Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Omvang van het hoger beroep
Het vonnis
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003273-20
Uitspraakdatum: 3 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 september 2020 met parketnummer 08-952439-16 in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 april 2026 en 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.H. Rump, naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van wat aan hem onder 1 en 4 ten laste is gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraken. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken.
Overig
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor:
Daarbij is aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank heeft de benadeelde partijen
niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank goeddeels op juiste gronden en juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis met aanvulling en verbetering van gronden en met verbetering van de kwalificatie bevestigen, behalve voor zover het betreft de opgelegde straf. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Het hof zal aldus het vonnis bevestigen met dien verstande dat
Verbetering en aanvulling van gronden
De bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn opgenomen worden als volgt verbeterd en aangevuld.
Het hof verbetert op pagina 7 van het vonnis de volgende zinnen:
“Uit onderzoek blijkt dat het pand sinds juli 2012 wordt gehuurd door [bedrijf 1]
. De bestuurder en enig aandeelhouder van dit bedrijf is [medeverdachte 1]
(hierna: [medeverdachte 2] ). ”
als volgt:
“Uit onderzoek blijkt dat het pand sinds juli 2012 wordt gehuurd door eenmanszaak [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 2] ).”
Het hof vult in noot 21 op pagina 9, noot 40 op pagina 12, noot 82 op pagina 17 en noot 102 op pagina 20 van het vonnis de volgende zin:
“De rechtbank verwijst naar pagina 700 voor de legenda.”
als volgt aan:
“De rechtbank verwijst naar pagina 700 voor de legenda en naar pagina 515 waaruit blijkt dat tijdens de verhoren de foto's uit het fotoboek zijn gebruikt om te tonen en dat in de verklaringen enkel de nummers zijn genoemd.”
De rechtbank heeft op pagina 15 van het vonnis in het kader van de overwegingen met betrekking tot de kwekerij in de [locatie 1] , het volgende overwogen:
“Gelet op de verklaring van [medeverdachte 3] kan de ten laste gelegde periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 mei 2016 worden bewezen verklaard.”
Het hof zal, in aanmerking genomen dat de verklaring van [medeverdachte 3] betrekking heeft op de kwekerij in [plaats] , die zin schrappen.
De rechtbank heeft op pagina 22 van het vonnis, het volgende overwogen:
“Hieruit is gebleken dat zijn voertuig zich op 27 februari 2016 gedurende een lange tijd bij het pand aan de [locatie 2] bevond. ”
Het hof zal de zinsnede “gedurende een lange tijd” schrappen.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte en zijn raadsvrouw in hoger beroep gevoerde verweer wordt weersproken door de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en de hierboven in dit arrest opgenomen aanvullingen en verbeteringen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen twijfelen.
Verbetering van de kwalificatie
De in het vonnis opgenomen kwalificatie van de bewezenverklaring van het onder 3, 5 en 6 tenlastegelegde betreft, gelet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering, een kennelijke misslag, die op de strafbepaling geen invloed zal hebben gehad, en die zich om die reden leent voor verbeterde lezing.
Het hof is derhalve van oordeel dat de kwalificatie van het bewezenverklaarde verbeterd dient te worden gelezen, als volgt:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
De verdediging heeft verzocht om de door de advocaat-generaal geëiste straf aan verdachte op te leggen en in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Op de zitting van het hof is naar voren gebracht dat verdachte kampt met ernstige gezondheidsproblemen ten gevolge van een auto-ongeval.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze organisatie hield zich op grote schaal bezig met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep. De organisatie is verantwoordelijk voor (in elk geval) zeven hennepkwekerijen, waarin telkens grote hoeveelheden hennepplanten stonden. Het hof overweegt dat verdachte een uitvoerende rol heeft gehad binnen de criminele organisatie.
Ten behoeve van enkele hennepkwekerijen werd gedurende enige tijd onrechtmatig elektriciteit afgetapt. Hoewel de opsteller van de tenlastelegging dit kennelijk als (buitenwettelijke) strafverzwaringsgrond heeft opgenomen in de tenlastelegging, zal het hof dit niet in strafverzwarende zin meewegen, nu niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte een aandeel heeft gehad in het onrechtmatig aftappen van de elektriciteit.
Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep door hem en zijn raadsman naar voren zijn gebracht en zoals die naar voren komen uit het reclasseringsadvies van 26 maart 2026.
Gelet op de ernst en de hoeveelheid van de feiten, en rekening houdend met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Het hof acht per hennepkwekerij in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend. Voor het deelnemen aan de criminele organisatie acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden op zijn plaats. Gelet op het voorgaande, acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden passend en geboden.
Los van de exacte medische toestand van verdachte, is voor het hof duidelijk geworden dat een gevangenisstraf voor deze verdachte naar het zich laat aanzien in forse mate meer belastend zal zijn dan gemiddeld genomen het geval is.
Dit maakt dat het hof in beginsel een straf met groot voorwaardelijk deel passend en geboden acht.
Het hof stelt vast dat in deze zaak sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 10 mei 2016. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat verdachte in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 10 mei 2018 had mogen verwachten. De rechtbank heeft echter op 2 september 2020 vonnis gewezen, circa twee jaren en drie-en-een-halve maand later. Het heeft ook lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 4 september 2020 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep bijna vijf jaren en negen maanden zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren.
Er is dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof stelt met de rechtbank vast dat de zaak onderdeel uitmaakt van een zeer omvangrijk onderzoek. Om proceseconomische redenen is besloten de zaken van deze verdachten (grotendeels) bij elkaar te houden. Naar het oordeel van het hof geeft dat echter geen rechtvaardiging voor een voortdurende termijnoverschrijding van de vastgestelde duur en moet de overschrijding aan de Nederlandse Staat worden toegerekend. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door de op te leggen gevangenisstraf geheel voorwaardelijk aan verdachte op te leggen.
Alles afwegende, zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden worden opgelegd, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Een kortere proeftijd doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof ziet geen aanleiding bijzondere voorwaarden te verbinden aan de voorwaardelijke straf.
Beslissing op het aanhoudingsverzoek
Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden en de reclassering opdracht te geven onderzoek te doen naar de (on)mogelijkheden van een enkelband als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk op te leggen straf. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht onderzoek te laten verrichten naar de detentiegeschiktheid van verdachte. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat dit onderzoek gelet op de medische toestand van verdachte noodzakelijk is voor het bepalen van de op te leggen straf.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden. Het hof ziet op grond van de inhoud van het dossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting ook geen aanleiding voor een onderzoek naar de detentiegeschiktheid van verdachte. Het hof zal verdachte in de onderhavige zaak geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De detentiegeschiktheid van verdachte kan eventueel in de executiefase aan de orde komen. Het hof ziet dan ook geen noodzaak de behandeling van de zaak aan te houden en wijst het aanhoudingsverzoek af.
Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 20.046,68.
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg twee vorderingen tot schadevergoeding ingediend, een van € 56.688,54 en een van € 16.404,32.
De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partijen hebben in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke schadebedrag nog steeds wordt gevorderd.
Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat tussen de het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partijen door dit handelen rechtstreeks schade hebben geleden. De benadeelde partijen kunnen daarom in hun vorderingen niet worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 3, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55, 57, 63 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Wijst af het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. S. Taalman, mr. G. Mintjes en mr. R.D.J. Visschers,
in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.