ECLI:NL:GHARL:2026:3533

ECLI:NL:GHARL:2026:3533

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 21-001967-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Onderzoek Travee. Beslissing op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege betrokkenheid bij een hennepkwekerij.

Uitspraak

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 april 2021 met parketnummer 08-910012-17 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 mei 2023, 9 april 2026 en 3 juni 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens betrokkene door zijn (waarnemend) raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, naar voren is gebracht.

Beslissing waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 april 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 14.300,- en is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Daarbij is de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 286 dagen.

Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van de hoogte van de betalingsverplichting en het hof tot een ander oordeel komt ten aanzien van de gijzeling, zal het hof het vonnis vernietigen. Het hof doet opnieuw recht.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 31.490,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting

in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 25.000,- en dat de verplichting tot

betaling aan de Staat wordt vastgesteld op datzelfde bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 14.300,- en dat, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, de verplichting tot betaling aan de Staat aan betrokkene moet worden opgelegd tot een bedrag van € 12.000,-. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van maandelijkse opbrengsten van € 1.250,- en maandelijkse kosten van € 600,- zoals ook weergegeven in de beslissing van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit de ontnemingsvordering af te wijzen omdat geen schatting te maken is van de huurperiode. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 750,-. Daarbij is uitgegaan van € 250,- aan verdiensten in oktober, november en december 2015 voor de (onder)verhuur van de loods. Die periode wordt ondersteund door de huurovereenkomst. Meer subsidiair is verzocht het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een lager bedrag dan in eerste aanleg is vastgesteld door de rechtbank.

Grondslag

Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 september 2020 veroordeeld tot straf voor medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 1 maart 2014 tot en met 21 januari 2016 door een loods ter beschikking te stellen.

Uit het strafdossier, de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep

en aan de hand van dat vonnis komt het hof tot het oordeel dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft verkregen.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het totale

wederrechtelijk voordeel dat betrokkene uit de hennepkwekerij heeft verkregen op een

bedrag van € 14.300,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting.

Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek ‘Travee’. In de periode van maart 2014 tot en met mei 2016 zijn negen hennepkwekerijen opgerold. De rechtbank heeft geoordeeld dat het merendeel van die wietplantages verband houdt met een criminele organisatie. De rechtbank heeft in de strafzaak betrokkene veroordeeld voor medeplichtigheid aan een hennepkwekerij die werd gerund door [medebetrokkene 1] en een of meer andere onbekend gebleven personen.

Het hof gaat ervan uit dat betrokkene een vergoeding heeft ontvangen voor zijn aandeel in de hennepkwekerij. Voor de hoogte van die vergoeding is in het rapport wederrechtelijk

verkregen voordeel aansluiting gezocht bij de verklaring van betrokkene.

Uit het vonnis van de rechtbank volgt dat betrokkene een door hem gehuurde loods ter beschikking heeft gesteld, onderverhuurd, aan (leden van) de criminele organisatie ten behoeve van de exploitatie van een hennepkwekerij. Betrokkene heeft in eerste instantie verklaard dat hij de loods vanaf oktober 2015 heeft onderverhuurd aan ene ‘ [naam] ’, voor een bedrag van € 1.250,- per maand. Gelet op de overwegingen van de rechtbank op dat punt in de strafzaak, houdt het hof het ervoor dat dit bedrag door de criminele organisatie werd voldaan aan betrokkene ten behoeve van de onderhuur.

Het hof zal de maandelijkse opbrengst uit onderhuur – evenals de rechtbank – gelet op de verklaring van betrokkene schatten op een bedrag van € 1.250,-. Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal gaat het hof uit van een periode van 22 maanden, gebaseerd op de in het vonnis bewezenverklaarde periode van 1 maart 2014 tot en met 21 januari 2016, waarin betrokkene een vergoeding heeft ontvangen. Daarbij acht het hof redengevend dat een buurtbewoonster heeft verklaard dat zij op 25 april 2014 met de zoon van de bewoonster van het woonhuis aan de [locatie] contact heeft gehad via Facebook Messenger en dat die zoon toen aangaf dat er illegale dingen zouden gebeuren in de loods.

Ook acht het hof redengevend dat het buurtbewoners in de winter van 2014-2015 opviel dat alle daken in de straat bevroren waren, behalve het dak van de loods. Daarnaast heeft [medebetrokkene 1] verklaard dat er vanaf oktober 2014 contact was met [bijnaam] (het hof begrijpt dat de eigenaar van de [winkel] wordt bedoeld) en dat er op dat moment al een draaiende hennepkwekerij stond.

Dat betrokkene maar drie keer betaald zou hebben gekregen namelijk in de maanden oktober, november en december 2015, zoals door de verdediging gesteld, acht het hof niet aannemelijk geworden.

Betrokkene heeft verklaard dat hij in de bewezenverklaarde periode de loods ook gebruikte als opslag voor zijn [winkel] . Het hof is dan ook niet gehouden de kosten van voor de huur van de loods voor aftrek in aanmerking laten te komen, omdat deze kosten ook zouden zijn gemaakt als het delict niet was gepleegd en dus niet direct aan dat delict zijn gerelateerd. Het hof zal echter in het voordeel van betrokkene wel rekening houden met deze kosten en zoekt ten aanzien van de hoogte van het maandelijkse huurbedrag voor de loods aansluiting bij de verklaring van betrokkene. Volgens betrokkene heeft hij de loods gehuurd voor een maandelijks bedrag van € 600,-.

Gelet op het voorgaande schat het hof het door betrokkene wederrechtelijk verkregen

voordeel op een bedrag van:

€ 1.250,- x 22 maanden € 27.500,-

€ 600,- x 22 maanden € 13.200,- (-

Totaal € 14.300,-

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 14.300,-.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Redelijke termijn

Het hof overweegt dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de redelijke termijn

in ontnemingszaken aanvangt op het moment dat de Nederlandse Staat jegens betrokkene

een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen

hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig

wordt gemaakt. Het hof stelt vast dat in de zaak van betrokkene geen conservatoir beslag is gelegd ten behoeve van de ontnemingsprocedure. Daarom sluit het hof aan bij de datum van de zitting waarop de vordering is aangekondigd. Volgens de processen-verbaal betreft dat de zitting van 8 juni 2020. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat betrokkene in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 8 juni 2022 had mogen verwachten. Het vonnis van de rechtbank is op 13 april 2021 gewezen. De redelijke termijn is in eerste aanleg dus niet geschonden.

Het heeft lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 22 april 2021 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep vijf jaren en anderhalve maand zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren. Er is in hoger beroep dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof is van oordeel dat dit niet voor rekening van betrokkene dient te komen.

Het hof is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de betalingsverplichting tot gevolg moet hebben. Hiermee rekening houdende zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag waarop het als wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, maar dat bedrag verminderen met € 2.300,-.

Draagkracht

De draagkracht dient in beginsel aan de orde te worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen met vrucht aan de orde worden gesteld als aanstonds duidelijk is dat betrokkene op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Naar het oordeel van het hof is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben.

Conclusie

Op grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op

een bedrag van € 12.000,-.

Gijzeling

Naar het oordeel van het hof is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat betrokkene niet in staat zal zijn om eventuele gijzeling te ondergaan. Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 120 dagen.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 14.300,00 (veertienduizend driehonderd euro).

Legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 12.000,00 (twaalfduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 120 dagen.

Deze beslissing is gewezen door mr. S. Taalman, mr. G. Mintjes en mr. R.D.J. Visschers,

in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand