Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 13 april 2021 met parketnummer 08-952429-16 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 april 2026 en 3 juni 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens betrokkene door zijn raadsman,
mr. P. Bonthuis, naar voren is gebracht.
Beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 13 april 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op een bedrag van € 31.228,08 en is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Daarbij is de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 624 dagen.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast baseert het hof de ontnemingsbeslissing mede op de veroordeling ter zake van deelneming aan een criminele organisatie. Ook komt het hof tot een ander oordeel ten aanzien van het aantal dagen gijzeling dat ten hoogste kan worden gevorderd. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 31.490,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 25.862,74 en dat de verplichting tot betaling aan de Staat wordt vastgesteld op datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 9.764,04,- en dat in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat aan de betrokkene moet worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit de ontnemingsvordering af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak. Betrokkene bestrijdt dat er een oogst is geweest. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat slechts sprake is geweest van één eerdere oogst, en niet twee zoals de rechtbank heeft beslist.
Grondslag
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 3 juni 2026 (parketnummer 21-003255-20) veroordeeld tot straf voor deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet (feit 1). Daarnaast heeft het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, Wetboek van Strafvordering de straf bepaald voor de door de rechtbank bij vonnis van 13 april 2021 bewezen verklaarde feiten 2 en 4, die zij heeft gekwalificeerd als:
- medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feiten 2 en 4).
Uit het strafdossier, de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep
en aan de hand van dat arrest komt het hof tot het oordeel dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft verkregen.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van het totale
wederrechtelijk voordeel dat betrokkene uit de hennepkwekerij heeft verkregen op een
bedrag van € 9.764,04,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting.
Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek ‘Travee’. In de periode van maart 2014 tot en met mei 2016 zijn negen hennepkwekerijen opgerold. De rechtbank heeft geoordeeld dat het merendeel van die wietplantages verband houdt met een criminele organisatie, waarvan [medebetrokkene 1] de leider was.
Opbrengst kwekerij [adres 2]
Het is onherroepelijk komen vast te staan dat betrokkene betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in [plaats 1] . Het hof overweegt dat betrokkene een verklaring heeft afgelegd over de hoogte van de vergoeding die hij van de criminele organisatie ontving voor zijn aandeel in deze hennepkwekerij. Betrokkene heeft namelijk verklaard dat hij 40% zou krijgen en ‘zij’ (het hof begrijpt: de criminele organisatie) 60%. Het hof zal ten aanzien van deze hennepkwekerij dan ook deze verdeelsleutel hanteren.
Tijdens de inval op 15 februari 2015 zijn negenhonderd hennepplanten aangetroffen. Dit aantal is niet door de verdediging betwist. Anders dan de rechtbank gaat het hof uit van één eerdere oogst. Het hof heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van betrokkene. Betrokkene heeft namelijk verklaard dat de eerste oogst slecht was.
Het hof stelt vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij in [plaats 1] is vastgesteld op een bedrag van € 144.820,20. Dit bedrag is gebaseerd op twee oogsten van negenhonderd planten. Gezien het feit dat het hof uitgaat van één eerdere oogst, komt het hof uit op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 72.410,10. Toepassing van de verdeelsleutel, zoals door betrokkene zelf aangegeven, brengt het hof tot de conclusie dat de opbrengsten van betrokkene neerkomen op een bedrag van (40% van 72.410,10 =) € 28.964,04.
Opbrengst kwekerij [adres 3]
Het hof overweegt dat de hennepkwekerij in [plaats 2] nog in opbouw was. Dit brengt met zich dat er uit deze plantage geen opbrengsten zijn behaald.
Kosten kwekerijen [adres 2] en [adres 3]
De verdediging heeft in eerste aanleg bij conclusie van antwoord een aantal kosten opgevoerd die betrokkene zou hebben gemaakt, namelijk:
brandstofkosten van ongeveer € 6.000,- totaal;
[waarborgsom] van € 6.000,- eenmalig ( [plaats 1] );
[huurkosten 1] van € 2.000,- exclusief BTW per maand ( [plaats 1] );
energiekosten [bedrijf] van € 577,- per maand ( [plaats 1] );
internet-/telefoonkosten Telfort van € 56,- per maand ( [plaats 1] );
investeringskosten ‘hardware’ van ongeveer € 55.000,- totaal ( [plaats 1] );
[huurkosten 2] van € 20.000,- per jaar ( [plaats 2] );
kachels/CO2-controller HGP van ongeveer € 2.000,-/3.000,- totaal ( [plaats 2] );
investeringskosten [medebetrokkene 1] van ongeveer € 35.000,- totaal ( [plaats 2] );
‘lening’ van € 180.000,- van zijn Thaise zakenpartner, deels in kwekerij gestopt.
Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat deze kosten niet concreet en verifieerbaar zijn. Met name is volgens het Openbaar Ministerie niet verifieerbaar voor wiens (gezamenlijke) rekening deze kosten binnen de organisatie zijn gekomen, als ze al gemaakt zijn.
Gelet op het feit dat sommige kosten verband houden met beide hennepkwekerijen, zal het hof de kosten niet per hennepkwekerij splitsen maar gezamenlijk bespreken.
Het hof overweegt dat de verdediging de kosten ten behoeve van de brandstof, investering in hardware en kachels/CO2-controller onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Er zijn geen facturen en/of bonnetjes overlegd waaruit blijkt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat betrokkene een deel van de ‘lening’ van zijn Thaise zakenpartner in de kwekerij(en) heeft gestopt, is eveneens onvoldoende aannemelijk gemaakt. Datzelfde geldt voor de investeringskosten [medebetrokkene 1] .
Het hof merkt de energiekosten van [bedrijf] evenmin als kostenpost aan, omdat de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Ten aanzien van de internet- en telefoonkosten van Telfort merkt het hof op dat het hof deze niet in mindering zal brengen, omdat deze posten niet noodzakelijk zijn ten behoeve van een hennepkwekerij en daarmee onvoldoende in verband staan. Het hof acht het aannemelijk dat de huurkosten voor het pand in [plaats 2] zijn gemaakt, maar betrokkene heeft op dat punt verklaard dat hij het geld van ‘die jongens’ (het hof begrijpt: de criminele organisatie) heeft gekregen. Dit bedrag moet daarom worden aangemerkt als kostenpost van de criminele organisatie en niet van betrokkene. Met betrekking tot de kwekerij van de locatie [plaats 2] betekent dit dat het hof geen kosten zal aftrekken, nu daar geen oogst is geweest en dus geen opbrengst.
Wel gaat het hof mee in het standpunt van de verdediging dat de kosten van de waarborgsom en huur ten behoeve van de locatie [plaats 1] voor aftrek in aanmerking komen. Dit komt neer op een bedrag van € 18.000,- (€ 6.000 + (6 x € 2.000)).
Daarnaast zal het hof, net als bij [medebetrokkene 1] , ambtshalve rekening houden met de loonkosten van de overige betrokkenen, omdat deze zijn betaald van de opbrengsten van de hennepkwekerij. Zoals hiervoor is vastgesteld zijn er bij de kwekerij van de locatie [plaats 2] geen opbrengsten geweest en anders dan de rechtbank berekent het hof hier daarom alleen de loonkosten ten behoeve van de locatie [plaats 1] . Het betreft loonkosten voor: [medebetrokkene 2] , [medebetrokkene 3] , [medebetrokkene 4] en [medebetrokkene 5] . Het hof schat het bedrag dat zij maandelijks ontvingen op € 1.250,-. Gelet op de bewezenverklaarde periode van de hennepkwekerij, ontvingen zij gezamenlijk een bedrag van € 30.000,- (6 maanden x 4 personen x 1.250) in [plaats 1] .
Het hof zal op al deze kosten de verdeelsleutel, zoals door betrokkene aangegeven, toepassen. Dit komt neer op de volgende berekening:
- waarborgsom en huur [plaats 1] 40% van 18.000 = € 7.200,-
- loonkosten [plaats 1] 40% van 30.000 = € 12.000,-
De totale kosten van betrokkene bedragen dus: € 19.200,-
Het hof komt tot de conclusie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene (28.964,04 - 19.200 =) € 9.764,04 bedraagt.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Redelijke termijn
Het hof overweegt dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de redelijke termijn
in ontnemingszaken aanvangt op het moment dat de Nederlandse Staat jegens de betrokkene
een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen
hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig
wordt gemaakt. Het hof stelt vast dat in de zaak van betrokkene geen conservatoir beslag is gelegd ten behoeve van de ontnemingsprocedure. Het hof zoekt daarom aansluiting bij de datum van de zitting waarop deze vordering voor het eerst is aangebracht. Volgens de processen-verbaal betreft dat de zitting van 14 februari 2018. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat betrokkene in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 14 februari 2020 had mogen verwachten. Het vonnis van de rechtbank is echter op 13 april 2021 gewezen, circa een jaar en twee maanden later.
Het heeft ook lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 26 april 2021 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ruim vijf jaren en een maand zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren.
Er is in eerste aanleg en in hoger beroep dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het hof zal volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, nu de
strafzaak en de ontnemingszaak tegelijkertijd door het hof worden afgedaan en in de
strafzaak reeds compensatie voor het overschrijden van de redelijke termijn plaatsvindt.
Hiermee wordt de inbreuk op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens voldoende gecompenseerd.
Conclusie
Op grond van het voorgaande en rekening houdend met fouten/onnauwkeurigheden in afronding en kleine rekenfouten stelt het hof de verplichting tot betaling aan de Staat op een bedrag van € 9.500,-.
Gijzeling
Het hof zal bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat de duur van de gijzeling bepalen overeenkomstig de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof bepaalt op basis daarvan de duur van de gijzeling op de maximale duur van ten hoogste 95 dagen.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 9.764,04 (negenduizend zevenhonderdvierenzestig euro en vier cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 95 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. G. Mintjes, mr. S. Taalman en mr. R.D.J. Visschers,
in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.