[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
wonende in [adres] .
Hoger beroep
Veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 19 mei 2026 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op € 3.078,72 en veroordeelde zal veroordelen tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens veroordeelde door zijn raadsvrouw, mr. D.M.P. van Eijsden, is aangevoerd.
Beslissing
Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank. Daarom zal het hof de beslissing van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Beoordeling van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Veroordeelde is bij vonnis van 24 september 2018 onherroepelijk veroordeeld voor:
het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een stof op en in de bodem, in de lucht en het oppervlaktewater brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is (feit 5 primair).
Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat op vordering van het Openbaar Ministerie aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De in de hoofdzaak bewezen verklaarde feiten betreffen het dumpen van afval van de productie van synthetische drugs. Door het drugsafval illegaal te dumpen en niet bij een erkende afvalverwerker aan te bieden worden de kosten bespaard die in het kader van de legale afvalverwerking zouden zijn gemaakt. Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep is het hof echter niet gebleken dat veroordeelde zelf voordeel heeft gehaald uit deze kostenbesparing.
De rechtbank heeft in de strafmaatoverwegingen van de hoofdzaak het volgende overwogen over de rol van veroordeelde: ‘Dat verdachte zelf belang had bij het dumpen van afval dat afkomstig was van een drugslaboratorium is niet gebleken. De rechtbank houdt het ervoor dat verdachte een ondergeschikte rol heeft gespeeld en dat hij niet de initiator van de dumpingen is geweest’. Veroordeelde heeft de opdracht gekregen om het drugsafval op illegale wijze te dumpen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat veroordeelde zelf met dit strafbaar handelen kosten heeft bespaard. Het hof gaat ervan uit dat de opdrachtgever(s) van veroordeelde deze kosten zou(den) hebben gedragen en dus ook de kosten hebben bespaard. Op grond van de processtukken en de behandeling van de vordering op de zitting is niet vast te stellen dat veroordeelde (mede) de kosten van de afvalverwijdering had gedragen als hij de strafbare feiten niet had medegepleegd. Evenmin is vast te stellen dat het voordeel van de kostenbesparing aan verdachte is toegekomen. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde voordeel heeft verkregen uit het in de hoofdzaak bewezen verklaarde handelen.
Het hof zal de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel daarom afwijzen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van geschat wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. S. Bek en mr. O.F. Essens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 2 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.