Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 september 2020 met parketnummer 08-910037-16 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 24 maart 2026 (KvK-nummer [nummer] ) tot de faillissementsdatum van [datum 1] ingeschreven op het adres [adres] ,
hierna te noemen: verdachte.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon, en verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 april 2026 en 3 juni 2026.
Het hof heeft ook kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Namens verdachte is niemand verschenen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte wegens het ontbreken van enig belang dat met verdere vervolging is gediend.
Oordeel van het hof
Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 24 maart 2026 is verdachte ten gevolge van faillissement opgeheven te bestaan met ingang van [datum 1] en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel met ingang van [datum 2] . De voormalig curator van verdachte heeft per brief van 19 februari 2026 laten weten dat verdachte is ontbonden en opgeheven, nu het faillissement is geëindigd wegens het verbindend worden van de enige uitdelingslijst.
Het openbaar ministerie is blijkens de hoofdregel ontvankelijk in de vervolging nu de vervolging is ingesteld voordat voor derden kenbaar was dat verdachte is ontbonden. Gelet op de volgende specifieke omstandigheden is het hof evenwel van oordeel dat de onderhavige zaak aanleiding geeft af te wijken van die hoofdregel.
Het hof stelt vast dat tussen het vermoedelijk begaan van het aan verdachte tenlastegelegde feit en de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep een periode van ruim tien jaar is verstreken. Daarnaast is het hof voldoende gebleken dat de bedrijfsactiviteiten niet zijn voortgezet en dat verdachte thans geen liquide middelen bevat. Ook is anderszins niet gebleken van een juridisch of feitelijk voortbestaan of voortzetting op enige andere wijze van verdachte zodat het ervoor moet worden gehouden dat verdachte is opgehouden te bestaan.
Verdachte is in eerste aanleg nog bijgestaan door haar bestuurder, maar ter zitting van het hof is namens verdachte niemand verschenen. De rechtbank heeft verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Onder deze omstandigheden, die in onderlinge samenhang worden bezien, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat er geen belang meer is bij de (verdere) vervolging van verdachte. Het hof zal om die reden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de verdere vervolging van verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. R.D.J. Visschers, mr. G. Mintjes en mr. S. Taalman,
in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.