Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 april 2021 met parketnummer 08-952175-15 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 30 maart 2026 en 3 juni 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens betrokkene door zijn raadsman, mr. G.J. Ligtenberg, naar voren is gebracht.
Beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 13 april 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 33.750,- en is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Daarbij is de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 675 dagen.
Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar omdat het hof (anders dan de rechtbank) de ontnemingsbeslissing mede baseert op de veroordeling ter zake van deelneming aan een criminele organisatie en het hof tot een ander oordeel komt ten aanzien van de gijzeling, zal het hof het vonnis vernietigen. Het hof doet opnieuw recht.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 31.490,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting
in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 32.683,23 en dat de verplichting tot
betaling aan de Staat wordt vastgesteld op datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 33.750,- en dat in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat aan betrokkene moet worden opgelegd. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van een maandelijkse vergoeding van € 1.250,- zoals ook weergegeven in de beslissing van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit de ontnemingsvordering af te wijzen omdat betrokkene geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat betrokkene heeft meegedeeld in de opbrengst van de gestelde strafbare feiten. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de periode waarover voordeel moet worden berekend moet worden bepaald op 16 maanden, te weten van oktober 2014 tot en met januari 2016. Daarnaast is de verdediging van mening dat de maandelijkse vergoeding te hoog is geschat, mede gelet op de bepleite vrijspraken. Tot slot is bepleit dat rekening moet worden gehouden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en de schuldenproblematiek bij betrokkene, wat zou moeten leiden tot een aanzienlijke vermindering van een eventueel op te leggen betalingsverplichting.
Grondslag
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 3 juni 2026 (parketnummer 21-003238-20) veroordeeld tot straf voor
Uit het strafdossier, de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep
en aan de hand van dat arrest komt het hof tot het oordeel dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft verkregen.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het totale
wederrechtelijk voordeel dat betrokkene uit zijn deelname aan de criminele organisatie en zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerijen heeft verkregen op een bedrag van € 33.750,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting.
Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek ‘Travee’. In de periode van maart 2014 tot en met mei 2016 zijn negen hennepkwekerijen opgerold. Het hof heeft geoordeeld dat het merendeel van die wietplantages verband houdt met een criminele organisatie, waarvan [medebetrokkene] de leider was.
Het hof gaat ervan uit dat betrokkene een vergoeding heeft ontvangen voor zijn aandeel in de organisatie en zijn betrokkenheid bij zes hennepkwekerijen. Voor de hoogte van die vergoeding is in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel aansluiting gezocht bij het in 2014 en 2015 geldende (netto) minimumloon voor een fulltime werkweek van respectievelijk € 1.205,- en € 1.209,-.
Betrokkene heeft zelf geen verklaring afgelegd over de hoogte van de vergoeding die hij ontving voor zijn aandeel in de hennepkwekerij. Het hof acht het wel aannemelijk dat betrokkene werd betaald voor zijn werkzaamheden, mede gezien zijn rol ten aanzien van de hennepkwekerijen en het risicovolle karakter van dergelijke werkzaamheden. Het hof zal de maandelijkse vergoeding – evenals de rechtbank en mede gelet op het hiervoor genoemde minimumloon – schatten op een bedrag van € 1.250,-. Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal gaat het hof uit van een periode van 27 maanden, gebaseerd op de bewezenverklaarde periode van 1 maart 2014 tot en met 30 mei 2016, waarin betrokkene een vergoeding heeft ontvangen.
Gelet op het voorgaande schat het hof het door betrokkene wederrechtelijk verkregen
voordeel op een bedrag van € 1.250,- x 27 maanden = € 33.750,-. Van kosten in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel is niets gesteld of gebleken. Het
wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom vastgesteld op € 33.750,-.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Redelijke termijn
Het hof overweegt dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de redelijke termijn
in ontnemingszaken aanvangt op het moment dat de Nederlandse Staat jegens betrokkene
een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen
hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig
wordt gemaakt. Het hof stelt vast dat in de zaak van betrokkene geen conservatoir beslag is gelegd ten behoeve van de ontnemingsprocedure. Daarom wordt aansluiting gezocht bij de datum van de zitting waarop de vordering is aangekondigd. Volgens de
processen-verbaal betreft dat de zitting bij de rechtbank van 11 juni 2020. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat betrokkene in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 11 juni 2022 had mogen verwachten. Het vonnis van de rechtbank is op 13 april 2021 gewezen. De redelijke termijn is in eerste aanleg dus niet geschonden.
Het heeft lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 22 april 2021 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep vijf jaren en anderhalve maand zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren. Er is in hoger beroep dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het hof zal volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, nu de
strafzaak en de ontnemingszaak tegelijkertijd door het hof worden afgedaan en in de
strafzaak reeds compensatie voor het overschrijden van de redelijke termijn plaatsvindt.
Hiermee wordt de inbreuk op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens voldoende gecompenseerd.
Draagkracht
De draagkracht dient in beginsel aan de orde te worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen met vrucht aan de orde worden gesteld als aanstonds duidelijk is dat betrokkene op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Naar het oordeel van het hof is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben.
Conclusie
Op grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op
een bedrag van € 33.750,-.
Gijzeling
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 337 dagen.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 33.750,00 (drieëndertigduizend zevenhonderdvijftig euro).
Legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 33.750,00 (drieëndertigduizend zevenhonderdvijftig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 337 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. G. Mintjes, mr. S. Taalman en mr. R.D.J. Visschers,
in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.