ECLI:NL:GHARL:2026:3524

ECLI:NL:GHARL:2026:3524

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 21-001854-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Onderzoek Travee. Beslissing op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet en betrokkenheid bij diverse hennepkwekerijen. Wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op grond van minimumloon.

Uitspraak

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 april 2021 met parketnummer 08-952586-15 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 9 april 2026 en 3 juni 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. K. Kok, naar voren hebben gebracht.

Beslissing waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 april 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 27.500,- en is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Daarbij is de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 550 dagen.

Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar omdat het hof (anders dan de rechtbank) de ontnemingsbeslissing mede baseert op de veroordeling ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en het hof tot een ander oordeel komt ten aanzien van de gijzeling, zal het hof het vonnis vernietigen. Het hof doet opnieuw recht.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 30.113,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting

in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 25.250,74 en dat de verplichting tot

betaling aan de Staat wordt vastgesteld op datzelfde bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 27.500,- en dat in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat aan betrokkene moet worden opgelegd. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van een maandelijkse vergoeding van € 1.250,- gedurende 22 maanden zoals ook weergegeven in de beslissing van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit de ontnemingsvordering af te wijzen omdat volstrekt onduidelijk is wat betrokkene heeft verdiend. De schatting van de rechtbank is volgens de verdediging nergens op gebaseerd. Subsidiair heeft de raadsman met verwijzing naar ECLI:NL:RBOVE:2024:858 verzocht de betalingsverplichting op nihil te stellen, omdat het gelet op de lichamelijke en psychische gezondheid van betrokkene niet rechtvaardig en zinvol is om hem een bedrag aan de Staat te laten betalen. Meer subsidiair is verzocht het bedrag om die reden, dan wel vanwege de forse overschrijding van de redelijke termijn, aanzienlijk te matigen. Tot slot is bepleit geen gijzeling op te leggen in verband met de medische toestand van betrokkene.

Grondslag

Betrokkene is bij arrest van dit hof van 3 juni 2026 (parketnummer 21-003186-20) veroordeeld tot straf voor

Uit het strafdossier, de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep

en aan de hand van dat arrest komt het hof tot het oordeel dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft verkregen.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het totale

wederrechtelijk voordeel dat betrokkene uit de hennepkwekerij heeft verkregen op een

bedrag van € 27.500,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting.

Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek ‘Travee’. In de periode van maart 2014 tot en met mei 2016 zijn negen hennepkwekerijen opgerold. Het hof heeft geoordeeld dat het merendeel van die wietplantages verband houdt met een criminele organisatie, waarvan medebetrokkene [medeverdachte 1] de leider was.

Het hof gaat ervan uit dat betrokkene een vergoeding heeft ontvangen voor zijn aandeel in de hennepkwekerijen. Voor de hoogte van die vergoeding is in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, bij het ontbreken van een verklaring van betrokkene, aansluiting gezocht bij het in 2014 en 2015 geldende (netto) minimumloon voor een fulltime werkweek van respectievelijk € 1.205,- en € 1.209,-. Betrokkene heeft zelf geen verklaring afgelegd over de hoogte van de vergoeding die hij ontving voor zijn aandeel in de hennepkwekerij. Het hof acht het wel aannemelijk dat betrokkene werd betaald voor zijn werkzaamheden, mede gezien zijn rol ten aanzien van de hennepkwekerijen en het risicovolle karakter van dergelijke werkzaamheden. Het hof zal de maandelijkse vergoeding – evenals de rechtbank en mede gelet op het hiervoor genoemde minimumloon – schatten op een bedrag van € 1.250,-. Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal gaat het hof uit van een periode van 22 maanden, gebaseerd op de bewezenverklaarde periode van 1 augustus 2014 tot en met 30 mei 2016.

Gelet op het voorgaande schat het hof het door betrokkene wederrechtelijk verkregen

voordeel op een bedrag van € 1.250,- x 22 maanden = € 27.500,-. Van kosten in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel is niet(s) gesteld of gebleken. Het

wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom gesteld op € 27.500,-.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Redelijke termijn

Het hof overweegt dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de redelijke termijn

in ontnemingszaken aanvangt op het moment dat de Nederlandse Staat jegens betrokkene

een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen

hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig

wordt gemaakt. Het hof stelt vast dat in de zaak van betrokkene op 3 juni 2016 door de rechter-commissaris een machtiging is verleend voor conservatoir beslag en dat daarna beslag is gelegd ten behoeve van de ontnemingsprocedure. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat betrokkene in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 3 juni 2018 had mogen verwachten. Het vonnis van de rechtbank is echter op 13 april 2021 gewezen.

Het heeft ook lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 15 april 2021 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ruim vijf jaren en anderhalve maand zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren.

Er is in eerste aanleg en in hoger beroep dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het hof zal volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, nu de

strafzaak en de ontnemingszaak tegelijkertijd door het hof worden afgedaan en in de

strafzaak reeds compensatie voor het overschrijden van de redelijke termijn plaatsvindt.

Hiermee wordt de inbreuk op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de

Mens voldoende gecompenseerd.

Draagkracht

De draagkracht dient in beginsel aan de orde te worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen met vrucht aan de orde worden gesteld als aanstonds duidelijk is dat betrokkene op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Naar het oordeel van het hof is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben.

Medische toestand

Het hof ziet geen reden om, zoals door de verdediging verzocht, de betalingsverplichting op nihil te stellen omdat het gelet op de lichamelijke en psychische gezondheid van betrokkene niet rechtvaardig en zinvol zou zijn om hem een bedrag aan de Staat te laten betalen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op

een bedrag van € 27.500,-.

Gijzeling

Naar het oordeel van het hof is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat betrokkene niet in staat zal zijn om eventuele gijzeling te ondergaan. Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 275 dagen.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 27.500,00 (zevenentwintigduizend vijfhonderd euro).

Legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 27.500,00 (zevenentwintigduizend vijfhonderd euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 275 dagen.

Deze beslissing is gewezen door mr. S. Taalman, mr. G. Mintjes en mr. R.D.J. Visschers,

in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand