ECLI:NL:GHARL:2026:3532

ECLI:NL:GHARL:2026:3532

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 21-003274-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Onderzoek Travee. Veroordeling wegens het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet en betrokkenheid bij diverse hennepkwekerijen.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , van 2 september 2020 met parketnummer 08-952363-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1970 in [plaats] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 april 2026 en 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.H. Rump, naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van wat aan hem onder 5 is ten laste gelegd. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor:

Daarbij is aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 16 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank heeft daarnaast de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en tot een andere strafoplegging dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 10 mei 2016, te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of andere plaatsen in Nederland

(telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en/of (onder meer) W. [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en een of meer andere perso(o)n(en)

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks 1 augustus 2014 tot en met 11 februari 2015 te [plaats 4] , gemeente [plaats 5] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (op het adres [plaats 5] ) heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2700 hennepplanten (berekend op basis van 900 aangetroffen hennepplanten en 2 oogsten van telkens 900 hennepplanten), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door [benadeelde partij 2] geleverde elektriciteit voor een bedrag van E. 4.894,51,- illegaal is afgetapt, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 2700 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

3.hij op tijdstippen in de periode van omstreeks 9 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 te [plaats 6] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 6770 hennepplanten (berekend op basis van 5 oogsten van telkens 1354 hennepplanten), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door [benadeelde partij 1] geleverde elektriciteit voor een bedrag van E. 56.688,54 illegaal is afgetapt, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 6770 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

4.hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015 te [plaats 7] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (op het adres [adres 3] ) heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 550 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 550 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 2

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en kan zich vinden in de bewezenverklaring van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot feit 3 is aangevoerd dat er geen draaiende kwekerij in het pand heeft gestaan.

Voor wat betreft feit 4 is aangevoerd dat verdachte een rol als mediator had en dus niet betrokken is geweest bij de opbouw en het reilen en zeilen van de kwekerij.

Tot slot is voor feit 1 aangevoerd dat verdachte geen actieve betrokkenheid heeft gehad bij de (leden van de) criminele organisatie.

Oordeel van het hof

Het hof kan zich in grote lijnen met de overwegingen van de rechtbank verenigen, maar wijkt daar op enkele punten van af met tekstuele aanpassingen en met aanvullingen of wijzigingen. Het hof gebruikt daarom hierna overwegingen van de rechtbank, maar heeft die, omwille van de leesbaarheid, omgezet naar de zijne.

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest bespreekt het hof de tenlastegelegde feiten niet in chronologische volgorde, maar volgt eerst een algemene overweging over de betrouwbaarheid van verklaringen, waarna het hof de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerijen zal beoordelen en daarna die bij de criminele organisatie.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van verklaringen:

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de hennepkwekerijen in [plaats 4] en [plaats 7] aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 10] onbetrouwbaar zijn. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Bij de vraag naar de keuze en waardering van bewijs heeft de rechter een grote vrijheid. In het geval uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren worden gebracht ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen moet de rechter motiveren waarom de ene verklaring wel voor het bewijs kan worden gebezigd en een andere niet.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring is een aantal factoren en omstandigheden van belang. In de eerste plaats is van belang of de getuige die belastend verklaart over anderen ook zelf een deel van de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. In dat geval wint de verklaring aan betrouwbaarheid ten opzichte van een verklaring waarin de gehele schuld wordt afgewenteld op een ander of anderen.

Verder is bij de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige of medeverdachte van belang of dat wat wordt verklaard overeenkomt met of steun vindt in zo te noemen andere bewijsmiddelen. Des te meer de verklaring wordt gesteund door objectieve feiten of omstandigheden of verklaringen van anderen des te meer waarde aan die verklaring kan worden gehecht.

Een andere belangrijke factor is het tijdsverloop. Aangenomen wordt dat de kans op een waarheidsgetrouwe verklaring groter is als deze is afgelegd kort na het voorval dan in het geval het verhoor plaatsvindt geruime tijd na het gebeuren. Dat ziet enerzijds op het feit dat herinneringen kunnen vervagen, zeker bij complexe of repeterende (strafbare) feiten en anderzijds op het feit dat bij een ruim tijdsverloop er meer gelegenheid is voor, al dan niet vrijwillig, contact met medeverdachten waardoor een getuige gemotiveerd kan raken om anders dan de waarheid te verklaren.

Daarnaast is van belang of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens.

Bij de beoordeling of de verklaringen van [medeverdachte 10] al dan niet betrouwbaar zijn, overweegt het hof het volgende.

[medeverdachte 10] heeft bij de politie meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd. In zijn verhoren van 13 februari 2015, 20 oktober 2015 en 28 oktober 2015 verklaart [medeverdachte 10] over een groep van ongeveer vijf personen die (mede)verantwoordelijk zou zijn voor de hennepkwekerijen in [plaats 4] en [plaats 7] . In eerste instantie wil [medeverdachte 10] geen namen noemen van de groepsleden, in de eerste plaats omdat hem was verteld dat hij dat niet mocht en in de tweede plaats omdat hij zich bedreigd voelt. [medeverdachte 10] zegt de jongens wel te kunnen beschrijven, maar kiest ervoor dat op dat moment niet te doen. Pas in zijn verhoor van 23 mei 2016 wil [medeverdachte 10] daar vanwege de verdenking van grootschalige hennepteelt op terugkomen. Hij noemt de namen Edwin [verdachte] (hierna ‘ [verdachte] ’), [naam 2] (hierna ‘ [naam 2] ’) en [naam 3] en [naam 5] .

Vervolgens is [medeverdachte 10] bijna vier jaren later, op 28 april 2020, nogmaals gehoord bij de rechter-commissaris. [medeverdachte 10] merkt daar op dat hij op 23 mei 2016 fysiek en psychisch gezien niet in staat was om een verklaring af te leggen en daarom afstand wil doen van die verklaringen. Ook komt [medeverdachte 10] voor een deel terug op de verklaring die hij over [verdachte] heeft afgelegd. Hij verklaart over de hennepkwekerij in [plaats 4] dat hij [verdachte] nooit heeft gezien als contactpersoon tussen hem en in het bijzonder [medeverdachte 1] en [naam 2] . Zijn rol was niet meer dan dat hij een boezemvriend van zijn zoon was. [medeverdachte 10] heeft hem wel informatie gevraagd over de business. [verdachte] heeft [medeverdachte 10] in contact gebracht met personen die hem zouden kunnen helpen. [verdachte] heeft in het pand in [plaats 7] geen enkele rol gespeeld voor de hennepteelt.

Het hof acht de door [medeverdachte 10] bij de politie afgelegde verklaringen betrouwbaar. In de eerste plaats omdat zijn verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals camerabeelden, observaties en verklaringen van medeverdachten. Het hof acht deze verklaring ook betrouwbaar omdat [medeverdachte 10] zichzelf belast waar het gaat om de betrokkenheid bij de kwekerij en er overigens geen motief ligt om andere genoemden, zoals [verdachte] , ten onrechte te belasten. Bovendien is er veel tijd verstreken tussen de verklaring zoals afgelegd bij de politie en de verklaring zoals afgelegd bij de rechter-commissaris.

Daaraan voegt het hof toe dat is gebleken dat [medeverdachte 10] zich bedreigd voelde door enkele medeverdachten, wat mogelijk tot gevolg heeft gehad dat hij, in elk geval ten aanzien van [verdachte] , minder uitgesproken is bij de rechter-commissaris. [medeverdachte 10] verklaart echter ook bij de rechter-commissaris dat het niet zo is dat zijn bij de politie afgelegde verklaringen over [verdachte] helemaal niet kloppen.

Tot slot heeft ten aanzien van de vermeende benarde gezondheidstoestand van [medeverdachte 10] tijdens zijn politieverhoren het volgende te gelden. Uit het tweede verhoor van 23 mei 2016 volgt dat pas op het moment dat wordt overgegaan tot de inverzekeringstelling van [medeverdachte 10] , een opmerking wordt gemaakt over zijn gezondheid. [medeverdachte 10] is vervolgens door een arts bezocht die heeft besloten dat er geen bezwaren waren tegen het verblijf in detentie van [medeverdachte 10] . In datzelfde verhoor is [medeverdachte 10] door de hulpofficier van justitie gevraagd of hij nog behoefte had aan een arts, maar daarvan heeft [medeverdachte 10] vervolgens afstand gedaan. Bij dit verhoor werd [medeverdachte 10] bijgestaan door een advocaat. Het hof overweegt dat er tijdens dit verhoor, maar ook tijdens de opvolgende verhoren meermalen de gelegenheid is geweest om problemen betreffende de fysieke en psychische gesteldheid naar voren te brengen. Aangezien dat niet is gebeurd, was de fysieke en psychische gesteldheid kennelijk dus niet zo benard als [medeverdachte 10] bij de rechter-commissaris doet voorkomen. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van feit 3:

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 27 juli 2015 wordt door de politie in een pand gelegen aan de [adres 2] in [plaats 6] binnengetreden. De verbalisanten zien in de opslagruimte allerlei goederen en attributen die nodig zijn voor de hennepteelt, waaronder assimilatielampen, ventilatoren, cannacutters, trafo’s en flexibele buizen. Vervolgens betreden de verbalisanten een kweekruimte met daarin een grotendeels ontmantelde hennepkwekerij. Er staan geen hennepplanten meer en de meeste voor een kwekerij benodigde attributen en goederen zijn weggehaald. In het plafond boven het kantoorgedeelte zijn vijf gaten voor de flexibele buizen gemaakt, vermoedelijk voor de aanvoer van verse lucht. Uit onderzoek naar het aantal planten lijkt te volgen dat er minimaal 1.354 planten in het pand hebben gestaan. In de kweekbakken liggen resten van hennepplanten. Een aantal van deze resten wordt getest met gebruikmaking van een cannabistest. De test geeft een positieve reactie, indicatief voor hennep of THC. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij [benadeelde partij 1] , geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

De politie heeft onderzoek gedaan naar de vraag of en hoe lang de hennepkwekerij in werking is geweest. Er zijn meerdere indicatoren dat de aangetroffen apparatuur in gebruik is geweest in de kweekruimtes. Er is bijvoorbeeld onder meer sprake van verdroogde resten van hennepplanten op, in en naast de kweekbakken en in vuilniszakken. Ook bevinden zich hennepresten op de in de kweek- en opslagruimtes aangetroffen knipschaartjes.

Verder valt het de verbalisanten op, afgezet tegen het feit dat het pand sinds juli 2012 wordt verhuurd, dat de in de kweekruimte aangetroffen vervuilde afzuigventilator een productiedatum van week 18 van het jaar 2012 vermeldt. In de kweekruimte worden daarnaast gipsplaten aangetroffen, die als scheidingswand dienen, waarop de productiedatum 7 juli 2012 staat.

Onderzoek naar betrokken personen

Uit onderzoek blijkt dat het pand sinds juli 2012 wordt gehuurd door eenmanszaak [bedrijf] , vertegenwoordigd door [verdachte] . Tijdens de inval is er sporenonderzoek verricht op voorwerpen in het pand. Een verbalisant stelt onder meer een in de kweekruimte aangetroffen sigarettenpeuk veilig. Uit het NFI rapport blijkt dat het daarop aangetroffen DNA-materiaal afkomstig kan zijn van [verdachte] . De kans dat het DNA-materiaal van een ander dan [verdachte] afkomstig is kleiner dan één op één miljard. Op grond hiervan wordt [verdachte] als verdachte gehoord. [verdachte] verklaart dat hij sinds januari 2015 bezig was met het opzetten van een hennepkwekerij, maar dat er nog nooit een plant in het pand heeft gestaan. In het dossier zitten echter diverse bewijsmiddelen waaruit het tegendeel blijkt.

Zo zijn er in de periode van 9 februari 2015 tot 18 augustus 2015 camera’s geplaatst met zicht op het pand aan de [adres 2] in [plaats 6] . Ook is er een observatieteam ingezet. Er zijn vanaf 10 februari 2015 op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. Verbalisant [naam 6] relateert dat hij naast [verdachte] heeft gezien dat onder meer [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] (hierna ‘ [medeverdachte 9] ’), [medeverdachte 8] (hierna ‘ [medeverdachte 8] ’), [naam 5] [medeverdachte 7] (hierna ‘ [medeverdachte 7] ’) en [naam 9] (hierna ‘ [naam 9] ’) zich bij of in het pand aan de [adres 2] in [plaats 6] bevonden. Het hof zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Op 7 april 2015 wordt om 07.32 uur een Renault Vel Satis met het kenteken [kenteken 1] voor het pand geparkeerd. Er wordt gerelateerd dat onder andere [verdachte] en [naam 9] uitstappen en het pand betreden. Ook wordt gezien dat om 08.34 uur een Ford Focus met het kenteken [kenteken 2] , die op naam staat van [medeverdachte 8] , achteruit de loods wordt ingereden. De inzittenden zijn niet zichtbaar. Om 13.24 uur wordt gezien dat een voertuig met [medeverdachte 1] als (mede)inzittende bij het pand arriveert. Vervolgens wordt gezien dat [medeverdachte 1] meermalen het pand in- en uitloopt met boodschappentassen. Om 17.32 uur verlaat een aantal mannen de loods. De verbalisant herkent onder andere [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] en [naam 9] . Om 17.40 uur verlaat ook [medeverdachte 9] het pand.

De dagen daarna, op 8 en/of 9 en/of 13 april 2015, worden [verdachte] , [medeverdachte 1] , [naam 9] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] wederom op de camerabeelden gezien bij het pand aan de [adres 2] in [plaats 6] .

[naam 9] heeft meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd. Volgens [naam 9] wilde [medeverdachte 1] hem helpen met zijn financiële situatie. Hij moest daarvoor werk doen in de hennepkwekerij. [naam 9] zegt het installatiewerk te hebben gedaan, zoals het aansluiten van koolstoffilters en afzuigingen. Het was hem bij binnenkomst direct duidelijk dat het om een kweeklocatie ging. [naam 9] verklaart desgevraagd dat hij één keer heeft geholpen met oogsten. Hij kreeg daar € 200,- voor. [medeverdachte 1] deed hem voor hoe hij moest oogsten. [medeverdachte 1] vertelde wat [naam 9] moest doen en was dan zelf ook bezig. Volgens [naam 9] hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] de kwekerij ingericht, dat wil zeggen het neerzetten van hennepplanten. [naam 9] neemt aan dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook het onderhoud van de planten deden, omdat zij er altijd waren. Nadat [naam 9] een aantal foto’s is getoond,geeft hij aan dat hij de personen op foto nummer 2 ( [medeverdachte 1] ), nummer 5 ( [verdachte] ), nummer 6 ( [medeverdachte 7] ), nummer 8 ( [medeverdachte 9] ) en nummer 9 ( [medeverdachte 8] ) kent. [naam 9] noemt [medeverdachte 7] ‘ [naam 10] ’ en [medeverdachte 9] ‘ [naam 11] ’. Hij omschrijft [medeverdachte 8] als de rechterhand van [medeverdachte 1] . [naam 9] zegt over [medeverdachte 7] dat het een loopjongen van [naam 3] is. Hij zag hem ook wel eens in de kwekerij, waar hij dingen deed die hem werden opgedragen. Over [medeverdachte 9] zegt [naam 9] dat hij bezig was met de opbouw en dat hij hem heeft zien slepen met spullen voor de kwekerij. [naam 9] vertelt dat zij vaak bij een carpoolplek werden opgehaald in een bus en naar het pand werden gebracht. Wie er reed was verschillend, soms was het [verdachte] . De anderen die in de bus zaten waren [medeverdachte 9] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] . [naam 9] heeft meerdere oogsten gezien, namelijk twee of drie, maar heeft er zelf maar aan één meegedaan. Hij is betaald door [medeverdachte 1] . [naam 9] zegt dat hij twee dagen over het knippen heeft gedaan. Daarna is de hennepkwekerij ontmanteld. [naam 9] vermoedt dat het rond 30 juni 2015 al klaar was. Bij het ontmantelen heeft [naam 9] alleen zijn eigen spullen weggehaald, dus de hele ventilatie-installatie.

Verder verklaart [medeverdachte 10] dat hij wel eens in het pand aan de [adres 2] in [plaats 6] is geweest. Deze verklaring vindt steun in de camerabeelden.[medeverdachte 10] zegt dat hij daar ook wel eens planten heeft zien staan. In de beleving van [medeverdachte 10] was de kwekerij van [verdachte] .

Overwegingen en conclusies

Het hof zal allereerst ingaan op de stelling van de raadsvrouw dat er geen hennepkwekerij in het pand aan de [adres 2] in [plaats 6] heeft gestaan, laat staan gedraaid. Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek van de politie (in het bijzonder de positieve cannabistest) zoals weergegeven onder het kopje ‘aantreffen van hennepkwekerij’, reeds genoegzaam volgt dat er wel degelijk een draaiende hennepkwekerij heeft gestaan in het pand aan de [adres 2] in [plaats 6] .

Daarnaast acht het hof de verklaringen van [naam 9] , die ook verklaart over een draaiende hennepkwekerij, betrouwbaar. [naam 9] belast zichzelf waar het gaat om de betrokkenheid bij de kwekerij en er ligt overigens geen motief om andere genoemden, zoals [verdachte] , ten onrechte te belasten. Bovendien is er veel tijd verstreken tussen de verklaring zoals afgelegd bij de politie en de verklaring zoals afgelegd bij de rechter-commissaris. Nog afgezien van het feit dat er aanwijzingen zijn dat de herinneringen in de loop van de tijd zijn vervaagd, staat ook vast dat [naam 9] bij de rechter-commissaris niet terugkomt op de over [verdachte] afgelegde verklaring. Het hof is dan ook van oordeel dat alle door [naam 9] afgelegde verklaringen tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De verweren van de raadsvrouw op deze punten worden verworpen.

Het hof acht op grond van bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 7] , [naam 9] en [medeverdachte 8] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres 2] in [plaats 6] .

Het hof concludeert dat [medeverdachte 1] samen met [verdachte] de hennepkwekerij heeft ingericht. Zij waren er altijd als [naam 9] er was. Ook heeft [verdachte] wel eens het vervoer van een carpoolplek naar de hennepkwekerij verzorgd. In het busje zaten ook [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 7] . [medeverdachte 9] was betrokken bij de opbouw van de hennepkwekerij.

[medeverdachte 1] heeft [naam 9] benaderd voor het verrichten van werkzaamheden in de hennepkwekerij. [medeverdachte 1] gaf [naam 9] aanwijzingen en opdrachten en betaalde hem. [medeverdachte 8] was de rechterhand van [medeverdachte 1] . Verder gaat het hof ervan uit dat [naam 9] het installatiewerk heeft gedaan, heeft geholpen met oogsten en daarna met het ontmantelen van de hennepkwekerij. Tot slot was [medeverdachte 7] de loopjongen van [medeverdachte 1] die in de hennepkwekerij dingen deed die hem werden opgedragen.

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. [verdachte] heeft een essentiële en actieve rol vervuld, nu hij met de inrichting heeft geholpen de hennepkwekerij te realiseren. Voornoemde gedraging van [verdachte] is tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde.

Gelet op de resultaten van de camerabeelden kan de ten laste gelegde periode van 9 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van feit 4:

Aantreffen van hennepkwekerij

Na de ontmanteling van een hennepkwekerij aan [plaats 5] in [plaats 4] , wordt opgemerkt dat [medeverdachte 10] wederom een pand huurt, ditmaal aan de [adres 3] in [plaats 7] . Ook daar komen personen en voertuigen van de ‘organisatie’. Het vermoeden rijst daarom dat op deze locatie een hennepkwekerij wordt opgezet. In dat kader wordt op 15 oktober 2015 door de politie in het bewuste pand binnengetreden. In de ruimte achter de deur van de opslagruimte staan allerlei benodigdheden voor een hennepkwekerij, zoals potaarde, assimilatielampen en koolstooffilters. Vervolgens stuiten de verbalisanten op twee afgetimmerde kweekruimtes, waarvan de eerste ruimte kennelijk nog in opbouw is. In de tweede kweekruimte treffen de verbalisanten een hennepplantage aan. In deze ruimte staan 550 planten van ongeveer acht weken oud. In totaal hangen er 26 assimilatielampen. Alle hennepplanten worden door middel van een irrigatiesysteem van een vloeistof voorzien vanuit een watervat. De luchtverversing, luchtafvoer en warmteafvoer wordt geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. Ook wordt er gebruikgemaakt van CO2 toevoeging. Er zijn geen indicaties die duiden op een eerdere oogst.

Onderzoek naar betrokken personen

[medeverdachte 10] heeft meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd, waarin hij ook belastend over andere betrokkenen verklaart. Zo spreekt [medeverdachte 10] over een groep van ongeveer vijf personen die (mede)verantwoordelijk zou zijn voor de hennepkwekerijen in [plaats 4] en [plaats 7] . Het hof overweegt dat [medeverdachte 10] is geconfronteerd met een aantal foto’s en leidt uit zijn herkenningen af dat hij met [verdachte] , [naam 3] , [naam 5] en ‘ [naam 12] ’ doelt op [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] en [naam 9] .[medeverdachte 10] vertelt dat hij in geldproblemen kwam met de hennepkwekerij in [plaats 4] . Hij had een schuld bij ‘de jongens’. Daarom besloot [medeverdachte 10] om het pand aan de [adres 3] in [plaats 7] te huren, op naam van [naam 13] . Het huurcontract ving aan op 15 mei 2015 en de huur bedroeg € 20.000,- per jaar. [medeverdachte 10] [plaats 6] € 5.000,- van [verdachte] gekregen en € 5.000,- van de vader van [medeverdachte 1] , die hij ‘ [naam 14] ’ noemt, wonende aan de [adres 4] in [plaats 2] . Het contact liep toen nog uitsluitend via [verdachte] , maar [medeverdachte 1] is wel in het pand aan de [adres 3] in [plaats 7] geweest. De planten zijn er op 24 augustus 2015 neergezet. ‘De jongens’ hebben de kweekruimtes ingericht, namen de planten mee en verzorgden deze. Om de twee dagen werd er iemand gestuurd om de plantjes te verzorgen. Ten tijde van de inval was [medeverdachte 10] naar eigen zeggen net een jongen aan het ophalen van een carpoolplek. [medeverdachte 10] verklaart dat hij [medeverdachte 7] heeft gezien bij de opbouw van de koelcel en kwekerij. Daarnaast hebben [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] alle hokken gebouwd. De andere personen waren allemaal van [medeverdachte 1] afhankelijk. Hij weet bijvoorbeeld dat [medeverdachte 7] door [medeverdachte 1] werd betaald. [medeverdachte 10] zegt [naam 9] vermoedelijk ook in [plaats 7] te hebben gezien. Zijn rol was bouwen.

[medeverdachte 7] verklaart dat hij een koelcel heeft geplaatst in het pand aan de [adres 3] in [plaats 7] . Hij zegt dat [naam 1] (het hof begrijpt uit de context van het verhoor dat hij [medeverdachte 10] bedoelt) hem soms daarbij heeft geholpen.

Daarnaast vertelt [naam 15] over de hennepkwekerij aan de [adres 3] in [plaats 7] dat [medeverdachte 10] dat pand had samen met zijn zoon en nog wat mensen uit [café] in [plaats] . [naam 15] zegt er twee keer binnen te zijn geweest. De eerste keer dat [naam 15] er was, zag hij dat het een hennepkwekerij was. Er waren twee hokken waar hennepplanten in stonden. Hij had het idee dat [medeverdachte 10] het voor het zeggen had. [naam 15] heeft zelf ook werkzaamheden verricht, die bestonden uit camera’s installeren, lampen ophangen en kabels aansluiten. Volgens [naam 15] wilde [medeverdachte 10] die camera’s omdat hij problemen had gehad in [plaats 4] . [naam 15] was nog bezig met de installatie toen er al een inval was. Hij zou de nieuwe kweekruimte gaan verzorgen. De potgrond hiervoor lag al klaar bij de koelcel. De tweede keer dat [naam 15] er was, kwam de zoon van [medeverdachte 10] langs, samen met een beruchte crimineel, die de [supermarkt] (de rechtbank begrijpt [supermarkt] ) had afgeperst. Deze crimineel is samen met de zoon van [medeverdachte 10] in het pand geweest en wilde graag de plantjes zien. De rechtbank stelt onder meer op basis van de verklaring van [medeverdachte 10] vast (die spreekt over [verdachte] en een [supermarkt] affaire) dat [naam 15] met de beruchte crimineel op [verdachte] doelt.

Verder verklaart [naam 9] dat hij vier keer in [plaats 7] is geweest. [medeverdachte 1] was er altijd en die deed de deur voor hem open. Het was daar niet zo groot. In de loods stond een grote koelvriezer en daarachter was de kwekerij. [naam 9] zegt dat hij de ventilatie [plaats 6] aangesloten. [naam 9] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij verdacht wordt van betrokkenheid bij drie hennepkwekerijen en dat [medeverdachte 1] bij al die kwekerijen was betrokken. [naam 9] vond [medeverdachte 1] een beetje ogen als de baas, zo’n regelbaasje.

Tot slot volgt uit de verklaring van [naam] (hierna: [naam 16] ) dat hij camera’s [plaats 6] opgehangen.

Bij [medeverdachte 7] en [verdachte] zijn bakens onder hun voertuigen geplaatst. Bij [medeverdachte 7] is dat gebeurd in de periode van 10 maart 2015 tot 26 november 2015, onder een Hyundai Getz met het kenteken [kenteken 3] . Hieruit is gebleken dat zijn voertuig in juni 2015 zeven keer en in juli 2015 twee keer bij het pand aan de [adres 3] in [plaats 7] is geweest.

Bij [verdachte] is het baken geplaatst geweest in de periode van 5 juni 2015 tot 22 september 2015, onder een Renault Kangoo met het kenteken [kenteken 4] . Hieruit is gebleken dat zijn voertuig in juni 2015 vier keer bij het pand aan de [adres 3] in [plaats 7] is geweest.

Daarnaast zijn er in de periode van 10 september 2015 tot en met 22 oktober 2015 camera’s geplaatst met zicht op het pand aan de [adres 3] in [plaats 7] . Ook is er een observatieteam ingezet. Een aantal observaties komt overeen met de bakengegevens van de hierboven genoemde voertuigen, bijvoorbeeld op 2 juni 2015 en op 23 juni 2015. Voorts zijn op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. Het hof zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Op 23 juni 2015 wordt door het observatieteam om 13.50 uur gezien dat [medeverdachte 10] als bestuurder van een Fiat Croma met het kenteken [kenteken 5] bij het pand arriveert. Wat verder opvalt is dat een Volvo met het kenteken [kenteken 6] en een Ford Transit met het kenteken [kenteken 7] van de [adres 2] in [plaats 6] naar de [adres 3] in [plaats 7] rijden. De bestuurder van de Volvo wordt als [verdachte] herkend en de bestuurder van de Ford Transit als [naam 9] .

Op 30 juni 2015 wordt gezien dat [naam 9] met de Ford Transit met het kenteken [kenteken 7] en [verdachte] met de Mercedes met het kenteken [kenteken 8] van de [adres 2] in [plaats 6] naar de [adres 3] in [plaats 7] rijden.

Ook tussen 24 september 2015 en 15 oktober 2015 wordt [medeverdachte 10] regelmatig bij het pand waargenomen als bestuurder van de eerder genoemde Fiat Croma of van een Volkswagen Caddy met het kenteken [kenteken 9] .

Overwegingen en conclusies

Het hof acht op grond van bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 10] , [naam 9] , [naam 15] en [naam 16] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres 3] in [plaats 7] .

Het hof concludeert dat [verdachte] de contactpersoon van [medeverdachte 10] was. Hij kwam tevens meermalen bij het pand, waaronder (tenminste) één keer om de plantjes te bekijken. Het hof merkt dit laatste aan als een toezichthoudende taak op het telen. Daarnaast waren de bij de hennepkwekerij betrokken personen afhankelijk van [medeverdachte 1] , die hen (in elk geval [medeverdachte 7] ) betaalde. Dit past ook bij de verklaring van [naam 9] , dat [medeverdachte 1] oogde als de baas, zo’n regelbaasje. [naam 9] heeft geholpen bij de opbouw en heeft de ventilatie aangesloten. [medeverdachte 10] heeft onder een valse naam het pand gehuurd. Hij heeft ook wel eens het vervoer van een carpoolplek naar de hennepkwekerij verzorgd. [naam 15] had bovendien het idee dat [medeverdachte 10] het voor het zeggen had in het pand. Verder gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] de hokken voor de hennepkwekerij hebben gebouwd. Tot slot hield [naam 16] zich bezig met de camera-installatie. Dat geldt ook voor [naam 15] , die tevens lampen ophing en kabels aansloot.

Het hof is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. [verdachte] heeft een essentiële en actieve rol vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij door controle uit te oefenen op de hennepplanten heeft bijgedragen aan het eindproduct. Voornoemde gedraging van [verdachte] is tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde, met uitzondering van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennepplanten.

Gelet op de verklaring van [medeverdachte 10] , bakengegevens en observaties kan de ten laste gelegde periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015 worden bewezen verklaard.

Tot slot is het hof van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het hof weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op de [adres 3] in [plaats 7] 550 planten. Daar komt bij dat de kweekruimtes waren afgetimmerd, een bevloeiingssysteem was geregeld en een afzuiging naar buiten was gemaakt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 1:

Aanleiding van onderzoek

Op 5 december 2013 wordt een anonieme melding gemaakt inzake internationale drugshandel. De melding houdt in dat [medeverdachte 6] (fonetisch) het brein is achter een georganiseerde organisatie die zich bezighoudt met internationale drugshandel (hennep) naar Duitsland . De geoogste hennep wordt geleverd dan wel verzameld in een pand aan de [adres 5] in [plaats 3] . Hierna wordt de hennep ten behoeve van het knippen en verpakken overgebracht naar Mini Opslag Twente in [plaats 3] .

Hier [plaats 6] recent een inbraak plaatsgevonden, maar daarbij is de verkeerde box opengebroken. Vervolgens worden de verpakte drugs naar Duitsland getransporteerd, aldus de melder.

De politie trekt de informatie uit de melding na, en komt op basis daarvan tot de conclusie dat in de melding vermoedelijk wordt gedoeld op [medeverdachte 6] . Opvallend is dat er tussen 26 oktober 2013 en 27 oktober 2013 een inbraak [plaats 6] plaatsgevonden bij de Mini Opslag [plaats 8] . Uit de garagebox met het nummer 2016, die volgens de eigenaar werd gehuurd door de heer [naam 19] , kwam een sterke wietlucht. In deze garagebox waren naast allerlei kweekbenodigdheden ook hennepresten en –toppen aangetroffen. Ook lagen er in de garagebox twee lege blikjes Red Bull die ten behoeve van sporenonderzoek in beslag zijn genomen. Hierop werd speeksel aangetroffen dat overeenkomsten vertoont met het DNA-profiel van [medeverdachte 6] .

In dit verband is het enigszins opmerkelijk dat een paar jaar eerder, op 3 februari 2009, in [plaats 9] een hennepkwekerij is aangetroffen. In de kweekruimte waren drie personen aanwezig, namelijk [naam 19] , [naam 20] en [naam 21] . Verder werd een bedrijfsauto aangetroffen waarin hennepgerelateerde goederen waren opgeslagen. Uit de verklaringen van verdachten bleek dat zij met dit voertuig naar de hennepkwekerij waren gereden. Het voertuig bleek op naam te staan van het bedrijf [bedrijf ] . in [plaats 3] , dat op naam staat van [medeverdachte 6] en is gevestigd aan de [adres 5] in [plaats 3] . Uit informatie die bij Team Criminele Inlichtingen is binnengekomen volgt dat [medeverdachte 6] op het gebied van hennepteelt reeds jaren samenwerkt met [naam 19] .

Op 30 oktober 2014 ontvangt de politie wederom een anonieme melding waarin onder meer staat dat de heer [medeverdachte 6] exploitant is van hennepkwekerijen die hoofdzakelijk in [plaats 8] gesitueerd zijn. De hennep die uit de verschillende hennepkwekerijen wordt geoogst, wordt doorgezet naar een aantal mannen in [plaats 2] . Dit gaat om ongeveer tien mannen, waaronder [medeverdachte 1] en zijn vader. De hennep wordt door deze mannen verpakt en vervoerd/verkocht naar Duitsland .

Op 5 november 2014 wordt de politie opnieuw anoniem getipt over weedhandel. De melder vertelt dat [medeverdachte 6] in weed handelt. [medeverdachte 6] koopt spullen in bij growshops. Dit spul wordt opgehaald door jongens uit [plaats 2] , waaronder [medeverdachte 1] en zijn vrienden. Zij verpakken het ergens in [plaats 2] en rijden daarna samen naar Duitsland .

In de periode van juni tot juli 2015 is bij Team Criminele Inlichtingen via meerdere informanten informatie binnengekomen, waaronder dat [medeverdachte 1] momenteel op het gebied van de drugshandel voor [medeverdachte 6] werkt. [medeverdachte 6] is de baas en [medeverdachte 1] voert taken voor hem uit. Op deze manier is [medeverdachte 6] niet in de picture.

In de maand januari 2016 meldt een informant dat de groep rondom [medeverdachte 1] bestaat uit onder andere [medeverdachte 9] (hierna ‘ [medeverdachte 9] ’), [medeverdachte 11] , [medeverdachte 8] (hierna ‘ [medeverdachte 8] ’) en [medeverdachte 3] (hierna ‘ [medeverdachte 3] ’). Ze gebruiken verschillende voertuigen, waarmee ze naar hennepkwekerijen rijden om deze te verzorgen en/of verdovende middelen te transporteren naar Duitsland .

Mede gelet op bovenstaande anonieme meldingen, die overigens slechts een fractie van het geheel zijn, is het onderzoek Travee ingesteld.

Onderzoek naar criminele organisatie

In de periode van 11 februari 2015 tot en met 30 mei 2016 worden op diverse plaatsen hennepkwekerijen opgerold. Het lijkt erop dat het merendeel van de hennepkwekerijen in verband met elkaar staat, omdat dezelfde voertuigen en personen steeds worden waargenomen op diverse kweeklocaties. Het hof zal hierna in een tabel per hennepkwekerij tot uitdrukking brengen ten aanzien van welke betrokkene een bewezenverklaring tot stand is gekomen en wat diens taak is geweest.

[plaats 4] (ZD01)

[straat] in [plaats 6] (ZD02)

[plaats 7] (ZD03)

[straat] [plaats 6] (ZD04)

[plaats] (ZD05)

[plaats 11] (ZD07)

[plaats 10] (ZD08)

Overwegingen en conclusies

Vooropgesteld wordt dat volgens vaste jurisprudentie onder een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en 11b van de Opiumwet wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.

Bij de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van een organisatie, heeft het hof vastgesteld dat de TCI-informatie (zoals weergegeven onder het kopje ‘aanleiding van onderzoek’) voor een groot deel verankering gevonden heeft in het onderzoek Travee, dat heeft geresulteerd in het voorliggende strafdossier. Uit dit dossier kan worden afgeleid dat de hiervoor genoemde personen in wisselende combinaties betrokken zijn geweest bij een groot aantal hennepkwekerijen. Het hof is, gelet op voorgaande, van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband, zoals hierboven wordt omschreven, en daarmee ook van een organisatie. Deze organisatie bestond naar het oordeel van het hof in ieder geval uit [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 10] .

Het oogmerk van de organisatie was onmiskenbaar de grootschalige hennepteelt. Ten aanzien van alle deelnemers aan de organisatie is gebleken dat zij als medepleger met anderen betrokken zijn geweest bij het telen van hennepplanten in meerdere hennepkwekerijen. Gedurende een periode van ruim twee jaren hebben de hiervoor genoemde zes personen in een bestendige vorm van samenwerking geopereerd. Ten aanzien van hun onderlinge rolverdeling overweegt het hof het volgende.

[medeverdachte 1] was de leider van de organisatie. Zo verklaart [naam 26] dat hij degene was die de lijntjes uitzette. [medeverdachte 10] zegt dat hij met [naam 3] afspraken maakte. Als hem wordt gevraagd waarom, antwoordt hij dat hij de man is waar het om gaat. Het is de jongen die de lijn uitzet en bepaalt wat er gebeurt. Zijn wil is wet. Ook [naam 9] verklaart dat [medeverdachte 1] hem vertelde wat hij moest doen. [medeverdachte 1] gaf ook andere leden van de organisatie opdrachten, zoals [verdachte] voor wat betreft het transport van verdovende middelen naar Duitsland . [naam 27] noemt [medeverdachte 1] de hoofdpersoon. Hij heeft gekeken of de locatie geschikt was voor een hennepkwekerij. Haar zus, [naam 28] , zou haar hebben verteld dat [medeverdachte 1] momenteel de tweede hoogste in rang is. [naam 25] verklaart ook dat [medeverdachte 1] de baas van het geheel was. Hij denkt dat omdat [medeverdachte 1] vaak het woord deed en in eerste instantie kwam kijken of de locatie geschikt was. De huurders dan wel eigenaren van de panden van de ontmantelde kwekerijen aan de [adres 7] in [plaats 6] , [adres 8] in [plaats 11] en de [adres 6] in [plaats 10] hebben allen een bekennende verklaring afgelegd over hun rol. Zij hebben ook ieder voor zich verklaard dat zij met [medeverdachte 1] afspraken hebben gemaakt over de hennepkwekerij. Opvallend is dat de hennepkwekerijen ofwel werden gevestigd in panden van (leden van) de organisatie ofwel in panden van financieel kwetsbare personen, zoals [naam 23] , [naam 25] , [naam 27] en [naam 26] en [naam 24] .

De overige personen, te weten [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 10] hadden in meer of mindere mate een uitvoerende rol binnen de organisatie. Zij waren voornamelijk betrokken bij het regelen van panden ten behoeve van de organisatie, de opbouw en inrichting van de kwekerijen, het onderhouden van de hennepplanten en ook het knippen van de planten. Ook fungeerden sommigen van hen als contactpersoon. Ten aanzien van enkele leden staat vast dat zij vervoer verzorgden van carpoolplekken naar hennepkwekerijen.

Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan bovenstaande criminele organisatie. Het hof zal voor de aanvang van de pleegperiode aansluiting zoeken bij de datum van de eerst opgezette hennepkwekerij waarbij de betrokkenheid van [verdachte] bewezenverklaard zal worden, te weten 9 februari 2015.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 februari 2015 tot en met 15 oktober 2015, te [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of andere plaatsen in Nederland (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte, en/of (onder meer) W. [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en een of meer andere perso(o)n(en) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.hij op tijdstippen in de periode van omstreeks 9 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 te [plaats 6] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 6770 hennepplanten (berekend op basis van 5 oogsten van telkens 1354 hennepplanten), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door [benadeelde partij 1] geleverde elektriciteit voor een bedrag van E. 56.688,54 illegaal is afgetapt, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 6770 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

4.hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015 te [plaats 7] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (op het adres [adres 3] ) heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 550 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 550 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan).

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd en bepleit om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van uitzonderlijke en zeldzame omvang. Daarnaast doet dat ook geen recht aan de persoonlijke belangen van verdachte. Als hij terug moet naar de gevangenis raakt hij zijn baan kwijt, en daarmee zijn financiële stabiliteit.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze organisatie hield zich op grote schaal bezig met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep. Het hof overweegt dat verdachte een uitvoerende, maar niet ondergeschikte, rol heeft gespeeld binnen de criminele organisatie. Hij is door zijn betrokkenheid een onmisbare schakel geweest bij het in stand houden daarvan. Ook weegt het hof het professionele dan wel bedrijfsmatige karakter van de organisatie mee. Het hof overweegt dat het gebruik van hennep een bedreiging voor de volksgezondheid vormt en dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong in het gebruik van drugs vindt. Daarnaast heeft verdachte ten behoeve van enkele hennepkwekerijen gedurende enige tijd onrechtmatig elektriciteit afgetapt. Hoewel de opsteller van de tenlastelegging dit kennelijk als (buitenwettelijke) strafverzwaringsgrond heeft opgenomen in de tenlastelegging, zal het hof dit niet in strafverzwarende zin meewegen, nu niet vast staat dat verdachte een strafbaar aandeel heeft gehad in het onrechtmatig aftappen van de elektriciteit.

Gezien de aard en ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft gelet op het strafblad van 4 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het hof acht voor de deelname aan de criminele organisatie in beginsel een gevangenisstraf van zes maanden passend. Voor de twee kwekerijen acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van drie maanden per kwekerij passend.

Het hof stelt echter vast dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van de inverzekeringstelling, te weten 10 mei 2016. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat verdachte in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 10 mei 2018 had mogen verwachten. De rechtbank heeft echter vonnis gewezen op 2 september 2020, circa twee jaren en drie maanden later. Het heeft vervolgens ook lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 4 september 2020 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ruim vijf jaren en acht maanden zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren.

Er is dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof stelt met de rechtbank vast dat de zaak onderdeel uitmaakt van een zeer omvangrijk onderzoek. Om proceseconomische redenen is besloten de zaken van deze verdachten (grotendeels) bij elkaar te houden om deze tegelijkertijd te kunnen behandelen en af te doen. Naar het oordeel van het hof geeft dat echter geen rechtvaardiging voor een termijnoverschrijding van de vastgestelde duur en moet (een deel van) de periode aan de Nederlandse Staat worden toegerekend. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door twee maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.

Aan verdachte zal dan ook in plaats van een gevangenisstraf van 12 maanden, een gevangenisstraf van 10 maanden worden opgelegd. Het hof gaat hiermee boven de eis van de advocaat-generaal uit, omdat het hof van oordeel is dat in de eis onvoldoende de ernst van de feiten tot uitdrukking komt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 20.046,68.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het schadeveroorzakende feit niet afzonderlijk als diefstal is ten laste gelegd. Aldus is volgens de rechtbank door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting niet komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke schadebedrag nog steeds wordt gevorderd.

Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Het hof is in dit geval onvoldoende gebleken dat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen en de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 3, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Mintjes, mr. S. Taalman en mr. R.D.J. Visschers,

in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand