ECLI:NL:GHARL:2026:3511

ECLI:NL:GHARL:2026:3511

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 21-003239-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Onderzoek Travee. Veroordeling wegens het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet en betrokkenheid bij diverse hennepkwekerijen.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , van 2 september 2020 van de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 08-953033-14, 08-910050-17 en 08-910053-19, tegen

HENDRIKUS JOHANNES [verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 maart 2026 en 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M. Hoevers, naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 08-910050-17 onder 2 (feit 5) en in de zaak met parketnummer 08-910053-19 (feit 7) is ten laste gelegd.

Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen voornoemde vrijspraken. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken.

Omvang van het hoger beroep ten aanzien van het in de zaak met parketnummer

08-953033-14 onder 1 tenlastegelegde (feit 1) en het in de zaak met parketnummer

08-910050-17 onder 1 tenlastegelegde (feit 4)

Verder is verdachte door de rechtbank partieel vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 08-953033-14 onder 1 tenlastegelegde (feit 1) te weten voor zover het telastegelegde ziet op de periode het in of omstreeks 01 januari 2016 tot en met 25 februari 2016 telkens opzettelijk buiten het grondgebied brengen van hennep en van het in de zaak met parketnummer 08-910050-17 onder 1 tenlastegelegde (feit 4) voor zover dit betrekking heeft op de hennepkwekerij in het pand aan de [straat] in [plaats] . Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraken als beschermde vrijspraken moeten worden beschouwd waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat.

Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze in het vonnis gegeven partiele vrijspraken.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor:

Daarbij is aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 39 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De benadeelde partijen zijn

niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Het hof komt in dit arrest tot een andere kwalificatie dan de rechtbank ten aanzien van feiten 2, 3, 4 en 6. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Voor de leesbaarheid van dit arrest nummert het hof de nog aan het oordeel van het hof onderworpen feiten hetzelfde als de rechtbank, te weten het feit van de zaak met parketnummer 08-953033-14 als de feiten 1, 2 en 3 en de feiten van de zaak met parketnummer 08-910050-17 als feiten 4 en 6.

Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat:

1.hij op 26 februari 2016 te [plaats] en/of [plaats] en/of andere plaatsen in Nederland en/of Duitsland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

(een) hoeveelheid hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel;

2.hij

A] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 11 februari 2015 te [plaats]

B] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015 te [plaats]

C] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 februari 2015 tot en met 31 juli 2015 te [plaats]

D] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

ad A] op het adres [straat]

ad B] op het adres [straat]

ad C] op het adres [straat]

ad D] op het adres [straat]

heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van (in totaal)

ad A] ongeveer 2700 hennepplanten (berekend op 900 aangetroffen hennepplanten en 2 oogsten van telkens 900 hennepplanten),

ad B] ongeveer 550 hennepplanten,

ad C] ongeveer 1814 hennepplanten (op basis van 907 aangetroffen hennepplanten en een eerdere oogst),

ad D] ongeveer 6770 hennepplanten (op basis van 5 oogsten van telkens 1354 hennepplanten),

althans [ad A, B, C en/of D] een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,

waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] geleverde elektriciteit voor een bedrag van

(ad A) E. 4.894,51,-

(ad D) E. 56.688,54

illegaal is afgetapt,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten

ad A] 2700 en

ad B] 550 en

ad C] 1814 hennepplanten en

ad D] 6770 planten,

althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

3.hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 10 mei 2016, te [plaats] en/of [plaats] en/of andere plaatsen in Nederland (telkens) als oprichter /leider/bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van verdachte en/of (onder meer)

[medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 4] en

een of meer andere perso(o)n(en) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep)

opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, artikel 11a lid 1 j.o. lid 2 Opiumwet (na 1 maart 2015 vernummerd naar artikel 11b Opiumwet);

4.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 30 mei 2016 te [plaats] , [gemeente] ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straat] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1494 hennepplanten (berekend op basis van 390 aangetroffen hennepplanten en 1104 geoogste hennepplanten),

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door [benadeelde partij 1] geleverde elektriciteit voor een bedrag van E. 6.209,74 illegaal is afgetapt,

zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 1494 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

6.hij in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 mei 2016 te [plaats] .

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straat] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 8239 hennepplanten (berekend op basis van 7 oogsten van 1177 hennepplanten),

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,

waarbij ook een grote hoeveelheid door [benadeelde partij 1] geleverde elektriciteit voor een bedrag van bijna E. 18.500,- illegaal is afgetapt,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 8239 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 1, 2 onder A tot en met D, 3, 4 en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en kan zich vinden in de bewezenverklaring van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat niet verdachte, maar medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) de onbetwiste leider was van de criminele organisatie. Verdachte kan slechts worden aangemerkt als medepleger met een dienende rol.

Het oordeel van het hof

Het hof kan zich in grote lijnen met de overwegingen van de rechtbank verenigen, maar wijkt op enkele punten af met tekstuele aanpassingen en met aanvullingen of wijzigingen. Het hof gebruikt daarom hierna overwegingen van de rechtbank, maar heeft die, omwille van de leesbaarheid, omgezet naar de zijne.

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest bespreekt het hof de tenlastegelegde feiten niet in chronologische volgorde, maar volgt eerst een algemene overweging over de betrouwbaarheid van verklaringen, waarna het hof de betrokkenheid bij de hennepkwekerijen zal beoordelen en daarna die bij de criminele organisatie.

Ten aanzien van feit 1:

Op basis van OVC-gesprekken en camerabeelden stelt de politie vast dat er in de periode van 12 januari 2016 tot en met 23 februari 2016 zeven ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en/of [verdachte] enerzijds en Duitse mannen uit [plaats] anderzijds. Deze ontmoetingen vinden plaats in de loods van [medeverdachte 1] , gelegen aan de [straat] in [plaats] . Volgens de politie is op de OVC-gesprekken te horen dat er tijdens de ontmoetingen telkens wordt gesproken over soorten en hoeveelheden verdovende middelen en de levering en betaling daarvan.

Tijdens de ontmoeting op 23 februari 2016 wordt in de loods onder meer gesproken over een levering die op vrijdag (het hof begrijpt: vrijdag 26 februari 2016) om acht uur zal plaatsvinden. De Duitse politie voert die vrijdag een observatie uit. Om 05.52 uur wordt een Opel Insignia waargenomen met het kenteken [kenteken] . Er zitten twee personen in het voertuig, naar later blijkt [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] . Achter dit voertuig rijdt een andere Opel Insignia met het kenteken [kenteken] . In dit voertuig zit één persoon, naar later blijkt [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Gezien wordt dat beide voertuigen richting [plaats] rijden. Uiteindelijk wordt de achtervolging ingezet op de Opel Insignia met het kenteken [kenteken] . Gezien wordt dat dit voertuig om 08.01 uur op het adres [straat] in [plaats] het terrein van een garage oprijdt, dat [medeverdachte 3] een tas naar binnen brengt en dat hij vervolgens de garage weer afsluit. Nadat de verbalisanten [medeverdachte 3] hebben gearresteerd, zien zij in de bewuste garage een grote zwarte reistas liggen die op slot zit. Voor deze tas ligt een doos van een mobiele BlackBerry telefoon. Voor de rest is de garage leeg. Bij het openen van de tas zien de verbalisanten dat deze gevuld is met doorzichtige zakjes met marihuanabloesem. Op de zakjes staan handgeschreven markeringen: N+, P, K II en SH. Nader onderzoek wijst uit dat het een partij hennep betreft met een brutogewicht van 16,6 kilo.

Bij het hof ligt de vraag voor of [verdachte] betrokken is geweest bij het opzettelijk buiten het grondgebied brengen van die door de politie onderschepte levering verdovende middelen. [medeverdachte 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij het transport in opdracht van [verdachte] heeft verricht. Daarnaast heeft de politie de OVC-gesprekken uitgewerkt van de ontmoeting van 23 februari 2016. Het hof stelt vast dat [verdachte] bij deze afspraak aanwezig is geweest en de persoon is die de politie in het gesprek als ‘ [verdachte] ’ heeft aangeduid. Het hof baseert dat oordeel onder meer op de volgende passages:

“NNM: als je naar Duitsland komt doe ik ook alles voor jou geen probleem.

Ze praten door elkaar

NNM: geen probleem

[verdachte] : onverstaanbaar...met Han

Han: ja wij komen samen

Er wordt gelachen

Han: ja ik ga met [verdachte] mee”

“NNM: heb je van deze, [verdachte] , deze stekken?

[verdachte] : maar wat moet je hebben?”

Het komt het hof als vanzelfsprekend voor dat, nu er door personen over ‘ [verdachte] ’ wordt gesproken en aan ‘ [verdachte] ’ een vraag wordt gesteld, deze ‘ [verdachte] ’ ook bij het gesprek aanwezig was. Bovendien staat op basis van camerabeelden vast dat [verdachte] vaker ontmoetingen had met de Duitse afnemers en/of [medeverdachte 1] in de loods aan de [straat] in [plaats] .

Naar het oordeel van het hof zijn onderstaande gebezigde vetgedrukte termen in de geuite context (hoeveelheid, gewichten en geldbedragen) slechts voor één uitleg vatbaar, te weten de handel in drugs:

“NNM: acht Haze , vier normale, ik zweer drie-en-een-half sorry, drie-en-een-half. lk heb nog van de vorige keer drie stuk liggen

[verdachte] : ja

NNM: en van de donkere nog twee kilo, ik zweer op mijn alles”

“NNM: tweede rekening, totaal honderdachttienduizend zeshonderdvijftig

[verdachte] : ja

NNM: min de poeder tweeduizendtweehonderdvijftig zijn honderdzestienduizendvierhonderd min honderdachtduizend die ik heb gegeven.”

“NNM: en wacht, die PP viernegentig ik zweer het, ...onverstaanbaar

[verdachte] : vijfduizendnegenhonderdvijftig zeg je, min vijf, vijf die heb je mij gegeven, vierhonderdvijftig”

“ [verdachte] : als je dat doet, en alles is gedroogd en alles is goed en je hebt er zo'n grote knoppen ( [naam] ) in

NNM: onverstaanbaar

[verdachte] : nee, die zijn gedroogd maar die stengels die zijn nat, die krijg je niet gedroogd dan gaan de kleine knoppen kapot. Als je dat...onverstaanbaar...dan is het weg (…)

[verdachte] : dat krijg je niet droog

NNM: maar bij die Haze

[verdachte] : ja maar dan is het andere klein dan is het zo droog, wordt net bijna gruis . (…) [verdachte] : ik kan ook hier handel uit Spanje kopen

NNM: ja?

[verdachte] : maar dat is euh, ze maken/doen het daar op de normale manier, maar de handel gaat zo veel, zo veel slechte, bladeren

NNM: ja

[verdachte] : en de mensen verkopen dat hier voor vier twee, vier vier hier! Ze hebben geen zin om dat naar Duitsland te brengen de straffen zijn hoger .”

“NNM: bij laatste die je gestuurd hebt was veel gesneden hè?

[verdachte] : weet je wat we dan doen? Als de handel komt moet je er eigenlijk één a twee door doen.

NNM: ja? Want de laatste die je gedaan hebt was te vroeg geknipt .

[verdachte] : maar als ie dan komt dan kun je zeggen ja een klein hoekje van de.. onverstaanbaar....dat kan zijn ja, dat is geen mix, dan kun je zeggen de planten zijn hetzelfde.”

Het hof weegt bij zijn oordeel mee dat in het gesprek tevens gesproken wordt over ‘de handel’ in combinatie met vrijdag acht uur, zoals hieronder weergegeven:

“NNM: vrijdag acht uur dan hè?

[verdachte] : wat?

NNM: de handel

[verdachte] : ja”

Deze afspraak komt volledig overeen met de daadwerkelijke gang van zaken bij het onderschepte drugstransport van 26 februari 2016, zodat het hof het ervoor houdt dat er op de handel in drugs werd gedoeld. Bovendien komt de afspraak tussen [verdachte] en de Duitse afnemer(s) overeen met de verklaring van [medeverdachte 3] , inhoudend dat hij het transport heeft verricht in opdracht van [verdachte] . Er is aldus voldoende steunbewijs. Daar komt bij dat [medeverdachte 1] bij de ontmoeting van 12 januari 2016 aan de Duitse afnemers aangeeft hoe de levering zal gaan:

“Wiebe: beter als je een garage hebt, één maal kun je kijken, ik heb een chauffeur , en een voor chauffeur

NNM: Hollander?

Wiebe: nee een Duitser, alleen Duitsers. De voor chauffeur geeft je een sleutel van de garage, die zet het in de garage en twintig minuten later kun je het ophalen...niet wanneer de mensen, ze kunnen mijn mensen in de gaten houden maar ook die van jou...dat is beter niet zo.”

In het licht van deze opmerkingen van [medeverdachte 1] is het opvallend dat deze werkwijze overeenkomt met de levering op 26 februari 2016, waarbij immers ook gebruik is gemaakt van twee chauffeurs en een garage waarin de drugs werden neergezet. De inzittenden van één van die twee voertuigen, [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] , zijn familie van [verdachte] en wonen in Duitsland. Ook [verdachte] spreekt over een ‘voor chauffeur’ en zegt dat ze beiden in een Opel Insignia rijden.

Verder acht het hof redengevend dat tijdens de ontmoeting op 14 januari 2016 in de aanwezigheid van [verdachte] tussen [medeverdachte 1] en de Duitse afnemers wordt besproken dat [medeverdachte 1] markeringen aanbrengt, aangezien op de verdovende middelen van de onderschepte levering ook markeringen waren geschreven:

“NNM: alstublieft alles goed markeren, niet verkeerd markeren...onverstaanbaar..

Wiebe: die normale, schrijf ik niks erop. Bij haze schrijf ik H , (beslag in Duitsland)

Ze praten onverstaanbaar door elkaar..

Wiebe: of SH , silber haze of wat.”

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 onder A ( [plaats] ):

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 11 februari 2015 wordt door de politie in een pand gelegen aan [straat] in [plaats] binnengetreden. De verbalisanten stuiten onder meer op een in werking zijnde hennepkwekerij met in totaal negenhonderd planten, verspreid over twee afgetimmerde kweekruimtes. In de eerste kweekruimte staat een koelinstallatie. De assimilatielampen zijn door middel van een tijdsklok ingeschakeld. In de tweede kweekruimte is een afvoer voor de warme lucht gebouwd. Ook hier staan tijdschakelaars ingesteld op assimilatielampen. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij [benadeelde partij 1] , geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij in werking is geweest. Er zijn meerdere indicatoren dat de aangetroffen apparatuur al langer in gebruik is geweest in de kweekruimtes. Er is bijvoorbeeld onder meer sprake van een vervuiling op het filterdoek van de aanwezige koolstoffilters en op de lampenkappen die in de kweekruimtes hangen. Ook zijn er vervuilde bamboestokken aangetroffen.

Daarnaast is over de periode van 17 december 2014 tot en met 24 december 2014 door [benadeelde partij 1] een netmeting verricht. Uit de meting blijkt dat het gemeten patroon duidt op een mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij in de betreffende loods.

Volgens de verklaring van [medeverdachte 8] kwamen er in augustus 2014 mensen in het pand kijken die voorstelden een hennepkwekerij te starten. De eerste hennepplanten zijn er eind september, begin oktober 2014 ingegaan en begin december geoogst.

Verder heeft een overbuurman omstreeks augustus/september 2014 een sterke wietlucht geroken, waarvan hij dacht dat deze uit de loods aan [straat] kwam.

Onderzoek naar betrokken personen

Uit onderzoek blijkt dat op 14 februari 2014 een huurovereenkomst is afgesloten ten behoeve van het bewuste pand, waarvan de ingangsdatum 1 maart 2014 is. Het pand wordt gehuurd op naam van [bedrijf] . De bestuurder van het bedrijf is [medeverdachte 8] . Uit observaties is gebleken dat [medeverdachte 8] , kort voor de ontmanteling van deze kwekerij, meermalen bij en in het pand is geweest. Daarnaast is er sporenonderzoek verricht op voorwerpen in het pand. De verbalisanten stellen onder meer een drinkbeker en kauwgum waarop gekauwd was veilig. Uit het NFI rapport blijkt dat het daarop aangetroffen DNA-materiaal afkomstig kan zijn van [medeverdachte 8] . In beide gevallen is de kans dat het DNA-materiaal van een ander dan van [medeverdachte 8] afkomstig is kleiner dan één op één miljard.

[medeverdachte 8] heeft meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd, waarin hij ook belastend over andere betrokkenen verklaart. In zijn verhoren van 13 februari 2015, 20 oktober 2015 en 28 oktober 2015 verklaart [medeverdachte 8] over een groep van ongeveer vijf personen die (mede)verantwoordelijk zou zijn voor de hennepkwekerijen in [plaats] en [plaats] . In eerste instantie wil [medeverdachte 8] geen namen noemen van de groepsleden. [medeverdachte 8] zegt de jongens wel te kunnen beschrijven, maar kiest ervoor dat op dat moment niet te doen. Pas in zijn verhoor van 23 mei 2016 wil [medeverdachte 8] daar vanwege de verdenking van grootschalige hennepteelt op terugkomen. Hij noemt de namen [medeverdachte 3] , [naam] (hierna: [naam] ) en [verdachte] en [medeverdachte 9] . De rolverdeling was dat [medeverdachte 9] de man was die onderhoud deed en de andere personen (het hof begrijpt [naam] , [verdachte] en [medeverdachte 3] ) kwamen zo nu en dan eens even langs om te kijken of alles goed ging (het hof begrijpt met de hennepplanten).De afspraken zijn gemaakt met [verdachte] , ook over het geld. [verdachte] is de man waar het om gaat: de jongen die de lijn uitzet en bepaalt wat er gebeurt. Zijn wil is wet. [verdachte] deed ook de specialistische dingen, zoals stroom aansluiten. [medeverdachte 8] vertelt afhankelijk te zijn geweest van [verdachte] , want die zou de hennep verkopen. Het contact liep via [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] . Verder verklaart [medeverdachte 8] dat [medeverdachte 9] de ‘waterman’ was, die elke twee á drie dagen langskwam om de plantjes te verzorgen. Hij hield ook toezicht op de hennepkwekerij. [verdachte] en [naam] hebben het (het hof begrijpt de planten water geven) ook wel eens gedaan. [naam] heeft ook meegeholpen met de opbouw en kwam zo nu en dan kijken naar de plantjes. [medeverdachte 8] had de indruk dat hij de technische man was, wat inhoudt dat hij verstand van de plantjes had. Volgens [medeverdachte 8] was [medeverdachte 3] een meeloper. Hij had altijd geld bij zich. Er kwamen nog meer personen, maar die kent [medeverdachte 8] niet bij naam. Aan [medeverdachte 8] zijn daarom foto’s getoond van mogelijk betrokken personen. Aan de hand hiervan kan worden geconcludeerd dat [medeverdachte 8] met ‘ [medeverdachte 9] ’ op [medeverdachte 9] Talen (hierna: [medeverdachte 9] ) en met ‘ [verdachte] ’ op [verdachte] doelt. [medeverdachte 8] herkent de persoon op foto nummer 11 ( [naam] ), maar weet zijn naam niet. Het was iemand die meehielp bij de opbouw in [plaats] .

Daarnaast heeft ook [medeverdachte 9] verklaard over de hennepkwekerij aan [straat] in [plaats] . [medeverdachte 9] bevestigt dat hij de ‘waterman’ is, waarover [medeverdachte 8] spreekt, en zegt dat hij af en toe voor [medeverdachte 8] de planten water gaf. [medeverdachte 9] zegt dat hij met [medeverdachte 8] in contact is gekomen omdat hij hem vroeg of hij dit wilde.

Verder zijn er in de periode van 15 januari 2015 tot 26 februari 2015 camera's geplaatst met zicht op het pand [straat] in [plaats] . Er zijn op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. Het hof zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Er is regelmatig een Hyundai Getz met het kenteken [kenteken] bij het pand geweest. Dit voertuig stond tijdens de bovengenoemde periode op naam van [medeverdachte 9] . Ook is in diezelfde periode meermalen een Volkswagen bus met het kenteken [kenteken] bij het pand gesignaleerd. Dit voertuig stond tijdens de bovengenoemde periode op naam van [naam] .

Daarnaast wordt op de camerabeelden tussen 1 december 2014 en 24 februari 2015 tweemaal een Renault Vel Satis waargenomen met de kentekens [kenteken] en [kenteken] Deze voertuigen stonden destijds op naam van [medeverdachte 3] . Daar komt bij dat ook een voertuig is gezien op naam van [autoverhuur] , welk bedrijf een rechtstreeks verband heeft met [medeverdachte 3] . Tot slot is door het observatieteam gezien dat [verdachte] op 1 december 2014 de Renault Vel Satis met het kenteken [kenteken] heeft bestuurd, deze auto heeft geparkeerd nabij het bedrijf [bedrijf] en daar naar binnen ging.

Overwegingen en conclusies

Het hof overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 9] , [naam] en [naam] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan [straat] in [plaats] .

Het hof stelt vast dat [verdachte] de lijntjes uitzette en bepaalde wat er gebeurde. Met hem werden ook de afspraken gemaakt en hij was ook degene die de hennep verkocht. Verder gaat het hof ervan uit dat [verdachte] en [naam] de hennepplanten water hebben gegeven. [naam] heeft tevens geholpen met de opbouw en kwam net als [verdachte] en [medeverdachte 3] zo nu en dan langs om de plantjes te bekijken. [medeverdachte 8] heeft het pand geregeld ten behoeve van de hennepkwekerij. [medeverdachte 8] heeft daarnaast [medeverdachte 9] gevraagd of hij werkzaamheden wilde verrichten in de kwekerij. [medeverdachte 9] heeft, net als [verdachte] en [naam] , de hennepplanten water gegeven. Hij hield ook toezicht op de hennepkwekerij en was samen met [medeverdachte 3] de contactpersoon. [naam] heeft geholpen bij de opbouw van de hennepkwekerij.

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. Het hof is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij zowel zelf de planten water heeft gegeven en gekeurd maar ook anderen heeft aangezet tot hennepgerelateerde taken. Voornoemde gedragingen van [verdachte] zijn tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde onder A, met uitzondering van het afleveren, verstrekken en vervoeren van hennepplanten.

Gelet op de verklaring van [medeverdachte 8] kan de ten laste gelegde periode van 1 augustus 2014 tot en met 11 februari 2015 worden bewezen verklaard.

Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het hof weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op [straat] in [plaats] negenhonderd planten. Daar komt bij dat er in de kweekruimtes professionele klimaatbeheersingsvoorzieningen waren getroffen, zoals het instellen van tijdschakelaars op assimilatielampen, en de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 2 onder B ( [plaats] ):

Aantreffen van hennepkwekerij

Na de ontmanteling van de hennepkwekerij aan [straat] in [plaats] , wordt opgemerkt dat [medeverdachte 8] wederom een pand huurt, ditmaal aan de [straat] in [plaats] . Ook daar komen personen en voertuigen van de ‘organisatie’. Het vermoeden rijst daarom dat op deze locatie een hennepkwekerij wordt opgezet. In dat kader wordt op 15 oktober 2015 door de politie in het bewuste pand binnengetreden. In de ruimte achter de deur van de opslagruimte staan allerlei benodigdheden voor een hennepkwekerij, zoals potaarde, assimilatielampen en koolstoffilters. Vervolgens stuiten de verbalisanten op twee afgetimmerde kweekruimtes, waarvan de eerste ruimte kennelijk nog in opbouw is. In de tweede kweekruimte treffen de verbalisanten een hennepplantage aan. In deze ruimte staan 550 planten van ongeveer acht weken oud. In totaal hangen er 26 assimilatielampen. Alle hennepplanten worden door middel van een irrigatiesysteem van een vloeistof voorzien vanuit een watervat. De luchtverversing, luchtafvoer en warmteafvoer wordt geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. Ook wordt er gebruikgemaakt van CO2 toevoeging. Er zijn geen indicaties die duiden op een eerdere oogst.

Onderzoek naar betrokken personen

[medeverdachte 8] heeft meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd, waarin hij ook belastend over andere betrokkenen verklaart. Zo spreekt [medeverdachte 8] over een groep van ongeveer vijf personen die (mede)verantwoordelijk zou zijn voor de hennepkwekerijen in [plaats] en [plaats] . Het hof overweegt dat [medeverdachte 8] is geconfronteerd met een aantal foto’s en leidt uit zijn herkenningen af dat hij met [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 9] en ‘ [naam] ’ doelt op [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 9] en [naam] (hierna: [naam] ).[medeverdachte 8] vertelt dat hij in geldproblemen kwam met de hennepkwekerij in [plaats] . Hij had een schuld bij ‘de jongens’. Daarom besloot [medeverdachte 8] om het pand aan de [straat] in [plaats] te huren, op naam van [naam] . Het huurcontract ving aan op 15 mei 2015 en de huur bedroeg € 20.000,- per jaar. [medeverdachte 8] heeft € 5.000,- van [medeverdachte 3] gekregen en € 5.000,- van de vader van [verdachte] , die hij ‘ [verdachte] ’ noemt, wonende aan de [straat] in [plaats] . Het contact liep toen nog uitsluitend via [medeverdachte 3] , maar [verdachte] is wel in het pand aan de [straat] in [plaats] geweest. De planten zijn er op 24 augustus 2015 neergezet. ‘De jongens’ hebben de kweekruimtes ingericht, namen de planten mee en verzorgden deze. Om de twee dagen werd er iemand gestuurd om de plantjes te verzorgen. Ten tijde van de inval was [medeverdachte 8] naar eigen zeggen net een jongen aan het ophalen van een carpoolplek. [medeverdachte 8] verklaart dat hij [medeverdachte 9] heeft gezien bij de opbouw van de koelcel en kwekerij. Daarnaast hebben [medeverdachte 9] en [verdachte] alle hokken gebouwd. De andere personen waren allemaal van [verdachte] afhankelijk. Hij weet bijvoorbeeld dat [medeverdachte 9] door [verdachte] werd betaald. [medeverdachte 8] zegt [naam] vermoedelijk ook in [plaats] te hebben gezien. Zijn rol was bouwen.

[medeverdachte 9] verklaart dat hij een koelcel heeft geplaatst in het pand aan de [straat] in [plaats] . Hij zegt dat [medeverdachte 8] (het hof begrijpt uit de context van het verhoor dat hij [medeverdachte 8] bedoelt) hem soms daarbij heeft geholpen.

Daarnaast verklaart [getuige] over de hennepkwekerij aan de [straat] in [plaats] dat [medeverdachte 8] dat pand had samen met zijn zoon en nog wat mensen uit [café] in [plaats] . [getuige] zegt er twee keer binnen te zijn geweest. De eerste keer dat [getuige] er was, zag hij dat het een hennepkwekerij was. Er waren twee hokken waar hennepplanten in stonden. Hij had het idee dat [medeverdachte 8] het voor het zeggen had. [getuige] heeft zelf ook werkzaamheden verricht, die bestonden uit camera’s installeren, lampen ophangen en kabels aansluiten. Volgens [getuige] wilde [medeverdachte 8] die camera’s omdat hij problemen had gehad in [plaats] . [getuige] was nog bezig met de installatie toen er al een inval was. Hij zou de nieuwe kweekruimte gaan verzorgen. De potgrond hiervoor lag al klaar bij de koelcel. De tweede keer dat [getuige] er was, kwam de zoon van [medeverdachte 8] langs, samen met een beruchte crimineel, die de AH supermarkt (het hof begrijpt [supermarkt] ) had afgeperst. Deze crimineel is samen met de zoon van [medeverdachte 8] in het pand geweest en wilde graag de plantjes zien. Het hof stelt onder meer op basis van de verklaring van [medeverdachte 8] vast (die spreekt over [medeverdachte 3] en een [supermarkt] affaire) dat [getuige] met de beruchte crimineel op [medeverdachte 3] doelt.

Verder verklaart [naam] dat hij vier keer in [plaats] is geweest. [verdachte] was er altijd en die deed de deur voor hem open. Het was daar niet zo groot. In de loods stond een grote koelvriezer en daarachter was de kwekerij. [naam] zegt dat hij de ventilatie heeft aangesloten. [naam] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij verdacht wordt van betrokkenheid bij drie hennepkwekerijen en dat [verdachte] bij al die kwekerijen was betrokken. [naam] vond [verdachte] een beetje ogen als de baas, zo’n regelbaasje.

Tot slot volgt uit de verklaring van [getuige] (hierna: [getuige] ) dat hij camera’s heeft opgehangen.

Bij [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] zijn bakens onder hun voertuigen geplaatst. Bij [medeverdachte 9] is dat gebeurd in de periode van 10 maart 2015 tot 26 november 2015, onder een Hyundai Getz met het kenteken [kenteken] . Hieruit is gebleken dat zijn voertuig in juni 2015 zeven keer en in juli 2015 twee keer bij het pand aan de [straat] in [plaats] is geweest.

Bij [medeverdachte 3] is de baken geplaatst geweest in de periode van 5 juni 2015 tot 22 september 2015, onder een Renault Kangoo met het kenteken [kenteken] . Hieruit is gebleken dat zijn voertuig in juni 2015 vier keer bij het pand aan de [straat] in [plaats] is geweest.

Daarnaast zijn er in de periode van 10 september 2015 tot en met 22 oktober 2015 camera’s geplaatst met zicht op het pand aan de [straat] in [plaats] . Ook is er een observatieteam ingezet. Een aantal observaties komt overeen met de bakengegevens van de hierboven genoemde voertuigen, bijvoorbeeld op 2 juni 2015 en op 23 juni 2015. Voorts zijn op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. Het hof zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Op 23 juni 2015 wordt door het observatieteam om 13.50 uur gezien dat [medeverdachte 8] als bestuurder van een Fiat Croma met het kenteken [kenteken] bij het pand arriveert. Wat verder opvalt is dat een Volvo met het kenteken [kenteken] en een Ford Transit met het kenteken [kenteken] van de [straat] in [plaats] naar de [straat] in [plaats] rijden. De bestuurder van de Volvo wordt als [medeverdachte 3] herkend en de bestuurder van de Ford Transit als [naam] . Op 30 juni 2015 wordt gezien dat [naam] met de Ford Transit met het kenteken [kenteken] en [medeverdachte 3] met de Mercedes met het kenteken [kenteken] van de [straat] in [plaats] naar de [straat] in [plaats] rijden. Ook tussen 24 september 2015 en 15 oktober 2015 wordt [medeverdachte 8] regelmatig bij het pand waargenomen als bestuurder van de eerder genoemde Fiat Croma of van een Volkswagen Caddy met het kenteken [kenteken] .

Overwegingen en conclusies

Het hof overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [naam] , [getuige] en [getuige] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan de [straat] in [plaats] .

Het hof stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte 9] de hokken voor de hennepkwekerij hebben gebouwd. Daarnaast staat het voor het hof vast dat de bij de hennepkwekerij betrokken personen afhankelijk waren van [verdachte] , die in elk geval [medeverdachte 9] betaalde. Dit past ook bij de verklaring van [naam] , dat [verdachte] oogde als de baas, zo’n regelbaasje. [naam] heeft geholpen bij de opbouw en heeft de ventilatie aangesloten. Verder gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 8] onder een valse naam het pand heeft gehuurd. Hij heeft ook wel eens het vervoer van een carpoolplek naar de hennepkwekerij verzorgd. [getuige] had bovendien het idee dat [medeverdachte 8] het voor het zeggen had in het pand. [medeverdachte 3] was de contactpersoon van [medeverdachte 8] . Hij kwam tevens meermalen bij het pand, waaronder (tenminste) één keer om de plantjes te bekijken. Tot slot staat het voor het hof vast dat [getuige] zich bezighield met de camera-installatie. Dat geldt ook voor [getuige] , die tevens lampen ophing en kabels aansloot.

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. Het hof is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij heeft geholpen om de hennepkwekerij te realiseren en er aanknopingspunten zijn dat hij de baas was, ook omdat in elk geval [medeverdachte 9] van hem afhankelijk was. Voornoemde gedragingen van [verdachte] zijn tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde onder B, met uitzondering van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennepplanten.

Gelet op de verklaring van [medeverdachte 8] , bakengegevens en observaties kan de ten laste gelegde periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015 worden bewezen verklaard.

Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het hof weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op de [straat] in [plaats] 550 planten. Daar komt bij dat de kweekruimtes waren afgetimmerd, een bevloeiingssysteem was geregeld en een afzuiging naar buiten was gemaakt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 2 onder C ( [straat] [plaats] ):

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 31 juli 2015 wordt door de politie in een pand aan [straat] in [plaats] binnengetreden in verband met de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij. De verbalisanten treffen een man (naar later blijkt [naam] , hierna: [naam] ) aan in de deuropening. Het valt de verbalisanten op dat de onderbenen en voeten van de man nat zijn en dat er aarde aan zijn voeten en tenen zit. Ook ruikt de man naar hennep. Deze waargenomen geur kan in zoverre worden verklaard doordat binnen een hennepkwekerij wordt aangetroffen. De hennepkwekerij bestaat uit een tweetal afgetimmerde kweekruimtes. In beide ruimtes zijn drie kweekbedden ingericht. In de eerste ruimte staan 425 hennepplanten van ongeveer vier tot zes weken oud en in de tweede ruimte staan 482 hennepplanten van ongeveer acht weken oud. Door de verbalisanten wordt geconstateerd dat de hennepplanten in teelaarde staan en handmatig worden besproeid. De vuile lucht uit de eerste en tweede kweekruimte komt via flexibele slangen samen in een T-profiel, gelegen bovenop het dak van de aftimmerde kweekruimtes en verdwijnt via het dak. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij [bedrijf] , geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij in werking is geweest. Het blijkt dat het pand sinds 15 januari 2015 door [naam] wordt gehuurd. Er zijn vanaf maart 2015 bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet, omdat toen al een vermoeden bestond dat in het pand een hennepkwekerij zat. Uit observaties, camerabeelden en bakengegevens blijkt dat vanaf 30 maart 2015 regelmatig voertuigen en personen bij het pand zijn geweest, die ook te linken zijn aan hennepkwekerijen aangetroffen op andere adressen.

Onderzoek naar betrokken personen

Nadat [naam] is aangehouden, wordt hij als verdachte verhoord. [naam] verklaart dat hij de afgelopen week in opdracht [naam] (het hof begrijpt [naam] ) de planten water heeft gegeven. Hilvert heeft hem verteld wat hij moest doen.

[naam] bekent tegenover de politie dat hij een hennepkwekerij had in het pand aan [straat] in [plaats] . In zijn verhoor van 14 juni 2016 verklaart [naam] dat hij werd benaderd door [naam] (het hof begrijpt [naam] ) met de vraag of hij interesse had in een hennepkwekerij. [naam] heeft hem vervolgens met een paar jongens in contact gebracht. [verdachte] uit [plaats] heeft de hennepkwekerij ingericht. Daarna zijn de jongens, één blanke en één donkere, die hij niet kende, in het pand gaan werken. [naam] denkt dat [verdachte] alles heeft geregeld. Nadat [naam] een aantal foto’s is getoond, geeft hij aan dat hij de persoon op foto nummer 10 ( [naam] ) herkent als ‘ [naam] ’. Volgens [naam] klopt het dat ‘ [naam] ’ de ventilatie heeft gedaan. [naam] vertelt dat de jongens, waaronder [naam] , hebben geknipt en de ruimtes daarna weer hebben vol gezet. Verder herkent hij de persoon op foto nummer 6 ( [medeverdachte 9] ) als iemand die de opbouw deed. De persoon op foto nummer 8 ( [medeverdachte 10] , hierna: [medeverdachte 10] ) heeft [naam] ook een keer gezien samen met de personen op foto nummer 6 ( [medeverdachte 9] ) en nummer 10 ( [naam] ). De persoon op foto nummer 24 ( [medeverdachte 4] ) kwam af en toe langs om te kijken hoe het met de plantjes ging. [naam] denkt dat deze jongen een Volvo had. Verder verklaart [naam] dat hij op aanzeggen van ‘ [naam] ’ wel eens jongens heeft opgehaald vanaf een carpoolplaats. Ook heeft [naam] ten behoeve van dit ophalen zijn auto wel eens omgeruild, omdat dat moest van [naam] of ‘ [naam] ’. Hoewel [naam] zegt dat hij van tevoren niet het plan had bedacht om een hennepkwekerij te starten, verklaart hij tegelijkertijd dat hij een pand huurde in [plaats] , omdat [plaats] te dichtbij was voor het geval dat hij ‘gepakt zou worden’.

[naam] verklaart in zijn verhoor van 12 mei 2016 dat hij in het pand aan [straat] in [plaats] is geweest voor het aanleggen van ventilatie. Er waren twee kweekruimtes, want hij heeft twee keer de ventilatie aangesloten. Andere jongens deden het onderhoud aan de hennepplanten. [naam] zegt dat ‘ [naam] ’ (het hof begrijpt [medeverdachte 10] op basis van de verklaringen van [medeverdachte 8] en [naam], gelet op de legenda bij de foto’s van verdachten in het dossier) degene is die de materialen voor de bouw van de hennepkwekerij heeft opgehaald. [naam] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij verdacht wordt van betrokkenheid bij drie hennepkwekerijen en dat [verdachte] bij al die kwekerijen was betrokken. [naam] vond [verdachte] een beetje ogen als de baas, zo’n regelbaasje. Ook tegenover de rechter-commissaris verklaart [naam] dat het kan kloppen dat hij verantwoordelijk is geweest voor de installatie en aanleg van de hennepkwekerij aan [straat] in [plaats] .

[medeverdachte 10] bekent dat hij heeft geholpen met de opbouw van de hennepkwekerij. Hij zit zonder werk en kan ieder zakcentje gebruiken. [medeverdachte 10] herkent [verdachte] op een foto van 30 maart 2015 aan [straat] in [plaats] .

Tot slot zijn er camera’s geplaatst met zicht op het pand aan [straat] in [plaats] . Ook is er een observatieteam ingezet. Er zijn op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. Het hof zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Op 30 maart 2015 wordt om 15.30 uur gezien dat de volgende voertuigen bij het pand aan [straat] in [plaats] staan geparkeerd: de Hyundai Getz met het kenteken

[kenteken] , de BMW 5 serie met het kenteken [kenteken] , de Mercedes Benz met het kenteken [kenteken] en de Renault Kangoo met het kenteken [kenteken] . Om 17.05 uur wordt gezien dat [verdachte] als bestuurder van de Renault Kangoo en [medeverdachte 10] (NN5) als bestuurder van de Mercedes Benz vertrekken. Even later, om 17.08 uur, wordt gezien dat [naam] (NN1) en [medeverdachte 9] het eerdergenoemde pand verlaten. [naam] doet de deur op slot en vertrekt als bestuurder van de BMW 5 serie en [medeverdachte 9] vertrekt als bestuurder van de Hyundai Getz.

Op 1 juni 2015 wordt gezien dat voertuigen heen en weer rijden tussen de [straat] (zie zaaksdossier 02) en [straat] in [plaats] . Om 12.36 uur wordt gezien dat [naam] het pand aan [straat] verlaat, een voorwerp pakt uit de BMW met het kenteken [kenteken] en daarna het pand weer betreedt. Om 13.04 uur wordt door het observatieteam waargenomen dat onder meer [medeverdachte 4] aan de [straat] in een Renault Vel Satis met het kenteken [kenteken] stapt. Om 13.14 uur wordt dit voertuig geparkeerd aan [straat] . Gezien wordt dat de inzittenden, inclusief [medeverdachte 4], het pand betreden en daar blijven tot 14.25 uur. Daarna vertrekt het voertuig weer naar het pand aan de [straat] .

Overwegingen en conclusies

Het hof overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [naam] , [naam] , [medeverdachte 10] , [naam] en [medeverdachte 4] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan [straat] in [plaats] .

Het hof stelt vast dat [verdachte] de hennepkwekerij heeft ingericht en alles rondom de hennepkwekerij regelde. Daarnaast staat het voor het hof vast dat [naam] het pand heeft gehuurd en dit ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van de hennepkwekerij en de planten wel eens water heeft gegeven. Verder gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 10] heeft geholpen met de opbouw van de hennepkwekerij, [naam] de planten water heeft gegeven, [medeverdachte 4] zo nu en dan langskwam om de planten te keuren en [naam] de ventilatie heeft aangesloten, heeft geoogst en daarna weer nieuwe hennepplanten heeft gepoot.

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. Het hof is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij heeft geholpen om de hennepkwekerij te realiseren door mee te helpen met de opbouw van de hennepkwekerij, maar ook alles daaromheen te regelen. Voornoemde gedragingen van [verdachte] zijn tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde onder C, met uitzondering van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennepplanten.

Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het hof weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op [straat] in [plaats] 907 planten. Daar komt bij dat de kweekruimtes waren afgetimmerd, een afzuiging naar buiten was gemaakt en de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 2 onder D ( [straat] [plaats] ):

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 27 juli 2015 wordt door de politie in een pand gelegen aan de [straat] in [plaats] binnengetreden. De verbalisanten zien in de opslagruimte allerlei goederen en attributen die nodig zijn voor de hennepteelt, waaronder assimilatielampen, ventilatoren, cannacutters, trafo’s en flexibele buizen. Vervolgens betreden de verbalisanten een afgetimmerde kweekruimte met daarin een grotendeels ontmantelde hennepkwekerij. Er staan geen hennepplanten meer en de meeste voor een kwekerij benodigde attributen en goederen zijn weggehaald. In het plafond boven het kantoorgedeelte zijn vijf gaten voor de flexibele buizen gemaakt, vermoedelijk voor de aanvoer van verse lucht. Uit onderzoek naar het aantal planten lijkt te volgen dat er minimaal 1.354 planten in het pand hebben gestaan. In de kweekbakken liggen resten van hennepplanten. Een aantal van deze resten wordt getest met gebruikmaking van een cannabistest. De test geeft een positieve reactie, indicatief voor hennep of THC. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij [bedrijf] , geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij in werking is geweest. Er zijn meerdere indicatoren dat de aangetroffen apparatuur al langer in gebruik is geweest in de kweekruimtes. Er is bijvoorbeeld onder meer sprake van verdroogde resten van hennepplanten op, in en naast de kweekbakken en in vuilniszakken. Ook bevinden zich hennepresten op de in de kweek- en opslagruimtes aangetroffen knipschaartjes.

Verder valt het de verbalisanten op, afgezet tegen het feit dat het pand sinds juli 2012 wordt verhuurd, dat de in de kweekruimte aangetroffen vervuilde afzuigventilator een productiedatum van week 18 van het jaar 2012 vermeldt. In de kweekruimte worden daarnaast gipsplaten aangetroffen, die als scheidingswand dienen, waarop de productiedatum 7 juli 2012 staat.

Onderzoek naar betrokken personen

Uit onderzoek blijkt dat het pand sinds juli 2012 wordt gehuurd door [bedrijf] , vertegenwoordigd door [medeverdachte 3] . Tijdens de inval is er sporenonderzoek verricht op voorwerpen in het pand. Een verbalisant stelt onder meer een in de kweekruimte aangetroffen sigarettenpeuk veilig. Uit het NFI rapport blijkt dat het daarop aangetroffen DNA-materiaal afkomstig kan zijn van [medeverdachte 3] . De kans dat het DNA-materiaal van een ander dan [medeverdachte 3] afkomstig is kleiner dan één op één miljard. [medeverdachte 3] verklaart dat hij sinds januari 2015 bezig was met het opzetten van een hennepkwekerij, maar dat er nog nooit een plant in het pand heeft gestaan. In het dossier zitten echter diverse bewijsmiddelen waaruit het tegendeel blijkt.

Zo zijn er in de periode van 9 februari 2015 tot 27 juli 2015 camera’s geplaatst met zicht op het pand aan de [straat] in [plaats] . Ook is er een observatieteam ingezet. Er zijn vanaf 10 februari 2015 op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. Verbalisant [verbalisant] relateert dat hij naast [medeverdachte 3] heeft gezien dat onder meer [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11] ), [medeverdachte 9] en [naam] zich bij of in het pand aan de [straat] in [plaats] bevonden. Het hof zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Op 7 april 2015 wordt om 07.32 uur een Renault Vel Satis met het kenteken [kenteken] voor het pand geparkeerd. Er wordt gerelateerd dat onder andere [medeverdachte 3] en [naam] uitstappen en het pand betreden. Ook wordt gezien dat om 08.34 uur een Ford Focus met het kenteken [kenteken] , die op naam staat van [medeverdachte 11] , achteruit de loods wordt ingereden. De inzittenden zijn niet zichtbaar. Om 13.24 uur wordt gezien dat een voertuig met [verdachte] als (mede)inzittende bij het pand arriveert. Vervolgens wordt gezien dat [verdachte] meermalen het pand in- en uitloopt met boodschappentassen. Om 17.32 uur verlaat een aantal mannen de loods. De verbalisant herkent onder andere [verdachte] , [medeverdachte 9] en [naam] . Om 17.40 uur verlaat ook [medeverdachte 10] het pand.

De dagen daarna, op 8 en/of 9 en/of 13 april 2015, worden [medeverdachte 3] , [verdachte] , [naam] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] wederom op de camerabeelden gezien bij het pand aan de [straat] in [plaats] .

[naam] heeft meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd. Volgens [naam] wilde [verdachte] hem helpen met zijn financiële situatie. Hij moest daarvoor werk doen in de hennepkwekerij. [naam] zegt het installatiewerk te hebben gedaan, zoals het aansluiten van koolstoffilters en afzuigingen. Het was hem bij binnenkomst direct duidelijk dat het om een kweeklocatie ging. [naam] verklaart desgevraagd dat hij één keer heeft geholpen met oogsten. Hij kreeg daar € 200,- voor. [verdachte] deed hem voor hoe hij moest oogsten. [verdachte] vertelde wat [naam] moest doen en was dan zelf ook bezig. Volgens [naam] hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] de kwekerij ingericht, dat wil zeggen het neerzetten van hennepplanten. [naam] neemt aan dat [medeverdachte 3] en [verdachte] ook het onderhoud van de planten deden, omdat zij er altijd waren. Nadat [naam] een aantal foto’s is getoond,geeft hij aan dat hij de personen op foto nummer 2 ( [verdachte] ), nummer 5 ( [medeverdachte 3] ), nummer 6 ( [medeverdachte 9] ), nummer 8 ( [medeverdachte 10] ) en nummer 9 ( [medeverdachte 11] ) kent. [naam] noemt [medeverdachte 9] ‘ [naam] ’ en [medeverdachte 10] ‘ [naam] ’. Hij omschrijft [medeverdachte 11] als de rechterhand van [verdachte] . [naam] zegt over [medeverdachte 9] dat het een loopjongen van [verdachte] is. Hij zag hem ook wel eens in de kwekerij, waar hij dingen deed die hem werden opgedragen. Over [medeverdachte 10] zegt [naam] dat hij bezig was met de opbouw en dat hij hem heeft zien slepen met spullen voor de kwekerij. [naam] vertelt dat zij vaak bij een carpoolplek werden opgehaald in een bus en naar het pand werden gebracht. Wie er reed was verschillend, soms was het [medeverdachte 3] . De anderen die in de bus zaten waren [medeverdachte 10] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 11] en [verdachte] . [naam] heeft meerdere oogsten gezien, namelijk twee of drie, maar heeft er zelf maar aan één meegedaan. Hij is betaald door [verdachte] . [naam] zegt dat hij twee dagen over het knippen heeft gedaan. Daarna is de hennepkwekerij ontmanteld. [naam] vermoedt dat het rond 30 juni 2015 al klaar was. Bij het ontmantelen heeft [naam] alleen zijn eigen spullen weggehaald, dus de hele ventilatie-installatie.

Verder verklaart [medeverdachte 8] dat hij wel eens in het pand aan de [straat] in [plaats] is geweest. Deze verklaring vindt steun in de camerabeelden.[medeverdachte 8] zegt dat hij daar ook wel eens planten heeft zien staan. In de beleving van [medeverdachte 8] was de kwekerij van [medeverdachte 3] .

Overwegingen en conclusies

Het hof overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 9] , [naam] en [medeverdachte 11] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan de [straat] in [plaats] .

Het hof stelt vast dat [verdachte] [naam] heeft benaderd voor het verrichten van werkzaamheden in de hennepkwekerij. [verdachte] gaf [naam] aanwijzingen en opdrachten en betaalde hem. [verdachte] heeft bovendien samen met [medeverdachte 3] de hennepkwekerij ingericht. Zij waren er altijd als [naam] er was. Ook heeft [medeverdachte 3] het vervoer van een carpoolplek naar de hennepkwekerij wel eens verzorgd. In het busje zaten ook [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9] . [medeverdachte 11] was de rechterhand van [verdachte] . Daarnaast staat het voor het hof vast dat [medeverdachte 9] de loopjongen was van [verdachte] en in de hennepkwekerij dingen deed die hem werden opgedragen. Verder gaat het hof ervan uit dat [naam] het installatiewerk heeft gedaan, heeft geholpen met oogsten en daarna met het ontmantelen van de hennepkwekerij. Tot slot was [medeverdachte 10] betrokken bij de opbouw van de hennepkwekerij.

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. Het hof is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij de hennepkwekerij heeft ingericht en ook anderen heeft benaderd en aangezet tot hennepgerelateerde taken. Voornoemde gedragingen van [verdachte] zijn tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde onder D, met uitzondering van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennepplanten.

Gelet op de resultaten van de camerabeelden kan de ten laste gelegde periode van 9 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 worden bewezen verklaard.

Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het hof weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op de [straat] in [plaats] ongeveer 1.354 planten. Daar komt bij dat de kweekruimtes waren afgetimmerd, een afzuiging naar buiten was gemaakt en de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 4 ( [plaats] ):

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 30 mei 2016 wordt door de politie in een schuur gelegen aan de [straat] in [plaats] binnengetreden. Omdat uit observaties blijkt deze locatie wordt bezocht door personen van de ‘organisatie’, terwijl een logisch verklaarbare relatie met de bewoner ontbreekt, rijst het vermoeden dat er een hennepkwekerij op deze locatie wordt opgezet. Dit vermoeden blijkt juist, in die zin dat in een schuur achter het perceel een hennepkwekerij wordt aangetroffen. Deze kwekerij is onderverdeeld in twee afgetimmerde kweekruimtes. In de eerste kweekruimte staan geen planten meer. Daarom wordt het aantal planten aanvankelijk bepaald aan de hand van een standaardberekening dat er zestien planten per vierkante meter staan. In dit geval bedraagt de oppervlakte van de eerste kweekruimte 22,37 vierkante meter, zodat er 357 planten zouden kunnen staan. In de tweede kweekruimte treffen de verbalisanten 390 hennepplanten aan. De hennepplanten in deze ruimte worden gelijkelijk belicht door assimilatielampen, die door middel van een tijdsklok worden ingeschakeld. Ook wordt verse lucht aangevoerd door middel van een ventilator. De planten worden door een irrigatiesysteem van water voorzien. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij [benadeelde partij 1] , geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij al in werking is geweest. Er zijn meerdere indicatoren dat de aangetroffen apparatuur al langer in gebruik is geweest in de kweekruimtes. Er worden bijvoorbeeld verdroogde resten van hennepplanten aangetroffen in de kweekruimte. Ook is sprake van ernstig vervuiling op filterdoeken van de koolstoffilters, op lampenkappen en op de overige in de kweekruimte aanwezige elektra. De waterreservoirs zijn tevens ernstig vervuild en ook de dompelpompen zijn voorzien van een dikke sliblaag. Op gebruikte knipscharen zitten resten van hennepplanten. Volgens de verklaring van [naam] (hierna: [naam] ), één van de twee bewoonsters van de [straat] in [plaats] , is er twee keer geoogst. Bij de eerste keer zijn beide kweekruimtes geoogst en bij de tweede keer is alleen de tweede kweekruimte geoogst.

Onderzoek naar betrokken personen

De bewoonsters van de [straat] in [plaats] zijn na de doorzoeking gehoord.

[naam] bekent dat zij uit financiële overwegingen heeft geholpen met het onderhouden van de hennepkwekerij. Nadat [naam] een aantal foto’s is getoond, geeft zij aan dat zij de persoon op foto nummer 8 ( [medeverdachte 10] ) herkent als iemand die heeft meegeholpen met de bouw van de kweekruimtes. Hij noemde zichzelf ‘ [naam] ’. [medeverdachte 10] heeft haar benaderd en is bij haar op bezoek geweest. Het eerste gesprek heeft ergens augustus 2015 plaatsgevonden. ‘Ze’ zijn half september (het hof begrijpt 2015) aan het bouwen gegaan en daar ongeveer twee weken mee bezig geweest. ‘Ze’ moesten een keer bij de woning zijn voor de elektra en lieten via een briefje de datum en het tijdstip daarvoor weten. Toen [naam] de deur van de woning opende, zag zij [medeverdachte 10] . ‘Ze’ zijn na het bouwen meteen doorgegaan. Toen [naam] een keer ging kijken, stonden de planten er in. Daarna kwamen ‘ze’ om de twee of drie dagen. [medeverdachte 10] heeft ervoor gezorgd dat de kweekruimtes zijn opgebouwd en aangesloten. Hij was ook degene die [naam] contant betaalde. De komst van [medeverdachte 10] werd aangekondigd door middel van briefjes die op de deur waren geplakt. [naam] had met [medeverdachte 10] afgesproken dat zij deze briefjes zou vernietigen. [naam] herkent de persoon op foto nummer 9 ( [medeverdachte 11] ) als iemand die zij één keer heeft gezien. [medeverdachte 11] was toen samen met [medeverdachte 10] . [naam] zegt dat ze er nooit bij was als ‘ze’ kwamen. Volgens [naam] konden ‘ze’ zelf de ruimte in, want ze had de sleutel van de schuur afgegeven aan [medeverdachte 10] . Dat [naam] behalve [medeverdachte 11] geen andere personen heeft gezien, wil volgens haar niet zeggen dat er geen andere personen zijn geweest. In een later verhoor verklaart [naam] ook over een derde persoon, genaamd ‘ [naam] ’. [naam] heeft hem in het begin, bij het opbouwen, twee keer gezien, namelijk bij het maken van de afspraken. [naam] verklaart dat [naam] , de zus van haar vriendin [naam] , een oplossing had voor de financiële problemen. [naam] heeft toen via [naam] een afspraak gemaakt met degene die een oplossing had. De afspraak was bij nog dezelfde dag of een dag later bij [naam] en [naam] thuis. Bij die afspraak kwamen ‘ [naam] ’ en [medeverdachte 10] . Het was [naam] wel duidelijk dat ‘ [naam] ’ degene is die de lijntjes uitzet. [naam] denkt dat ‘ [naam] ’ uit [plaats] komt. [naam] heeft ‘ [naam] ’ ook nog gezien bij de definitieve afspraak, de sleuteloverdracht en de eerste geldoverdracht. Tot slot zegt [naam] dat zij zelf de planten af en toe eens water heeft gegeven. Ook verklaart [naam] dat zij, na de mislukte oogst, de tweede kweekruimte heeft leeggeruimd.

[naam] verklaart dat zij en [naam] geldproblemen hadden. Haar zus (het hof begrijpt [naam] Veneberg) is boekhoudster en kent meerdere mensen in de drugswereld en wilde een oplossing zoeken. [naam] heeft toen een afspraak gehad met [verdachte] en [medeverdachte 11] . Ze boden aan om te helpen. [naam] zegt dat zij al van haar zus wist dat het dan om het exploiteren van een hennepkwekerij zou gaan. [verdachte] voerde het woord, hij was de hoofdpersoon, en [medeverdachte 11] was het hulpje. Ze hebben afgesproken dat [verdachte] bij hen thuis langs zou komen. [verdachte] heeft in de schuur gekeken en zei dat er ongeveer achthonderd tot duizend planten in konden, zo hoorde ze van [naam] . [naam] en [naam] besloten met [verdachte] in zee te gaan en hebben via haar zus weer contact gezocht met hem. [verdachte] kwam toen weer langs. Hij vertelde toen alles al geregeld te hebben en binnenkort te willen beginnen met de opbouw van de kwekerij. Ze zouden zelf twee of drie keer in de week langskomen om water te geven en ‘pruttel’ toe te voegen voor de planten. [verdachte] heeft ervoor gezorgd dat de elektriciteitskabel onder de grond doorkwam en dat het voor de meter werd weggehaald. Als [naam] wordt gevraagd hoe het met de knippers zat, verklaart ze dat [verdachte] er bij was en [naam] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 9] waren aan het oogsten. Ze heeft naar eigen zeggen zelf ook geknipt. Volgens [naam] stonden in beide kweekruimtes vierhonderd planten. [naam] kreeg vijftig procent van de opbrengst. Bij de betaling waren ze alle drie aanwezig: [medeverdachte 11] , [verdachte] en [naam] . Ze had zelf de indruk dat [verdachte] de baas was en dat de andere jongens hulpjes waren. Nadat [naam] een aantal foto’s is getoond, geeft zij aan dat zij de persoon op foto nummer 2 ( [verdachte] ) herkent als [verdachte] , de grote baas zelf, waar zij het steeds over heeft gehad. [naam] herkent de persoon op foto nummer 8 ( [medeverdachte 10] ) als [naam] , de persoon op foto nummer 9 ( [medeverdachte 11] ) als [medeverdachte 11] en de persoon op foto nummer 6 ( [medeverdachte 9] ) als [medeverdachte 9] .

[medeverdachte 9] heeft op 21 januari 2016 bij zijn aanhouding ter zake een hennepkwekerij in [plaats] twee mobiele telefoons bij zich. In één van die telefoons staan drie contacten, genaamd ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’. In de telefoon staan sms’jes tussen [medeverdachte 9] en [naam] die dateren van 2 en 5 januari 2016. De politie gaat ervan uit dat het mobiele nummer ‘ [naam] ’ aan [naam] toebehoort. [naam] verklaart namelijk dat zij op enig moment een prepaid telefoon van [verdachte] heeft ontvangen, omdat ze wilde dat ze altijd iemand van de groep kon bereiken. Er stond één contact in het toestel, genaamd ‘ [naam] ’, waarop [medeverdachte 9] te bereiken was.

In zijn verhoor van 11 juli 2016 verklaart [medeverdachte 9] dat hij denkt dat hij een keer in [plaats] is geweest. Hij heeft misschien wel werkzaamheden verricht in een kwekerij, wellicht heeft hij de hennepplanten water gegeven of geknipt. Eén dag later zegt [medeverdachte 9] honderd procent zeker te weten dat hij in de kwekerij water heeft gegeven.

Verder is in de periode van 10 maart 2015 en 26 november 2015 een baken geplaatst op het voertuig van [medeverdachte 9] , een Hyundai Getz met het kenteken [kenteken] . Hieruit is gebleken dat zijn voertuig eenmaal in september 2015 en zesmaal in oktober 2015 bij het pand aan de [straat] in [plaats] is geweest.

Er is ook een baken geplaatst op het voertuig van [medeverdachte 11] , een Ford Focus met het kenteken [kenteken] . Hieruit is gebleken dat zijn voertuig zich op 27 februari 2016 gedurende een lange tijd bij het pand aan de [straat] in [plaats] bevond.

Ook is er sporenonderzoek verricht in de hennepkwekerij. Tijdens dit forensisch onderzoek zijn in de kwekerijruimtes sporendragers aangetroffen en veiliggesteld. Er wordt onder meer een vingerafdruk aangetroffen aan de binnenkant van een deksel van de illegale stroomtap. Het blijkt dat de vingerafdruk een match oplevert met de vingerafdruk van [medeverdachte 10] . Volgens deskundigen is de kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon verwaarloosbaar klein.

Overwegingen en conclusies

Het hof overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 9] , [naam] en [naam] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan de [straat] in [plaats] .

Het hof stelt vast dat [medeverdachte 11] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9] in de aanwezigheid van [verdachte] de hennepplanten hebben geknipt. [verdachte] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] waren ook betrokken in de oriënterende fase, in die zin dat zij met [naam] dan wel [naam] gesprekken hebben gevoerd over het exploiteren van een hennepkwekerij. Verder waren [verdachte] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] aanwezig bij een betaling aan [naam] .

Daarnaast staat het voor het hof vast dat [verdachte] degene was die de lijntjes uitzette en alles regelde. Hij was degene die heeft gekeken of de locatie geschikt was voor een hennepkwekerij. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte 10] de illegale elektriciteitsaansluiting aangelegd. [medeverdachte 10] heeft tevens geholpen met het opbouwen en onderhouden van de hennepkwekerij. Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 9] naast het knippen ook belast is geweest met het water geven van de hennepplanten. Hij onderhield ook per sms contact met [naam] . [naam] en [naam] hebben hun schuur ten behoeve van de hennepkwekerij ter beschikking gesteld aan voornoemde personen. [naam] heeft bovendien geholpen met het knippen van de hennepplanten en [naam] heeft wel eens water gegeven en heeft een kweekruimte leeggeruimd.

Het hof van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. Het hof is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij aanwezig was op belangrijke momenten gedurende de gehele cyclus, zoals het oriënterende gesprek, de opbouw, het knippen en een betaling. Voornoemde gedragingen van [verdachte] zijn tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde, voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de hennepkwekerij in [plaats] .

Gelet op de verklaring van [naam] dat de eerste gesprekken in augustus 2015 plaatsvonden en ‘ze’ half september 2015 zijn gaan bouwen, kan de ten laste gelegde periode van

1 september 2015 tot en met 30 mei 2016 worden bewezen verklaard.

Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het hof weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op de [straat] in [plaats] ongeveer 747 planten. Daar komt bij dat de kweekruimtes waren afgetimmerd, een irrigatiesysteem was geregeld, tijdschakelaren op de assimilatielampen waren ingesteld, een afzuiging naar buiten was gemaakt en de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 6:

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 25 mei 2016 gaan verbalisanten naar het adres de [straat] in [plaats] in verband met de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij. Bij aankomst zien de verbalisanten een man uit de woning komen die zij woorden horen roepen als ‘ik geef me over’ of ‘ik beken’. De man, tevens bewoner van het pand, legitimeert zich als [getuige] (hierna: [getuige] ) en verklaart dat de verbalisanten ‘net te laat waren’ en dat ze ‘alles er al uitgehaald hadden’. Door de verbalisanten worden vervolgens vier kweekruimtes aangetroffen in de twee schuren die bij het perceel behoren. In de kweekruimtes worden geen hennepplanten meer aangetroffen. Daarom wordt het aantal planten bepaald aan de hand van een standaardberekening dat er vijftien planten per vierkante meter staan. In dit geval blijken de kweekruimtes in totaal 78,5 vierkante meter kweekoppervlak te bevatten, zodat er 1.177 planten zouden kunnen staan. In de kweekruimtes zijn voorzieningen getroffen om het klimaat in de ruimtes te beheersen, ter bevordering van een juiste bloei van de hennepplanten. Zo staan er tijdschakelaars ingesteld op assimilatielampen. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij [benadeelde partij 1] , geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij al in werking is geweest. Er zijn meerdere indicatoren dat de aangetroffen apparatuur al langer in gebruik is geweest in de kweekruimtes. Er is bijvoorbeeld onder meer sprake van een flinke vervuiling van de aangetroffen apparatuur en op de aanwezige armaturen van de assimilatielampen zit een grote hoeveelheid stof.

De eerdere kweken worden bevestigd door de verklaring van [getuige] dat er zeven keer was geoogst. Volgens [getuige] is hij in juni of juli 2014 benaderd en is de hennepkwekerij eind juli, begin augustus 2014 in werking gegaan. [getuige] verklaart dat er zeven keer is geoogst. De eerste oogst vond ergens in november 2014 plaats en de laatste oogst was ongeveer drie á vier weken voor de inval op 25 mei 2016.

Onderzoek naar betrokken personen

[getuige] bekent tegenover de politie dat hij een hennepkwekerij had in het pand aan de [straat] in [plaats] . Hij deed zelf ook wel eens water in de bakken. [getuige] heeft vanwege geldproblemen zijn chalet en schuur verhuurd voor € 500,- aan iemand die hem in juni of juli 2014 benaderde. [getuige] zegt dat het hem wel wat heeft opgeleverd. Degene die hem benaderde heeft hem ook verteld wat er in de schuren zou komen en hij stemde ermee in. [getuige] verklaart ook belastend over andere personen, waaronder ‘ [naam] ’ (fonetisch) en ‘ [naam] ’. Volgens [getuige] heeft ‘ [naam] ’ een kabel gelegd naar de woning en aangesloten en was ‘ [naam] ’ daarbij. Door ‘ [naam] ’ is verteld dat het voor de meter afgenomen zou worden, waarmee wordt bedoeld dat het niet op de schijf komt. Als [getuige] wordt gevraagd hoe hij contact had met ‘ [naam] ’, antwoordt hij dat ze wel eens briefjes in de bus gooiden, waar bijvoorbeeld het moment op stond waarop ze zouden komen.Nadat [getuige] een aantal foto’s is getoond, geeft hij aan dat hij de personen op foto nummer 2 ( [verdachte] ), nummer 8 ( [medeverdachte 10] ) en nummer 9 ( [medeverdachte 11] ) kent. De persoon op foto nummer 2 heet ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] ’, de persoon op foto nummer 8 wordt ‘ [naam] of [naam] ’ (fonetisch) genoemd en de persoon op foto nummer 9 heet [medeverdachte 11] . Volgens [getuige] bekeek [verdachte] zijn chalet en schuur en vertelde dat het kon (het hof begrijpt: geschikt was voor een hennepkwekerij). [getuige] is met [verdachte] de huurprijs overeengekomen en heeft ook met hem afgesproken dat hij per oogst een geldbedrag zou krijgen. [getuige] noemt [verdachte] de baas van het geheel, omdat hij meestal het woord voerde en in eerste instantie ook kwam kijken of de locatie geschikt was. Hij was ook degene die zei dat [getuige] de briefjes die hij door de brievenbus kreeg moest vernietigen. [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] hebben de opbouw gedaan. Zij hebben de hennepplanten ook geknipt. [getuige] werd de eerste keer betaald door [verdachte] en later door [medeverdachte 11] . Verder kwamen [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] in de schuur om water te vullen. [medeverdachte 11] kwam het vaakst.

Hoewel [getuige] in zijn verhoor in eerste instantie niet, althans niet expliciet, belastend over [medeverdachte 9] lijkt te verklaren, blijkt diens mogelijke betrokkenheid bij de hennepkwekerij uit het volgende. [medeverdachte 9] heeft op 21 januari 2016 bij zijn aanhouding ter zake een hennepkwekerij in [plaats] twee mobiele telefoons bij zich. In één van die telefoons staan drie contacten, genaamd ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’. De politie gaat ervan uit dat het mobiele nummer ‘ [naam] ’ aan [getuige] toebehoort. In de telefoon staan sms’jes tussen [medeverdachte 9] en ‘ [naam] ’ waarin afspraken worden gemaakt. Zo vraagt ‘ [naam] ’ op 5 januari 2016 wanneer ‘de [naam] ’ komen en even later vraagt ‘ [naam] ’ nogmaals wanneer, want alles moet weer in conditie gebracht worden. ‘ [naam] ’ deelt tevens mee dat alles is een paar dagen geleden gevuld. Dat [getuige] inderdaad ‘ [naam] ’ is, vindt steun in de verklaring van [getuige] dat hij een telefoon had gekregen van de jongens die de kwekerij onderhielden. Bovendien vertelt [getuige] dat hij [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] ‘ [naam] ’ noemde en dat zij wel eens ‘hé [naam] ’ tegen hem zeiden.

Verder is in de periode van 10 maart 2015 en 26 november 2015 een baken geplaatst op het voertuig van [medeverdachte 9] , een Hyundai Getz met het kenteken [kenteken] . Hieruit is gebleken dat zijn voertuig op 18 oktober 2015 en op 12 november 2015 bij het pand aan de [straat] in [plaats] is geweest. [medeverdachte 9] verklaart in zijn verhoor van 11 juli 2016 dat hij aan de [straat] in [plaats] is geweest om (de rechtbank begrijpt: hennepplanten) water te geven.

Tot slot is er sporenonderzoek verricht in de hennepkwekerij. Tijdens dit forensisch onderzoek in de kwekerijruimtes zijn sporendragers aangetroffen en veiliggesteld. Deze sporendragers, twee sigarettenpeuken, werden aangetroffen en veiliggesteld in de grootste kweekruimte in het houten chalet. In deze kweekruimte werden ook restanten van hennepplanten gevonden. Het NFI rapporteert dat één peuk sporenmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 11] . De kans dat het DNA-profiel van een ander dan [medeverdachte 11] afkomstig is, is kleiner dan één op één miljard.

Overwegingen en conclusies

Het hof overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [medeverdachte 11] , [verdachte] , [medeverdachte 10] , [getuige] en [medeverdachte 9] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan de [straat] in [plaats] .

Het hof stelt vast dat [verdachte] degene is die [getuige] heeft benaderd en de locatie heeft gekeurd, geholpen heeft met de opbouw van de hennepkwekerij, de hennepplanten heeft geknipt en [getuige] heeft betaald. Met [verdachte] werden ook de afspraken over de betalingen gemaakt. Het hof overweegt dat de illegale elektriciteitsvoorziening door of in de aanwezigheid van [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] lijkt te zijn aangelegd. [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] hebben geholpen met de opbouw van de hennepkwekerij en hebben de hennepplanten verzorgd en geknipt. [medeverdachte 11] heeft ook betalingen aan [getuige] gedaan.

[getuige] heeft de schuren verhuurd ten behoeve van de hennepkwekerij, deed wel eens water in de bakken en deelde mee in de winst afkomstig van de oogst. [medeverdachte 9] heeft de hennepplanten water gegeven. Hij onderhield ook telefonisch contact met [getuige] .

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij [getuige] heeft benaderd voor een hennepkwekerij, heeft geholpen met de opbouw, de hennepplanten heeft geknipt en betalingen heeft gedaan. Voornoemde gedragingen van [verdachte] zijn tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 6 ten laste gelegde.

Gelet op de verklaring van [getuige] kan de ten laste gelegde periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 mei 2016 worden bewezen verklaard.

Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het hof weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op de [straat] in [plaats] ongeveer 1.177 planten. Daar komt bij dat er in de kweekruimtes professionele klimaatbeheersingsvoorzieningen waren getroffen en de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 3:

In de periode van 11 februari 2015 tot en met 30 mei 2016 zijn op diverse plaatsen hennepkwekerijen opgerold. Het lijkt erop dat het merendeel van de hennepkwekerijen in verband met elkaar staat, omdat dezelfde voertuigen en personen steeds worden waargenomen op diverse kweeklocaties. Het hof zal hierna in een tabel per hennepkwekerij tot uitdrukking brengen ten aanzien van welke betrokkene een bewezenverklaring tot stand is gekomen en wat diens taak is geweest.

[plaats] (ZD01)

[straat] in [plaats] (ZD02)

[plaats] (ZD03)

[straat] [plaats] (ZD04)

[plaats] (ZD05)

[plaats] (ZD07)

[plaats] (ZD08)

Uit dit dossier kan worden afgeleid dat de hiervoor genoemde personen in wisselende combinaties betrokken zijn geweest bij een groot aantal hennepkwekerijen. Het hof is, gelet op voorgaande, van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband, zoals hierboven wordt omschreven, en daarmee ook van een organisatie. Deze organisatie bestond naar het oordeel van het hof in ieder geval uit [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] .

Gelet op wat het hof hiervoor ten aanzien van de onderscheiden hennepkwekerijen heeft overwogen en geoordeeld, was het oogmerk van de organisatie onmiskenbaar de grootschalige hennepteelt. Ten aanzien van alle deelnemers aan de organisatie is gebleken dat zij als medepleger met anderen betrokken zijn geweest bij het telen van hennepplanten in meerdere hennepkwekerijen.

De duurzaamheid en de structuur van deze organisatie volgt uit wat het hof ten aanzien van de onderscheiden hennepkwekerijen heeft overwogen. Daaruit blijkt dat gedurende een periode van ruim twee jaren de genoemde zes personen in een bestendige vorm van samenwerking hebben geopereerd. Ten aanzien van hun onderlinge rolverdeling overweegt het hof het volgende.

Bij de vraag of een deelnemer aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b Opiumwet kan worden aangemerkt als ‘leider’ van die organisatie, gaat het erom of die deelnemer binnen de organisatie een bepaalde macht heeft of een bepaald gezag bezit. Omstandigheden die daarvoor van belang kunnen zijn, zijn dat de deelnemer aanwijzingen aan andere deelnemers kan geven of dat de deelnemer binnen de organisatie belangrijke initiatieven ontplooit, waarnaar andere deelnemers zich richten. Het is onder omstandigheden mogelijk om, met inachtneming van de hiervoor genoemde maatstaf, binnen een organisatie meerdere deelnemers als ‘leider’ aan te merken. Verder staat aan het aanmerken van een deelnemer als ‘leider’ niet in de weg dat de betreffende deelnemer binnen de organisatie zelf ondergeschikt is aan een of meer andere deelnemers aan de organisatie (zie: ECLI:NL:HR:2024:619).

Naar het oordeel van het hof kan op basis van de bewijsmiddelen [verdachte] als leider van de organisatie worden aangemerkt. Zo verklaart [naam] dat hij degene was die de lijntjes uitzette. [medeverdachte 8] zegt dat hij met [verdachte] afspraken maakte. Als hem wordt gevraagd waarom, antwoordt hij dat hij de man is waar het om gaat. Het is de jongen die de lijn uitzet en bepaalt wat er gebeurt. Zijn wil is wet. Ook [naam] verklaart dat [verdachte] hem vertelde wat hij moest doen. [verdachte] gaf ook andere leden van de organisatie opdrachten. [naam] noemt [verdachte] de hoofdpersoon. Hij heeft gekeken of de locatie geschikt was voor een hennepkwekerij. [getuige] verklaart ook dat [verdachte] de baas van het geheel was. Hij denkt dat omdat [verdachte] vaak het woord deed en in eerste instantie kwam kijken of de locatie geschikt was. De huurders dan wel eigenaren van de panden van de ontmantelde kwekerijen aan [straat] in [plaats] , de [straat] in [plaats] en de [straat] in [plaats] hebben allen een bekennende verklaring afgelegd over hun rol. Zij hebben ook ieder voor zich verklaard dat zij met [verdachte] afspraken hebben gemaakt over de hennepkwekerij. Opvallend is dat de hennepkwekerijen ofwel werden gevestigd in panden van (leden van) de organisatie ofwel in panden van financieel kwetsbare personen, zoals [naam] , [getuige] , [naam] en [naam] en Brink.

De overige personen, te weten [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] hadden een uitvoerende rol binnen de organisatie. Zij waren voornamelijk betrokken bij het regelen van panden ten behoeve van de organisatie, de opbouw en inrichting van de kwekerijen, het onderhouden van de hennepplanten en ook het knippen van de planten. Ook fungeerden sommigen van hen als contactpersoon. Ten aanzien van enkele leden staat vast dat zij geheim vervoer verzorgden van carpoolplekken naar hennepkwekerijen.

Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als leider heeft deelgenomen aan bovenstaande criminele organisatie. Dat iemand anders mogelijk zeggenschap had over verdachte (ten aanzien van de verkoop), zoals door de verdediging is bepleit, doet niet af aan zijn leiderschap ten aanzien van de organisatie zoals bewezenverklaard.

Het hof zal voor de aanvang van de pleegperiode aansluiting zoeken bij de datum van de eerst opgezette hennepkwekerij waarbij de betrokkenheid van verdachte bewezenverklaard zal worden, te weten 1 augustus 2014.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks 01 januari 2016 tot en met 26 februari 2016 te [plaats] en/of [plaats] en/of andere plaatsen in Nederland en/of Duitsland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

(ongeveer) 25 16,6 kilogram en/of (telkens) (een) andere hoeveelheid/hoeveelheden hennep,

tot een totaal van ongeveer 116 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel;

2.hij

A] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 11 februari 2015 te [plaats]

B] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015 te [plaats]

C] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 februari 2015 tot en met 31 juli 2015 te [plaats]

D] op tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 te [plaats]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

ad A] op het adres [straat]

ad B] op het adres [straat]

ad C] op het adres [straat]

ad D] op het adres [straat]

heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van (in totaal)

ad A] ongeveer 2700 hennepplanten (berekend op 900 aangetroffen hennepplanten en 2 oogsten van telkens 900 hennepplanten),

ad B] ongeveer 550 hennepplanten,

ad C] ongeveer 1814 hennepplanten (op basis van 907 aangetroffen hennepplanten en een eerdere oogst),

ad D] ongeveer 6770 hennepplanten (op basis van 5 oogsten van telkens 1354 hennepplanten),

althans [ad A, B, C en/of D] een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,

waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] geleverde elektriciteit voor een bedrag van

(ad A) E. 4.894,51,-

(ad D) E. 56.688,54

illegaal is afgetapt,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten

ad A] 2700 en

ad B] 550 en

ad C] 1814 hennepplanten en

ad D] 6770 planten,

althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

3.hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari augustus 2009 2014 tot en met 10 mei 2016, te [plaats] en/of [plaats] en/of andere plaatsen in Nederland (telkens) als oprichter /leider/bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van verdachte en/of (onder meer)

[medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 4] en

een of meer andere perso(o)n(en) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep)

opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, artikel 11a lid 1 j.o. lid 2 Opiumwet (na 1 maart 2015 vernummerd naar artikel 11b Opiumwet);

4.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 30 mei 2016 te [plaats] , [gemeente] ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straat] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1494 747 hennepplanten (berekend op basis van 390 aangetroffen hennepplanten en 1104 geoogste hennepplanten),

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door [benadeelde partij 1] geleverde elektriciteit voor een bedrag van E. 6.209,74 illegaal is afgetapt,

zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 1494 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

6.hij in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 mei 2016 te [plaats] .

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straat] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 8239 hennepplanten (berekend op basis van 7 oogsten van 1177 hennepplanten),

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,

waarbij ook een grote hoeveelheid door [benadeelde partij 1] geleverde elektriciteit voor een bedrag van bijna E. 18.500,- illegaal is afgetapt,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 8239 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan).

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het in de zaak met parketnummer 08-953033-14 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het in de zaak met parketnummer 08-953033-14 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 08-953033-14 onder 3 bewezenverklaarde levert op:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

Het in de zaak met parketnummer 08-910050-17 onder 1 (feit 4) en 3 (feit 6) bewezenverklaarde levert op:

telkens:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 39 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 Sr zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 35 maanden.

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte, gelet op het aanzienlijke tijdsverloop, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen dan de duur van het voorarrest en het overige gedeelte als voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel aangevuld met een taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft leidinggegeven aan een criminele organisatie. Deze organisatie hield zich op grote schaal bezig met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep. Het hof overweegt dat verdachte een centrale rol heeft gespeeld binnen de criminele organisatie. Hij is door zijn betrokkenheid een onmisbare schakel geweest bij het in stand houden daarvan. Het hof beschouwt de mate van organisatie, waarin in gezamenlijk verband willens en wetens kwalijke feiten zijn gepleegd, als een strafverzwarende omstandigheid. Ook weegt het hof het professionele dan wel bedrijfsmatige karakter van de organisatie mee. De organisatie is verantwoordelijk voor (in elk geval) zeven hennepkwekerijen, waarin telkens grote hoeveelheden hennepplanten stonden. Daarnaast heeft verdachte met anderen een grote hoeveelheid hennep naar Duitsland geëxporteerd.

Ten behoeve van enkele hennepkwekerijen werd gedurende enige tijd onrechtmatig elektriciteit afgetapt. Hoewel de opsteller van de tenlastelegging dit kennelijk als (buitenwettelijke) strafverzwaringsgrond heeft opgenomen in de tenlastelegging, zal het hof dit niet in strafverzwarende zin meewegen, nu niet vast staat dat verdachte een strafbaar aandeel heeft gehad in het onrechtmatig aftappen van de elektriciteit.

Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep door hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.

Het hof heeft oog voor de gevolgen die een gevangenisstraf mogelijk voor hem kan hebben en heeft ook acht geslagen op het lange tijdsverloop bij de afhandeling van de zaak in eerste aanleg en de tijd tussen de procedure in eerste aanleg en hoger beroep. Gelet op de ernst en de hoeveelheid van de feiten, kan naar het oordeel van het hof echter niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof houdt bij de hoogte van de op te leggen straf rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Het hof acht per hennepkwekerij in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend. Voor het leidinggeven aan de criminele organisatie acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden op zijn plaats en voor de export van de ruim 16 kilogram hennep naar Duitsland in beginsel een gevangenisstraf van twaalf maanden. Alles afwegend, acht het hof aldus in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden, passend en geboden.

Het hof stelt vast dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 10 mei 2016. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat verdachte in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 10 mei 2018 had mogen verwachten. De rechtbank heeft echter op 2 september 2020 vonnis gewezen, circa twee jaren en drie maanden later. Het heeft ook lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 14 september 2020 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ruim vijf jaren en acht maanden zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren.

Er is dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof stelt met de rechtbank vast dat de zaak onderdeel uitmaakt van een zeer omvangrijk onderzoek. Om proceseconomische redenen is besloten de zaken van deze verdachten (grotendeels) bij elkaar te houden om deze tegelijkertijd te behandelen en af te doen. Naar het oordeel van het hof geeft dat echter geen rechtvaardiging voor een voortdurende termijnoverschrijding van de vastgestelde duur en moet die overschrijding aan de Nederlandse Staat worden toegerekend. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door zes maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.

Aan verdachte zal dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 39 maanden worden opgelegd. Een lagere gevangenisstraf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 5.905,96.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg twee vorderingen tot schadevergoeding ingediend, een van € 56.688,54 en een van € 16.404,32.

De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de schadeveroorzakende feiten niet afzonderlijk als diefstal is ten laste gelegd. Daarmee is volgens de rechtbank door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting niet komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen.

De benadeelde partijen hebben in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke schadebedrag nog steeds wordt gevorderd.

Het hof moet een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat tussen de het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partijen door dit handelen rechtstreeks schade hebben geleden. De benadeelde partijen kunnen daarom in hun vorderingen niet worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 3, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-953033-14 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer

08-910050-17 onder 1 (feit 4) en 3 (feit 6) tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-953033-14 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 08-910050-17 onder 1 (feit 4) en 3 (feit 6) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 39 (negenendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Mintjes, mr. S. Taalman en mr. R.D.J. Visschers,

in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand