Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 september 2020 met parketnummer 08-952429-16 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 april 2026 en 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsman,
mr. P. Bonthuis, naar voren is gebracht.
Omvang van het hoger beroep
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Volgens de akte instellen rechtsmiddel van 16 september 2020 heeft mr. P. Bonthuis namens verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 2 september 2020, waarbij het hoger beroep is beperkt en uitsluitend ziet op feit 1. Het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is daarom ook beperkt tot feit 1.
Het hof zal ter zake van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde, welke feiten niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, ingevolge artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met het bepalen van een straf voor die bewezenverklaarde feiten.
Overig
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde lid van de Opiumwet (feit1), het medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel (feit 2 en 4) en hem daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van 13 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Het hof komt in dit arrest tot een andere strafoplegging dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet in zoverre opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is voor zover thans nog aan de orde ten laste gelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 10 mei 2016, te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of andere plaatsen in Nederland
(telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of andere personen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en kan zich vinden in de bewezenverklaring van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Hij was slechts betrokken bij twee kwekerijen en er was geen sprake van een duurzame samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich in grote lijnen met de overwegingen van de rechtbank verenigen, maar wijkt daar op enkele punten van af met tekstuele aanpassingen en met aanvullingen of wijzigingen. Het hof gebruikt daarom hierna overwegingen van de rechtbank, maar heeft die, omwille van de leesbaarheid, omgezet naar de zijne.
Verdachte is onherroepelijk veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij aan [adres 2] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 11 februari 2015 en bij de hennepkwekerij aan [adres 3] in de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015. De vraag die aan het hof voorligt is of verdachte door zijn betrokkenheid bij deze twee hennepkwekerijen ook heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Aanleiding van het onderzoek
Op 5 december 2013 wordt een anonieme melding gemaakt inzake internationale drugshandel. De melding houdt in dat de [medeverdachte 1] het brein is achter een georganiseerde organisatie die zich bezighoudt met internationale drugshandel (hennep) naar Duitsland. De geoogste hennep wordt geleverd dan wel verzameld in een pand aan [adres 4] . Hierna wordt de hennep ten behoeve van het knippen en verpakken overgebracht naar [opslagruimte] in [plaats 3] .
Hier heeft recent een inbraak plaatsgevonden, maar daarbij is de verkeerde box opengebroken. Vervolgens worden de verpakte drugs naar Duitsland getransporteerd, aldus de melder.
De politie trekt de informatie uit de melding na, en komt op basis daarvan tot de conclusie dat in de melding vermoedelijk wordt gedoeld op [medeverdachte 1] . Opvallend is dat er tussen 26 oktober 2013 en 27 oktober 2013 een inbraak heeft plaatsgevonden bij de [opslagruimte] . Uit de garagebox met het [nummer] , die volgens de eigenaar werd gehuurd door de heer [naam 1] , kwam een sterke wietlucht. In deze garagebox waren naast allerlei kweekbenodigdheden ook hennepresten en –toppen aangetroffen. Ook lagen er in de garagebox twee lege blikjes Red Bull die ten behoeve van sporenonderzoek in beslag zijn genomen. Hierop werd speeksel aangetroffen dat overeenkomsten vertoont met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] .
In dit verband is het enigszins opmerkelijk dat een paar jaar eerder, op 3 februari 2009, in [plaats 4] een hennepkwekerij is aangetroffen. In de kweekruimte waren drie personen aanwezig, namelijk [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Verder werd een bedrijfsauto aangetroffen waarin hennepgerelateerde goederen waren opgeslagen. Uit de verklaringen van medeverdachten bleek dat zij met dit voertuig naar de hennepkwekerij waren gereden. Het voertuig bleek op naam te staan van het bedrijf [bedrijf] in [plaats 3] , dat op naam staat van [medeverdachte 1] en is gevestigd aan [adres 4] . Uit informatie die bij Team Criminele Inlichtingen is binnengekomen volgt dat [medeverdachte 1] op het gebied van hennepteelt reeds jaren samenwerkt met [naam 1] .
Op 30 oktober 2014 ontvangt de politie wederom een anonieme melding waarin onder meer staat dat [medeverdachte 1] exploitant is van hennepkwekerijen die hoofdzakelijk in Twente gesitueerd zijn. De hennep die uit de verschillende hennepkwekerijen wordt geoogst, wordt doorgezet naar een aantal mannen in [plaats 1] . Dit gaat om ongeveer tien mannen, waaronder [medeverdachte 2] en zijn vader. De hennep wordt door deze mannen verpakt en vervoerd/verkocht naar Duitsland.
Op 5 november 2014 wordt de politie opnieuw anoniem getipt over weedhandel. De melder vertelt dat [medeverdachte 1] in weed handelt. [medeverdachte 1] koopt spullen in bij growshops. Dit spul wordt opgehaald door jongens uit [plaats 1] , waaronder [medeverdachte 2] en zijn vrienden. Zij verpakken het ergens in [plaats 1] en rijden daarna samen naar Duitsland.
In de periode van juni tot juli 2015 is bij Team Criminele Inlichtingen via meerdere informanten informatie binnengekomen, waaronder dat [medeverdachte 2] momenteel op het gebied van de drugshandel voor [medeverdachte 1] werkt. [medeverdachte 1] is de baas en [medeverdachte 2] voert taken voor hem uit. Op deze manier is [medeverdachte 1] niet in de picture.
In de maand januari 2016 meldt een informant dat de groep rondom [medeverdachte 2] bestaat uit onder andere [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] . Ze gebruiken verschillende voertuigen, waarmee ze naar hennepkwekerijen rijden om deze te verzorgen en/of verdovende middelen te transporteren naar Duitsland.
Mede gelet op bovenstaande anonieme meldingen, die overigens slechts een fractie van het geheel zijn, is het onderzoek Travee ingesteld.
Onderzoek naar criminele organisatie
In de periode van 11 februari 2015 tot en met 30 mei 2016 worden op diverse plaatsen hennepkwekerijen opgerold. Het lijkt erop dat het merendeel van de hennepkwekerijen in verband met elkaar staat, omdat dezelfde voertuigen en personen steeds worden waargenomen op diverse kweeklocaties. Het hof zal hierna in een tabel per hennepkwekerij tot uitdrukking brengen ten aanzien van welke betrokkene een bewezenverklaring tot stand is gekomen en wat diens taak is geweest.
[locatie 1]
[locatie 2]
[locatie 3]
[locatie 4]
[locatie 5]
[locatie 6]
[locatie 7]
Overwegingen en conclusies
Vooropgesteld wordt dat volgens vaste jurisprudentie onder een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en 11b van de Opiumwet wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.
Bij de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een organisatie, heeft het hof vastgesteld dat de TCI-informatie (zoals weergegeven onder het kopje ‘aanleiding van onderzoek’) voor een groot deel verankering gevonden heeft in het onderzoek Travee, dat heeft geresulteerd in het voorliggende strafdossier. Uit dit dossier kan worden afgeleid dat de hiervoor genoemde personen in wisselende combinaties betrokken zijn geweest bij een groot aantal hennepkwekerijen. Het hof is, gelet op voorgaande, van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband, zoals hierboven wordt omschreven, en daarmee ook van een organisatie. Deze organisatie bestond naar het oordeel van het hof in ieder geval uit [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] en [verdachte] .
Het oogmerk van de organisatie was onmiskenbaar de grootschalige hennepteelt. Ten aanzien van alle deelnemers aan de organisatie is gebleken dat zij als medepleger met anderen betrokken zijn geweest bij het telen van hennepplanten in meerdere hennepkwekerijen. Gedurende een periode van ruim twee jaren hebben de hiervoor genoemde zes personen in een bestendige vorm van samenwerking geopereerd. Ten aanzien van hun onderlinge rolverdeling overweegt het hof het volgende.
[medeverdachte 2] was de leider van de organisatie. Zo verklaart [medeverdachte 19] dat hij degene was die de lijntjes uitzette. [verdachte] zegt dat hij met [medeverdachte 2] afspraken maakte. Als hem wordt gevraagd waarom, antwoordt hij dat hij de man is waar het om gaat. Het is de jongen die de lijn uitzet en bepaalt wat er gebeurt. Zijn wil is wet. Ook [medeverdachte 12] verklaart dat [medeverdachte 2] hem vertelde wat hij moest doen. [medeverdachte 2] gaf ook andere leden van de organisatie opdrachten, zoals [medeverdachte 4] voor wat betreft het transport van verdovende middelen naar Duitsland. [medeverdachte 20] noemt [medeverdachte 2] de hoofdpersoon. Hij heeft gekeken of de locatie geschikt was voor een hennepkwekerij. Haar zus, [naam 4] , zou haar hebben verteld dat [medeverdachte 2] momenteel de tweede hoogste in rang is. [medeverdachte 18] verklaart ook dat [medeverdachte 2] de baas van het geheel was. Hij denkt dat omdat [medeverdachte 2] vaak het woord deed en in eerste instantie kwam kijken of de locatie geschikt was. De huurders dan wel eigenaren van de panden van de ontmantelde kwekerijen aan [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] hebben allen een bekennende verklaring afgelegd over hun rol. Zij hebben ook ieder voor zich verklaard dat zij met [medeverdachte 2] afspraken hebben gemaakt over de hennepkwekerij. Opvallend is dat de hennepkwekerijen ofwel werden gevestigd in panden van (leden van) de organisatie ofwel in panden van financieel kwetsbare personen, zoals [medeverdachte 15] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 20] en [medeverdachte 19] en [medeverdachte 17] .
De overige personen, te weten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] en [verdachte] hadden een in meer of mindere mate uitvoerende rol binnen de organisatie. Zij waren voornamelijk betrokken bij het regelen van panden ten behoeve van de organisatie, de opbouw en inrichting van de kwekerijen, het onderhouden van de hennepplanten en ook het knippen van de planten. Ook fungeerden sommigen van hen als contactpersoon. Ten aanzien van enkele leden staat vast dat zij vervoer verzorgden van carpoolplekken naar hennepkwekerijen. Opvallend is dat in het kantoor van verdachte een tas is aangetroffen waarin onder meer een stuk inhoudende criminaliteitsanalyse georganiseerde hennepteelt zat. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij dat heeft uitgeprint omdat hij geïnteresseerd was in de risico's.
Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan bovenstaande criminele organisatie. Het hof zal voor de aanvang van de pleegperiode aansluiting zoeken bij de datum van de hennepkwekerij waarbij de betrokkenheid van [verdachte] bewezenverklaard zal worden [locatie 1] , te weten 1 augustus 2014 en de pleegperiode beperken tot de datum dat hennepkwekerij in [locatie 3] werd ontmanteld.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 15 oktober 2015, te [plaats 1] en/of [plaats 3] en/of andere plaatsen in Nederland (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of andere personen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Strafbepaling op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor feiten 2 en 4
Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het onder 1 tenlastegelegde en de rechtbank één hoofdstraf voor alle feiten heeft opgelegd, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering eerst de straf bepalen ten aanzien van het door de rechtbank onder 2 en 4 bewezenverklaarde.
Het hof bepaalt die straf op een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Het hof heeft daarbij gekeken naar wat de rechtbank in haar strafmaatoverweging heeft overwogen ten aanzien van deze twee feiten, te weten dat de rechtbank per hennepkwekerij een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden zal opleggen.
Oplegging van straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd en bepleit dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf een passende straf is.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze organisatie hield zich op grote schaal bezig met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep. Het hof overweegt dat verdachte een uitvoerende, maar niet ondergeschikte, rol heeft gespeeld binnen de criminele organisatie. Hij is door zijn betrokkenheid een onmisbare schakel geweest bij het in stand houden daarvan. Het hof overweegt dat het gebruik van hennep een bedreiging voor de volksgezondheid vormt en dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong in het gebruik van drugs vindt.
Het hof heeft gelet op het strafblad van 4 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar nog niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke Opiumwetfeiten. Het hof acht voor de deelname aan de criminele organisatie in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend.
Het hof stelt echter vast dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van de inverzekeringstelling, te weten 23 mei 2016. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat verdachte in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 23 mei 2018 had mogen verwachten. De rechtbank heeft echter vonnis gewezen op 2 september 2020, circa twee jaren en drie maanden later. Het heeft vervolgens ook lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 16 september 2020 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ruim vijf jaren en acht maanden zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren.
Er is dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof stelt met de rechtbank vast dat de zaak onderdeel uitmaakt van een zeer omvangrijk onderzoek. Om proceseconomische redenen is besloten de zaken van deze verdachten (grotendeels) bij elkaar te houden om deze tegelijkertijd te behandelen en af te doen. Naar het oordeel van het hof geeft dat echter geen rechtvaardiging voor een termijnoverschrijding van de vastgestelde duur en moet (een deel van) de periode aan de Nederlandse Staat worden toegerekend. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door de op te leggen gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen.
Aan verdachte zal dan ook een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, worden opgelegd.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2 en 4 bewezenverklaarde op een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Mintjes, mr. S. Taalman en mr. R.D.J. Visschers,
in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.