GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.429/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 341555)
beschikking van 2 juni 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3]
in de zaak van
1. [verzoeker] (de vader)
2. [verzoekster] (de moeder)
die wonen in [woonplaats]
advocaat: mr. J. Koenen te Rotterdam
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
regio Oost Nederland, locatie Zwolle
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI)
die is gevestigd in Zwolle.
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft op 9 december 2025 een machtiging gegeven om [de minderjarige2] en [de minderjarige3] uit huis te plaatsen tot 9 juni 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
De ouders hebben samen drie kinderen. [de minderjarige1] is geboren [in] 2009. [de minderjarige2] is geboren [in] 2014. [de minderjarige3] is geboren [in] 2018.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
De kinderen staan sinds 29 augustus 2025 onder toezicht van de GI. Zij zijn op die datum ook uit huis geplaatst. [de minderjarige1] woont inmiddels weer thuis. [de minderjarige2] woont op een behandelgroep in Almelo en [de minderjarige3] verblijft met intensieve zorg op een andere locatie.
3. De procedure bij de kinderrechter
De raad heeft op 26 november 2025 de kinderrechter verzocht, voor zover van belang, om [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] uit huis te mogen plaatsen voor de periode van een jaar. De raad heeft daarbij gevraagd de machtiging tot uithuisplaatsing eerst voor zes maanden af te geven en het verzoek voor het overige aan te houden. Op de zitting van 9 december 2025 heeft de raad het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige1] ingetrokken.
De kinderrechter heeft vervolgens een machtiging verleend om [de minderjarige2] en [de minderjarige3] uit huis te plaatsen tot 9 juni 2026 en elke nadere beslissing aangehouden.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 9 december 2025. Op 7 januari 2026 en op 19 februari 2026 zijn er herstelbeschikkingen gegeven.
4. De procedure bij het hof
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
De raad en de GI willen dat de beslissing in stand blijft.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, ontvangen op 25 februari 2026
een brief van de ouders van 27 februari 2026
het verweerschrift van de raad
het verweerschrift van de GI
een brief met bijlagen van de ouders van 6 april 2026
een brief met bijlagen van de ouders van 17 april 2026
een e-mail met bijlagen van de GI van 21 april 2026
drie e-mails met bijlagen van de ouders van 21 en 22 april 2026.
[de minderjarige2] heeft op 20 april 2026 via een beeldbelverbinding gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
De zitting bij het hof was op 23 april 2026. Aanwezig waren de ouders met hun advocaat, twee vertegenwoordigers van de raad en een medewerker van het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming (LET JB) namens de GI.
5. Het oordeel van het hof
De kinderrechter kan een machtiging geven kinderen uit huis te plaatsen. Dat kan als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De rechter kan die machtiging ook verlengen.
In de bestreden beschikking is, voor zover van belang, de machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verleend tot 9 juni 2026.
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de machtiging aan de GI moet worden gegeven, omdat de kinderen nog niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof neemt - na eigen onderzoek - de overwegingen van de rechtbank over de machtiging tot uithuisplaatsing over.
Uit het dossier blijkt een lange voorgeschiedenis van zorgen over het gezin. Er bestaan in ieder geval sinds 2016 meldingen over huiselijk geweld, maar ook over agressie van de vader richting personen buiten het gezin en instanties zoals de politie, school en de voedselbank. Een incident op 17 maart 2025 werd op dat moment door de moeder en de kinderen omschreven als een geweldsincident van de vader waarbij de moeder in het gezicht geslagen en gestompt zou zijn, zij door de vader op de grond is gegooid waarna hij met zijn knieën op haar armen bovenop haar is gaan zitten, hij zijn handen op haar keel heeft gezet en de keel heeft dichtgeknepen . Ze benoemden daarbij ook dat dit niet de eerste keer is. Verklaringen hierover zijn kort geleden door de moeder en [de minderjarige1] ingetrokken. Zij verklaren nu dat de ernst van het incident door de moeder overdreven is.
Tussen de eerste beschikking over de ondertoezichtstelling van 29 augustus 2025 en de zitting op 9 december 2025 hebben zich verschillende situaties voorgedaan waarbij de ouders, maar vooral de vader, verbaal agressief waren en zich bedreigend en intimiderend opstelden, zoals incidenten bij begeleide omgang, op de toenmalige woonlocatie van [de minderjarige1] en op de school van [de minderjarige2] . Ook na die zitting zijn de ouders herhaaldelijk grensoverschrijdend gedrag blijven vertonen, zoals op de school en op de woonlocatie van [de minderjarige2] en bij de GI. Op 16 maart 2026 is de vader in strijd met de afspraken met de moeder meegekomen naar de woonlocatie van [de minderjarige3] . Hij uitte zich verbaal agressief en droeg [de minderjarige1] op de medewerkers te filmen. Hoewel zij meerdere malen verzocht zijn te vertrekken, heeft de locatie 112 moeten bellen. Na een mondelinge behandeling op 18 februari 2026 heeft een rechtbankmedewerker gehoord dat de vader zei “Ik maak die rechter dood, ik weet waar hij woont en heb een heel leger achter mij staan…”. De vader lijkt de ernst van de gebeurtenissen niet in te zien. . Tegelijkertijd is de vader overtuigd dat andere mensen, in het bijzonder de (jeugd)hulpverlening, er steeds (zonder reden) op uit zijn om het hem en zijn gezin lastig te maken, of in zijn eigen woorden, te ‘torpederen’.
Het hof is van oordeel dat duidelijk is gebleken dat de verhouding tussen de ouders en de hulpverlening zeer gespannen is. De manier waarop de ouders vorm geven aan hun verdriet, wantrouwen en frustratie levert onveilige situaties op voor de betrokken hulpverleners. Dit vertraagt het hulpverleningsproces, wat de onrust bij de ouders verder doet toenemen. Niet helpend is dat de vader niet wil of kan erkennen dat hij een (negatief) aandeel in de situatie heeft. Pas als hij dat onder ogen ziet, zal hij in staat zijn zijn gedrag aan te passen. Het is heel belangrijk dat de ouders gaan laten zien open te staan voor hulpverlening. Ook kunnen de ouders de situatie verbeteren door zich te houden aan de voorwaarden en (veiligheids)kaders die nodig zijn om deze hulp op een veilige en verantwoorde manier te kunnen bieden.
Het LET JB heeft op de zitting verteld welke aanpak zij willen hanteren om een goede analyse van de situatie te maken om het behandelplan voor het gezin op te kunnen stellen. Dit zal beginnen met een onderzoek naar de ouders en de kinderen door interviews en vragenlijsten. Daarna volgt een plan dat met de ouders besproken zal worden. Zo komt er een duidelijk beeld van welke hulpverlening nodig is en op welke manier die hulp geboden kan worden.
Voor de verzorging en opvoeding van de kinderen is het belangrijk dat zij een veilige en stabiele basis hebben. Het hof volgt de kinderrechter, de raad en de GI in de conclusie dat de ouders op het moment dat de bestreden beschikking gegeven werd en nu nog steeds niet in staat zijn die veilige en stabiele basis te bieden.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 9 december 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 2 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.