de rechter schoen die [medeverdachte 1] die nacht aan had, wordt aan de bovenkant bloed aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer] .
Uit pathologisch onderzoek van het lichaam van [slachtoffer] door dr. J. Fronczek blijkt dat [slachtoffer] zeven steekletsels in het bovenlichaam heeft, waarvan één hem fataal is geworden. Dit betreft het steekletsel waarbij de rechterlong, het hart en het hartzakje zijn geperforeerd, hetgeen tot het uitvallen van de hartfunctie heeft geleid. Twee andere steekletsels waarbij de linkerlong en het middenrif is geperforeerd hebben mogelijk bijgedragen aan het intreden van de dood, omdat dit een bemoeilijkte ademhaling veroorzaakte. De overige steekletsels kunnen hebben bijgedragen aan (de snelheid van) het overlijden middels het bloedverlies.
De steekletsels hebben een van links, voetwaarts en rugwaarts gericht steekkanaal. Het diepste wondkanaal was 6,5 centimeter diep.
Dr. Fronczek concludeert dat het veel waarschijnlijker is dat de steekletsels aan de borst toegebracht zijn door geweld dan door accidenteel geweld tijdens zelfverdediging.
Bewijsoverwegingen
In algemene zin overweegt het hof dat in het onderzoek van de politie en ook tijdens de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep vele getuigen (soms ook meermalen) zijn gehoord. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat er tussen verschillende personen die op die avond ter plaatse aanwezig waren, respectievelijk die tot de kringen rondom [slachtoffer] en de drie broers behoren, onderling en via social media veelvuldig over de zaak is gesproken. Daarbij zijn ook namen, motieven en speculaties over het incident gedeeld. Verder komt uit het dossier naar voren dat bij degenen die in het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] als getuigen zijn gehoord sprake lijkt te zijn geweest van een zekere terughoudendheid om openheid van zaken te geven. Zo blijkt uit onderzoek aan inbeslaggenomen telefoons en uit afgeluisterde telefoontaps en OVC-gesprekken dat sprake is geweest van gewiste berichten en videobeelden die in het onderzoek vervolgens niet meer boven water zijn gekomen. Het hof heeft zich van een en ander rekenschap gegeven en is bij de hierboven weergegeven vaststelling van de feiten zoveel mogelijk uitgegaan van de verklaringen van de getuigen die ter plaatse aanwezig waren en uit eigen waarneming hebben kunnen verklaren. Ook is het hof steeds nagegaan in hoeverre die verklaringen ook steun vinden in andere bewijsmiddelen. Verder heeft het hof bij de vaststelling van de feiten betrokken de eigen verklaringen van verdachte en zijn twee broers, die zij op de avond van 15 augustus 2020, dus nog geen 24 uur na de dodelijke steekpartij, bij de politie hebben afgelegd. De drie broers hebben bij de politie onder meer verklaard over hun aankomst respectievelijk aanwezigheid ter plaatse, over hoe zij gekleed waren die avond, over de confrontatie met [slachtoffer] die op dat moment in zijn auto zat, over een worsteling tussen [verdachte] en [slachtoffer] door het raampje van de auto en over de aanwezigheid van een mes of een daarop gelijkend voorwerp. [verdachte] heeft dit mes naar eigen zeggen in handen gehad. Dat [verdachte] het mes in handen heeft gehad, bevestigt hij ook in een (afgeluisterd) gesprek met [naam] op 4 november 2020. Deze verklaringen heeft het hof gelezen in onderling verband en in samenhang met de andere hierboven opgenomen bewijsmiddelen in het dossier.
Uit de hierboven opgenomen vaststaande feiten met bijbehorende bewijsmiddelen volgt dat - in ieder geval - [verdachte] en [medeverdachte 1] een aandeel hebben gehad in het tegen [slachtoffer] respectievelijk zijn auto gepleegde openlijke geweld nadat [slachtoffer] probeerde weg te komen van de parkeerplaats. Getuigen zien dat er wordt geschopt en geslagen tegen zowel [slachtoffer] als zijn auto.
Met betrekking tot [medeverdachte 1] merkt het hof op dat hij voor getuigen zeer duidelijk herkenbaar was aan zijn opvallend geblondeerde haar. Hij wordt al schoppend gezien door getuigen. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat aan zijn rechterschoen bloed zit van [slachtoffer] . Zijn kapotte telefoon ligt bij het achterwiel van de auto van [slachtoffer] . Hij was eerder die avond geslagen door [slachtoffer] , heeft daarna zijn broer [medeverdachte 2] gebeld en dit was mogelijk de reden voor [medeverdachte 2] en [verdachte] om zich vervolgens samen met de auto naar de parkeerplaats te begeven.
Uit meerdere verklaringen in het dossier is op te maken dat er meer mensen een rol moeten hebben gehad in het tegen [slachtoffer] respectievelijk zijn auto gepleegde geweld, maar dat doet aan het aandeel van [verdachte] en [medeverdachte 1] in dat geweld niets af.
De belangrijkste vraag is echter wie [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door hem met een mes in het bovenlichaam te steken. Op basis van hetgeen hierboven bij de vaststaande feiten en hetgeen omtrent de verklaringen van de drie verdachte broers d.d. 15 augustus 2020 is overwogen, is het hof van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] met een mes heeft gestoken en daarmee verantwoordelijk is voor diens overlijden. [slachtoffer] had blijkens de verklaring van [getuige 2] , die bij [slachtoffer] in de auto zat, nog geen steekletsels toen hij in de auto stapte. Hij had alleen wat bloed bij zijn mond. Het dossier bevat dan ook geen enkele steun voor het door de verdediging geopperde scenario dat [slachtoffer] al zou zijn gestoken bij de (eerste) confrontatie met [medeverdachte 1] bij de uitgang van de feestzaal. Vervolgens hangt [verdachte] met zijn bovenlichaam door het geopende autoraam en maakt onder meer stekende bewegingen naar [slachtoffer] . Als [slachtoffer] daarna uit de auto komt, heeft hij zeven steekletsels en zit hij onder het bloed. De vorm en de richting van de steekkanalen duiden erop dat [slachtoffer] is gestoken, terwijl hij nog in de auto zat (namelijk voetwaarts en rugwaarts). In de auto tussen de bestuurdersstoel en de deur ligt het afgebroken lemmet van het mes waar [slachtoffer] mee gestoken is. Het heft ligt er vlakbij op het wegdek.
De verdediging heeft aangevoerd dat het feit dat op het lemmet en heft van het mes geen DNA-sporen van [verdachte] zijn aangetroffen, maar alleen van [slachtoffer] en een onbekend gebleven derde, ontlastend is voor [verdachte] .
Het hof overweegt hierover dat het voor de hand had gelegen dat op het mes waarmee is gestoken DNA-materiaal van [verdachte] zou zijn aangetroffen. Dat daarop geen DNA-sporen van [verdachte] zijn aangetroffen, doet echter aan de bewijskracht van de overige bewijsmiddelen niet af. Met betrekking tot het scenario van de verdediging dat iemand anders dan [verdachte] [slachtoffer] met het ter plaatste (in twee delen) aangetroffen mes of met een ander mes heeft gestoken, overweegt het hof dat, voor zover het dossier al aanwijzingen bevat in die richting, die aanwijzingen nergens concrete steun vinden in verklaringen van ooggetuigen of in het forensisch opsporingsonderzoek. Een tweede mes is niet gevonden. Ook [verdachte] zelf en zijn broer [medeverdachte 2] , die er toch met hun neus bovenop hebben gestaan en de confrontatie met [slachtoffer] van begin (het rijden tegen de paal) tot eind ( [slachtoffer] komt de auto uit) hebben waargenomen, verklaren niets over een ander persoon met een mes die door het raampje van de auto stekende bewegingen heeft gemaakt.
Opzet
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
Het hof overweegt hierover het volgende.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte leidt het hof af dat het opzet van verdachte gericht was op de dood van [slachtoffer] . Verdachte heeft [slachtoffer] , terwijl deze in de auto achter het stuur zat en verdachte door het geopende autoraam aan zijn kant hing, zeven messteken in het bovenlichaam, onder andere diep in het hart en de longen, toegebracht. Uit de (aard van de) door verdachte jegens [slachtoffer] verrichte gewelddadige handelingen leidt het hof af dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk (niet in voorwaardelijke zin, maar vol opzet) van het leven heeft beroofd.
Medeplegen
Het hof acht niet bewezen dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer andere betrokkenen. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde onderdeel 'medeplegen'.
Conclusie
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte met opzet [slachtoffer] met messteken heeft gedood en dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en zijn auto.
Voorwaardelijke verzoeken
De verdediging heeft bij pleidooi verzocht om de forensische deskundigen dr. J. Fronczek, K. Herlaar en P.D. Zoon nader te bevragen over met welk mes en op welke wijze is gestoken, als het hof tot een bewezenverklaring van feit 1 komt. Voorts is daartoe overgelegd de brief van 29 mei 2023.
De maatstaf bij de beoordeling van dit verzoek of de noodzaak van het verzochte is gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor in relatie tot het bewijs is overwogen, wijst het hof het verzoek van de verdediging af nu het hof zich voldoende voorgelicht acht en de noodzaak tot het nader horen van deze deskundigen voor de beantwoording van de vragen genoemd in de artikelen 348 en 350 Sv onmiskenbaar overbodig is. Deze afwijzing brengt niet met zich dat er geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op 15 augustus 2020 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst te steken;
2.hij op 15 augustus 2020 te [plaats] openlijk, te weten op de [locatie] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] en een goed, te weten de personenauto waarin die [slachtoffer] reed, door
- die [slachtoffer] te trappen/schoppen en
- tegen die personenauto te trappen/schoppen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid
Verweer verdediging
De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat sprake was van een noodweersituatie en dat verdachte zichzelf mocht verdedigen. [slachtoffer] was met de auto op verdachte ingereden en maakte met een mes slaande bewegingen naar verdachte. Verdachte komt hiermee een beroep op noodweer toe. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van noodweerexces, nu verdachte in een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld veroorzaakt door de doodsangst en paniek door het gedrag van [slachtoffer] (het slaan van [medeverdachte 1] en het inrijden op verdachte). Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.
Oordeel van het hof
Voor een geslaagd beroep op noodweer vereist de wet dat de verdedigingshandeling wordt geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.
Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond om zich te verdedigen. Uit de dossierstukken en wat er ter terechtzitting is besproken, volgt dat [slachtoffer] in de auto zat en zojuist tegen een lantaarnpaal was gebotst, op het moment dat hij werd aangevallen. Er was, op het moment dat verdachte door het autoraam van [slachtoffer] ging hangen, dus geen sprake van een aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Niet is aannemelijk geworden dat het [slachtoffer] is geweest die, op het moment dat verdachte bij de auto stond, slaande bewegingen heeft gemaakt en vervolgens met een mes in zijn hand zwaaiende bewegingen heeft gemaakt. Gelet hierop is ook niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen. Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.
Reeds omdat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden kan het beroep op noodweerexces niet slagen.
Het bewezenverklaarde is strafbaar en verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Op 15 augustus 2020 is [slachtoffer] gedood door verdachte. [slachtoffer] is slechts 26 jaar oud geworden. In totaal werden er zeven steekwonden aan [slachtoffer] toegebracht, hetgeen getuigt van fors en ongeremd geweld door verdachte. [slachtoffer] bevond zich zittend achter het stuur in zijn auto in een kansloze positie tegenover het brute geweld dat tegen hem werd uitgeoefend. Het hof rekent verdachte de meedogenloze wijze waarop hij met het leven van een ander is omgegaan aan.
Doodslag is een buitengewoon ernstig misdrijf. Verdachte heeft [slachtoffer] beroofd van het meest kostbare dat een mens bezit, namelijk zijn leven. Een jonge man die nog een heel leven voor zich had. Verdachte heeft de nabestaanden immens leed toegebracht.
Hij heeft er geen blijk van gegeven inzicht te hebben in het strafwaardige van zijn handelen.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 maart 2026 blijkt dat verdachte in Nederland in 2014 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor opzetheling. Dit is geen strafverzwarende omstandigheid, gelet op de relatieve ernst van dat feit en gelet op hoe lang dat geleden is.
Ter zitting van het hof is door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren gebracht dat verdachte zelfstandig ondernemer is in de bouw, daarbij de opleiding Information-engineering doet en de zorg heeft voor zijn vijf kinderen.
Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt het hof als volgt.
De termijn van berechting in eerste aanleg bedraagt ongeveer twee jaar en vijf maanden.
De termijn van berechting in hoger beroep bedraagt ongeveer drie jaar en vier maanden. Het hof is van oordeel dat alleen in hoger beroep en slechts in beperkte mate sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De duur van de behandeling, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, vindt zijn rechtvaardiging in de omstandigheid dat onderhavige zaak deel uitmaakt van een groot onderzoek, het een omvangrijk dossier betreft en dat door het openbaar ministerie en diverse raadslieden in de met elkaar samenhangende strafzaken in verschillende stadia van het geding, onderzoekswensen zijn ingediend die voor een groot deel ook zijn toegewezen en zijn uitgevoerd. Dit heeft geleid tot het (nader) horen van vele getuigen door zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris. Het spreekt voor zich dat dit alles de nodige tijd in beslag heeft genomen. De overschrijding van de redelijke termijn met enkele maanden is in overwegende mate te wijten aan het niet-tijdig oproepen c.q. verschijnen van een getuige, van wie kort voor de geplande zittingsdata in oktober 2025 alsnog een adres bekend was geworden. Gelet op het voorgaande volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Alles afwegend is het hof van oordeel dat – gelet op de aard en de bijzondere ernst van de gepleegde feiten - oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, vanuit het oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door verdachte begane delicten, noodzakelijk is. Het hof ziet in hetgeen ter zitting over de persoonlijke omstandigheden van verdachte is aangevoerd geen aanleiding om de op te leggen straf te matigen. Het hof acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Benadeelde partijen
Vorderingen
Nabestaanden hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben het hof verzocht om hoofdelijke toewijzing van hun vordering, en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte op te leggen.
[benadeelde 1] (vriendin van [slachtoffer] )
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,00 ter zake van affectieschade ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
[benadeelde 2] (mogelijk de zoon van [slachtoffer] )
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,00 ter zake van affectieschade ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
[benadeelde 3] (moeder van [slachtoffer] )
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. Deze vordering is in zijn geheel in hoger beroep opnieuw aan de orde.
[benadeelde 4] (vader van [slachtoffer] )
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. Deze vordering is in zijn geheel in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Standpunt van de verdediging
[benadeelde 1]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen.
De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat [benadeelde 1] niet als een naaste/erfgename in de zin van artikel 51f lid 2 Wetboek van Strafvordering kan worden gezien. De raadsman betwist voorts dat er sprake is geweest van een duurzaam samenlevingsverband tussen [benadeelde 1] en [slachtoffer] .
Indien het hof voornemens is de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, refereert de raadsman zich ten aanzien van de gevorderde affectieschade aan het oordeel van het hof.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze niet aan verdachte dient te worden opgelegd omdat deze onevenredig belastend en bezwarend voor verdachte zal zijn.
[benadeelde 2]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen.
De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat niet vaststaat dat (het minderjarige kind) [benadeelde 2] daadwerkelijk de zoon is van [slachtoffer] .
Indien het hof voornemens is de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, refereert de raadsman zich ten aanzien van de gevorderde affectieschade aan het oordeel van het hof.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze niet aan verdachte dient te worden opgelegd omdat deze onevenredig belastend en bezwarend voor verdachte zal zijn.
[benadeelde 3]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de schade niet aan verdachte kan worden toegerekend.
Indien het hof voornemens is de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, refereert de raadsman zich ten aanzien van de gevorderde affectieschade aan het oordeel van het hof.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze niet aan verdachte dient te worden opgelegd omdat deze onevenredig belastend en bezwarend voor verdachte zal zijn.
[benadeelde 4]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de schade niet aan verdachte kan worden toegerekend.
Indien het hof voornemens is de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, refereert de raadsman zich ten aanzien van de gevorderde affectieschade aan het oordeel van het hof.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze niet aan verdachte dient te worden opgelegd omdat deze onevenredig belastend en bezwarend voor verdachte zal zijn.
Oordeel van het hof
[benadeelde 1]
vordert een bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade. Voor toewijzing van dit bedrag moet op grond van artikel 6:108 lid 3 jo. 6:108 lid 4 sub b BW komen vast te staan dat zij een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voerde met [slachtoffer] .
[benadeelde 1] heeft weliswaar gesteld dat hiervan sprake was, maar de verdediging heeft dit gemotiveerd betwist. Gelet op die betwisting – en op wat door de benadeelde partij ter onderbouwing van haar stelling naar voren is gebracht – staat het op dit moment onvoldoende vast dat [slachtoffer] en [benadeelde 1] inderdaad een duurzaam gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in de wet voerden. Er zal op dit punt (nadere) bewijslevering nodig zijn. Het zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. Dat betekent dat [benadeelde 1] als benadeelde partij niet in haar vordering kan worden ontvangen en haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
[benadeelde 2]
Namens [benadeelde 2] heeft [benadeelde 1] tevens een bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade gevorderd. Voor toewijzing van dit bedrag moet op grond van artikel 6:108 lid 3 jo. 6:108 lid 4 sub d BW komen vast te staan dat hij een kind is van [slachtoffer] .
[benadeelde 1] heeft weliswaar gesteld dat dit het geval is, maar de verdediging heeft dat gemotiveerd betwist. Gelet op die betwisting – en op wat namens de benadeelde partij ter onderbouwing van haar stelling naar voren is gebracht – staat op dit moment niet vast dat [benadeelde 2] een vordering jegens verdachte heeft op de voet van artikel 6:108 BW
Er zal op dit punt (nadere) bewijslevering nodig zijn. Het zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien de benadeelde partij in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om nader bewijs in te brengen. Dat betekent dat de benadeelde partij niet in deze vordering kan worden ontvangen en deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
[benadeelde 3] en [benadeelde 4]
Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW hebben nabestaanden ook recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade (affectieschade). Conform artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade (overlijden door een misdrijf van een meerderjarig uitwonend kind) zal aan zowel [benadeelde 3] als aan [benadeelde 4] het gevorderde bedrag van € 17.500,00, worden toegewezen.
Gebleken is dat beide benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte (het doden van hun zoon). Verdachte moet die schade vergoeden. De vorderingen van beide benadeelde partijen worden daarom toegewezen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, te weten 15 augustus 2020. Als extra waarborg voor betaling zal het hof ten behoeve van de benadeelde partijen aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen. Dat de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor verdachte onevenredig belastend en bezwarend zou zijn is niet gebleken.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 augustus 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 augustus 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. A.J. Rietveld en mr. P.S. Bakker, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Nijhuis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreffen dit, tenzij anders vermeld, de pagina's van het dossier van Politie Midden-Nederland met nummer 2021042211307053 d.d. 31 mei 2021 (onderzoek 03MANSFIELD20 / MD2R020160). Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 15 augustus 2020, pagina 154 en 155 en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 18 augustus 2020, pagina 208 en Proces-verbaal verhoor [getuige 1] d.d. 15 december 2020, pagina 1296 tot en met 1298 en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 27 oktober 2020, pagina 512 tot en met 514. Proces-verbaal verhoor [getuige 1] d.d. 15 december 2020, pagina 1308 en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 18 augustus 2020, pagina 210 en Proces-verbaal van bevindingen Snapchat-account [naam] , pagina 1662 tot en met 1665 en Proces-verbaal van bevindingen tap-gesprek d.d. 15 december 2020 telefoonnummer [getuige 1] , pagina 1777. Proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 15 augustus 2020, pagina 130 en Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 15 augustus 2020, pagina 144 en Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 15 augustus 2020, pagina 155. Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 15 augustus 2020, pagina 76 en 77 en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 4 maart 2021, pagina 2069. Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 15 augustus 2020, pagina 145. Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 15 augustus 2020, pagina 155. Proces-verbaal verhoor [getuige 2] d.d. 15 januari 2021, pagina 1345 en Proces-verbaal verhoor [getuige 2] d.d. 24 oktober 2022, afgelegd bij de rechter-commissaris. Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 18 augustus 2020, pagina 208. Proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 15 augustus 2020, pagina 130 en Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 15 augustus 2020, pagina 144 en Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 15 augustus 2020, pagina 155 tot en met 156 en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 4 maart 2021, pagina 2070 en 2071. Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 7 september 2020, pagina 877 en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 4 maart 2021, pagina 2073. Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 18 november 2021 afgelegd bij de rechter-commissaris en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 20 augustus 2020, pagina 257. Proces-verbaal verhoor [getuige 2] d.d. 16 augustus 2020, pagina 65 en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 18 augustus 2020, pagina 211. Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 4 maart 2021, pagina 2073 tot en met 2075 en Proces-verbaal verhoor [naam] d.d. 18 augustus 2020, pagina 211 en 212. Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] d.d. 15 augustus 2020, pagina 11. Proces-verbaal bevindingen verbalisant [verbalisant 2] d.d. 15 augustus 2020, pagina 19 tot en met 20. Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, Forensisch dossier pagina 35 tot en met 39. NFI-rapport d.d. 28 augustus 2020, Forensisch dossier pagina 282 tot en met 289: Het is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen. Het is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte [medeverdachte 1] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen. Proces-verbaal bevindingen verbalisant [verbalisant 3] , pagina's 466 en 467. Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig, Forensisch dossier pagina 94 tot en met 95. NFI-rapport Multidisciplinair forensisch onderzoek aan een personenauto, mesdelen en kleding naar aanleiding van een steekincident in [plaats] op 15 augustus 2020 d.d. 17 maart 2021, Forensisch dossier pagina 317 tot en met 330. NFI-rapport onderzoek biologische sporen naar aanleiding van steekincident met dodelijke afloop gepleegd in [plaats] op 15 augustus 2020, Forensisch dossier pagina 394 tot en met 400. NFI-onderzoek kleding verdachten, Forensisch onderzoek pagina 359 tot en met 375, in samenhang met proces-verbaal bevindingen d.d. 9 februari 2021, pagina's 3078 en 3079, waaruit blijkt dat de inbeslaggenomen (Nike Airforce) schoenen SIN AAMT6362NL toebehoren aan [medeverdachte 1] en niet aan [verdachte] . NFI-rapport pathologieonderzoek dr. J. Fronczek d.d. 18 augustus 2020, pagina 560 tot en met 573. Aanvullend bericht NFI van patholoog dr. J. Fronczek d.d. 27 oktober 2020, pagina 558 en 559. Proces-verbaal verhoor [verdachte] d.d. 15 augustus 2020, pagina 130 en Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 2] d.d. 15 augustus 2020, pagina 144 en Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 1] d.d. 15 augustus 2020, pagina 155. Proces-verbaal bevindingen OVC-gesprek 4 november 2020 tussen [naam] en [naam] , pagina 2795.