Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 2 september 2020 met parketnummer 08-952602-14 en de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 08-910000-17 en 08-910052-19, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 in [plaats] ,
Basis Registratie Personen (BRP)-adres: [woonplaats] (Duitsland),
ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven adres: [adres] (Duitsland).
Hoger beroep
Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 april 2026 en 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.H. van der Wal, naar voren hebben gebracht.
Omvang van het hoger beroep
Zoals uit het hierna overwogene onder ‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep’ blijkt is verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van het onder feit 2 van de zaak met parketnummer 08-952602-14 tenlastegelegde en is de vordering van de benadeelde partij van rechtswege niet aan het oordeel van het hof onderworpen.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat er geen strafvorderlijk beslag meer staat geregistreerd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat geen beslissing op enig beslag meer is vereist.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Uit de akte instellen hoger beroep van 15 september 2020 volgt dat het hoger beroep namens verdachte onbeperkt is ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte om die reden voor de hierna afzonderlijk te noemen feiten niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Feit 1
Het hof leest de tenlastelegging van feit 1 aldus dat de daar omschreven delicten dienen te worden begrepen als impliciet cumulatief tenlastegelegd.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het op 26 februari 2016 in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 16,6 kilogram hennep. De rechtbank heeft verdachte partieel vrijgesproken van de overige tenlastegelegde transporten in de periode van 1 januari 2016 tot 26 februari 2016. Die partiële vrijspraken betreffen naar het oordeel van het hof, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman, beschermde vrijspraken. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de partiele vrijspraken.
Feiten 2 en 3
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 08-952602-14 onder 2 en 3 is ten laste gelegd. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken.
Feit 5
Het hof leest de tenlastelegging van feit 5 aldus dat de daar omschreven delicten dienen te worden begrepen als impliciet cumulatief tenlastegelegd.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het in de periode van 12 januari 2016 tot en met 18 januari 2016 in [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen potentiële klanten van [medeverdachte 1] te bewegen tot de afgifte van een koopsom in verband met de aankoop van een Mercedes SLK waarvan hij de tellerstand zodanig heeft doen wijzigen dat de op de kilometerteller aangegeven afstand niet overeenkomt met de door dat motorijtuig werkelijk afgelegde afstand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank heeft verdachte partieel vrijgesproken van het terugdraaien van de kilometerstanden van de Citroën Berlingo en de Peugeot 5008. Die partiële vrijspraken betreffen naar het oordeel van het hof, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman, beschermde (deel)vrijspraken. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de partiele vrijspraken.
Feit 7
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van wat aan hem in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 4 is ten laste gelegd. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.
Uit de akte instellen hoger beroep van 15 september 2020 volgt dat het openbaar ministerie tegen dit feit ook hoger beroep heeft ingesteld. Bij e-mailbericht van 23 maart 2026 alsmede ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat het openbaar ministerie de grieven niet langer handhaaft en heeft gevorderd dat het hof het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren. Op grond van het vorenstaande geeft het hof toepassing aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van dit feit.
Overig
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor:
Daarbij is aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 34 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Het hof komt in dit arrest tot een andere kwalificatie dan de rechtbank ten aanzien van feit 4, feit 5 primair en feit 10 en tot een andere strafoplegging. Het hof vernietigt daarom het vonnis voor zover in hoger beroep nog aan de orde en doet in zoverre opnieuw recht.
Tenlastelegging
Voor de leesbaarheid van dit arrest nummert het hof de nog aan het oordeel van het hof onderworpen feiten hetzelfde als de rechtbank, te weten het feit van de zaak met parketnummer 08-952602-14 als feit 1, de feiten van de zaak met parketnummer 08-910000-17 als feiten 4, 5, 6, 8 en 9 en het feit van de zaak met parketnummer 08-910052-19 als feit 10.
Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde dat:
1.hij op 26 februari 2016 te [plaats] en/of [plaats] en/of andere plaatsen in Nederland en/of Duitsland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht
(een) hoeveelheid/hoeveelheden hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel;
4.hij op of omstreeks 16 oktober 2012 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand op het adres [straat] )
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 3547,3 gram henneptoppen en/of hennepgruis, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
5. primairhij in of omstreeks de periode van 3 juni 2015 tot en met 10 mei 2016 te [plaats] , althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
potentiële klanten van [medeverdachte 1] en/of verdachte te bewegen tot de afgifte van een koopsom in verband met de aankoop van een Mercedes SLK waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(s), de tellerstand (telkens) zodanig heeft/hebben gewijzigd en/of heeft/hebben doen wijzigen en/of de werking van de kilometerteller zodanig heeft/hebben beïnvloed en/of doen beïnvloeden dat de op de kilometerteller(s) aangegeven afstand niet overeenkomt met de (telkens) door dat/die motorrijtuig(en) werkelijk afgelegde afstand(en),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5. subsidiairhij in de periode van 3 juni 2015 tot en met 10 mei 2016 te [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
de tellerstand van bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde categorieën motorrijtuigen (te weten motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B) die dienen te zijn ingeschreven en tenaamgesteld, te weten een Peugeot 5008 en/of Citroën Berlingo en/of Mercedes SLK en/of andere motorrijtuigen, zodanig heeft/hebben gewijzigd en/of heeft/hebben doen wijzigen en/of de werking van de kilometerteller zodanig heeft/hebben beïnvloed en/of doen beïnvloeden dat de op de teller aangegeven afstand niet overeenkomt met de door dat motorrijtuig werkelijk afgelegde afstand;
6.hij op of omstreeks 10 mei 2016 te [plaats]
een vuurwapen van categorie III, te weten een revolver, type Velo Dog, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad;
8.hij in de periode van omstreeks 19 juli 2015 tot en met 23 juli 2015, te [plaats] en/of [plaats] , althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels
[verzekeringsmaatschappij] / [verzekeringsmaatschappij] , althans bij een verzekeringsmaatschappij(en), (hierna: de verzekeringsmaatschappij(en)) heeft bewogen tot de afgifte van 21.823,90 euro, althans (een) geldbedrag/bedragen, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid opzettelijk:
- op of omstreeks 19 juli 2015 op/bij de [straat] te [plaats] een aanrijding in scene gezet (tussen/met de voertuigen gekentekend [kenteken] en [kenteken]
- ( vervolgens) een aanrijdingsformulier (vindplaats zaaksdossier 35 p. 28073), waarop was vermeld - zakelijk weergegeven - dat op 19 juli 2015 te 21.30 uur op of aan de [straat] te [plaats] een aanrijding of botsing had plaatsgevonden tussen voornoemde voertuigen tengevolge waarvan/waarbij die/dat motorrijtuig(en) was/waren beschadigd/schade had(den) bekomen, bij de verzekeringsmaatschappij(en), ingediend,
waardoor de verzekeringsmaatschappij(en), werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
9.[medeverdachte 1]
op tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 maart 2014 tot en met 10 mei 2016, te [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) een aantal voorwerpen, te weten:
(in totaal) 309.192,- euro, althans enig geldbedrag heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt
en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den)
en/of de volgende voertuigen met kenteken:
[lijst met auto's en kenteken]
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van die/dat bovenomschreven voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt
en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den),
terwijl [medeverdachte 1] wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk -(al dan niet gedeeltelijk) afkomstig waren uit enig misdrijf en [medeverdachte 1] al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);
10.hij in de periode van 11 maart 2018 tot en met 7 mei 2018, althans op of omstreeks 07 mei 2018 te [plaats] (Mini Opslag [plaats] , box [nummer] ), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 5,15 kilogram (brutogewicht) henneptoppen, althans een grote hoeveelheid henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of
- ongeveer 58,62 kilogram (brutogewicht) hasjies(plakken), althans een grote hoeveelheid hasjiesj, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,
terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten (in totaal) ca. 63 kilogram hennep en hasjiesj, althans meer dan 500 gram hennep en hasjiesj).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal acht het onder 1, 4, 5, 6, 8, 9 en 10 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en kan zich vinden in de bewezenverklaring van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1, 9 en 10 ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de aannames dat de OVC-gesprekken onmiskenbaar op door verdachte georganiseerde drugshandel duiden, dat de "chef" tijdens het gesprek van 23 februari 2016 verdachte was en dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het transport van 26 februari 2016.
Met betrekking tot feit 9 heeft de verdediging aangevoerd dat door verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven voor de kasopstelling die een negatief saldo aantoont, namelijk dat hij geld heeft geleend van [naam] .
Voor wat betreft feit 10 heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van [getuige ] op geen enkel objectief gegeven steunt en om meerdere zelfstandige redenen als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. Daarnaast is niet vastgesteld dat de tassen waarmee verdachte op camerabeelden te zien is uit box [nummer] afkomstig waren.
Ten aanzien van de feiten 4, 5, 6 en 8 refereert de verdediging zich wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich in grote lijnen met de overwegingen van de rechtbank verenigen, maar wijkt daar op enkele punten van af met tekstuele aanpassingen en met aanvullingen of wijzigingen. Het hof gebruikt daarom hierna overwegingen van de rechtbank, maar heeft die, omwille van de leesbaarheid, omgezet naar de zijne.
Ten aanzien van feit 1:
Op basis van OVC-gesprekken en camerabeelden stelt de politie vast dat er in de periode van 12 januari 2016 tot en met 23 februari 2016 zeven ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen [verdachte] en/of [medeverdachte 2] enerzijds en Duitse mannen uit [plaats] anderzijds. Deze ontmoetingen vinden plaats in de loods van [verdachte] , gelegen aan de [straat] in [plaats] . Volgens de politie is op de OVC-gesprekken te horen dat er tijdens de ontmoetingen telkens wordt gesproken over soorten en hoeveelheden verdovende middelen en de levering en betaling daarvan.
Tijdens de ontmoeting op 23 februari 2016 wordt in de loods onder meer gesproken over een levering die op vrijdag (het hof begrijpt: vrijdag 26 februari 2016) om acht uur zal plaatsvinden. De Duitse politie voert die vrijdag een observatie uit. Om 05.52 uur wordt een Opel Insignia waargenomen met het kenteken [kenteken] . Er zitten twee personen in het voertuig, naar later blijkt [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Achter dit voertuig rijdt een andere Opel Insignia met het kenteken [kenteken] . In dit voertuig zit één persoon, naar later blijkt [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ). Gezien wordt dat beide voertuigen richting [plaats] rijden. Uiteindelijk wordt de achtervolging ingezet op de Opel Insignia met het kenteken [kenteken] . Gezien wordt dat dit voertuig om 08.01 uur op het adres [straat] in [plaats] het terrein van een garage oprijdt, dat [medeverdachte 5] een tas naar binnen brengt en vervolgens de garage weer afsluit. Nadat de verbalisanten [medeverdachte 5] hebben gearresteerd, zien zij in de bewuste garage een grote zwarte reistas liggen die op slot zit. Voor deze tas ligt een doos van een mobiele BlackBerry telefoon. Voor de rest is de garage leeg. Bij het openen van de tas zien de verbalisanten dat deze gevuld is met doorzichtige zakjes met marihuanabloesem. Op de zakjes staan handgeschreven markeringen: N+, P, K II en SH. Nader onderzoek wijst uit dat het een partij hennep betreft met een brutogewicht van 16,6 kilo.
Bij het hof ligt de vraag voor of [verdachte] betrokken is geweest bij het op 26 februari 2016 opzettelijk buiten het grondgebied brengen van verdovende middelen. Het hof stelt vast dat de politie de OVC-gesprekken heeft uitgewerkt van de ontmoeting van 23 februari 2016. De verdediging heeft daarover aangevoerd dat de inhoud van de gesprekken voor meerdere interpretaties vatbaar is, maar heeft geen invulling gegeven hoe de gesprekken dan wél geduid zouden moeten worden. Naar het oordeel van het hof zijn onderstaande gebezigde vetgedrukte termen in de geuite context (hoeveelheid, gewichten en geldbedragen) slechts voor één uitleg vatbaar, te weten de handel in drugs:
‘’NNM: acht Haze , vier normale, ik zweer drie-en-een-half sorry, drie-en-een-half. lk heb nog van de vorige keer drie stuk liggen
[medeverdachte 2] : ja
NNM: en van de donkere nog twee kilo, ik zweer op mijn alles’’
‘’NNM: tweede rekening, totaal honderdachttienduizend zeshonderdvijftig
[medeverdachte 2] : ja
NNM: min de poeder tweeduizendtweehonderdvijftig zijn honderdzestienduizendvierhonderd min honderdachtduizend die ik heb gegeven.’’
‘’NNM: en wacht, die PP viernegentig ik zweer het, ...onverstaanbaar
[medeverdachte 2] : vijfduizendnegenhonderdvijftig zeg je, min vijf, vijf die heb je mij gegeven, vierhonderdvijftig’’
‘’ [medeverdachte 2] : als je dat doet, en alles is gedroogd en alles is goed en je hebt er zo'n grote knoppen (D: Knospen) in
NNM: onverstaanbaar
[medeverdachte 2] : nee, die zijn gedroogd maar die stengels die zijn nat, die krijg je niet gedroogd dan gaan de kleine knoppen kapot. Als je dat...onverstaanbaar...dan is het weg (…)
[medeverdachte 2] : dat krijg je niet droog
NNM: maar bij die Haze
[medeverdachte 2] : ja maar dan is het andere klein dan is het zo droog, wordt net bijna gruis . (…) [medeverdachte 2] : ik kan ook hier handel uit Spanje kopen
NNM: ja?
[medeverdachte 2] : maar dat is euh, ze maken/doen het daar op de normale manier, maar de handel gaat zo veel, zo veel slechte, bladeren
NNM: ja
[medeverdachte 2] : en de mensen verkopen dat hier voor vier twee, vier vier hier! Ze hebben geen zin om dat naar Duitsland te brengen de straffen zijn hoger .’’
‘’NNM: bij laatste die je gestuurd hebt was veel gesneden hè?
[medeverdachte 2] : weet je wat we dan doen? Als de handel komt moet je er eigenlijk één a twee door doen.
NNM: ja? Want de laatste die je gedaan hebt was te vroeg geknipt .
[medeverdachte 2] : maar als ie dan komt dan kun je zeggen ja een klein hoekje van de.. onverstaanbaar....dat kan zijn ja, dat is geen mix, dan kun je zeggen de planten zijn hetzelfde.’’
Het hof weegt bij zijn oordeel mee dat in het gesprek tevens gesproken wordt over ‘de handel’ in combinatie met vrijdag acht uur, zoals hieronder weergegeven:
‘’NNM: vrijdag acht uur dan hè?
[medeverdachte 2] : wat?
NNM: de handel
[medeverdachte 2] : ja’’
Deze afspraak komt volledig overeen met de daadwerkelijke gang van zaken bij het onderschepte drugstransport van 26 februari 2016, zodat het hof het ervoor houdt dat er op de handel in drugs werd gedoeld. Bovendien komt de afspraak tussen [medeverdachte 2] en de Duitse afnemer(s) overeen met de verklaring van [medeverdachte 5] , inhoudend dat hij het transport heeft verricht in opdracht van [medeverdachte 2] . Daar komt bij dat [verdachte] bij de ontmoeting van 12 januari 2016 aan de Duitse afnemers aangeeft hoe de levering zal gaan:
‘’ [verdachte] : beter als je een garage hebt, één maal kun je kijken, ik heb een chauffeur , en een voor chauffeur
NNM: Hollander?
[verdachte] : nee een Duitser, alleen Duitsers. De voor chauffeur geeft je een sleutel van de garage, die zet het in de garage en twintig minuten later kun je het ophalen...niet wanneer de mensen, ze kunnen mijn mensen in de gaten houden maar ook die van jou...dat is beter niet zo.’’
In het licht van deze opmerkingen van [verdachte] is het opvallend dat deze werkwijze overeenkomt met de levering op 26 februari 2016, waarbij immers ook gebruik is gemaakt van twee chauffeurs en een garage waarin de drugs werden neergezet. Ook [medeverdachte 2] spreekt over een ‘voor chauffeur’ en zegt dat ze beiden in een Opel Insignia rijden.
Verder is het noemenswaardig dat tijdens de ontmoeting op 14 januari 2016 in de aanwezigheid van [medeverdachte 2] tussen [verdachte] en de Duitse afnemers wordt besproken dat [verdachte] markeringen aanbrengt, aangezien op de verdovende middelen van de onderschepte levering ook markeringen waren geschreven:
‘’NNM: alstublieft alles goed markeren, niet verkeerd markeren...onverstaanbaar..
[verdachte] : die normale, schrijf ik niks erop. Bij haze schrijf ik H , ( beslag in Duitsland )
Ze praten onverstaanbaar door elkaar..
[verdachte] : of SH , silber haze of wat.’’
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte herhaaldelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard niet meer actief te zijn in de handel. Dat zou uit enkele OVC-gesprekken blijken. Het hof verwerpt dit verweer omdat het heeft vastgesteld dat de gesprekken waarover de verdediging het heeft op 12 en 20 januari 2016 zijn gevoerd en dat er na 20 januari 2016 nog gesprekken zijn gevoerd waaraan verdachte deelnam en die over de handel gingen. Het hof verwijst daarvoor naar de hiervoor opgenomen passages van de OVC-gesprekken.
Het hof overweegt verder dat ondanks het feit dat [verdachte] niet in persoon aanwezig was bij de afspraak van 23 februari 2016, uit de OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat [medeverdachte 2] bij de ontmoeting van 23 februari 2016 telefonisch, per sms, contact heeft met ene ‘chef’. De uitluisterende verbalisant merkt namelijk meermalen op dat hij een geluid hoort dat lijkt op het geluid van een bericht dat binnenkomt op een BlackBerry. Het hof overweegt dat onderstaande passages deze lezing bevestigen:
‘’ [medeverdachte 2] : de chef schrijft mij, ik zeg de jongen zijn hier en die vragen om de choco(fon)’’
‘’NNM: schrijf je met de chef ?
[medeverdachte 2] : mmmmmm’’
De volgende vraag is of [verdachte] deze ‘chef’ is. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het hof baseert dat oordeel onder meer op de volgende passages:
‘’NNM: welke naam chef?....onverstaanbaar [plaats]
[verdachte] : [naam]
NNM: [naam] ? [naam] , [naam] ja.’’
‘’NNM:...onverstaanbaar...chef?
[verdachte] : dat is allemaal hetzelfde’’
‘’NNM: chef als ik later een goede plek heb, dan doen we meer dat is goed
[verdachte] : dat is goed’’
‘’NNM: waar is de chef. [naam] ?
[naam] : hij is onderweg, auto ophalen geloof ik, hij is gisterenavond al weggereden (…) [naam] zegt de chef heeft veel auto's. (…)
Het hof constateert dat als de Duitse afnemer(s) een vraag stellen aan ‘chef’ het telkens [verdachte] is die antwoord geeft op de vraag. Bovendien zegt [naam] over ‘chef’ dat hij veel auto’s heeft. Dit past bij [verdachte] die op dat moment een autobedrijf runde. Bovendien staat op basis van camerabeelden vast dat [verdachte] op andere momenten wél bij ontmoetingen met deze Duitse afnemer(s) aanwezig is geweest.
Tot slot noemt [verdachte] zichzelf in het gesprek op 28 januari 2016 ook chef:
‘’ [verdachte] : moet je tegen hem zeggen ik ben in Krankenhaus Zit hij de hele middag met mij aan het pingen
[medeverdachte 2] : ik heb hem al gezegd je telefoon is kapot
[verdachte] : dan moet je zeggen de chef in het ziekenhuis’’
Het hof is van oordeel dat het OVC-gesprek niet anders kan worden geïnterpreteerd dan dat [medeverdachte 2] tijdens de onderhandelingen overleg heeft gevoerd met [verdachte] . Het hof weegt bij dat oordeel mee dat tijdens een ontmoeting op 9 februari 2016 tussen [medeverdachte 2] en Duitse afnemers, waarin werd gesproken over kilo’s en geldbedragen, eveneens overleg moest worden gevoerd met [verdachte] , zoals volgt uit onderstaande passage:
‘’NNM: moet je met de chef praten? Sowieso kom ik volgende keer
[medeverdachte 2] : ja ja ja’’
Bovendien leidt het hof uit bijvoorbeeld de ontmoeting van 14 januari 2016 af dat [verdachte] vaker onderhandelingen deed met de Duitse afnemers:
‘’ [verdachte] : ik heb geen Haze...onverstaanbaar....die heb je al voor zes euro
NNM: wat kost dat?
[verdachte] : wat wil je geven, zeg maar wat je geven wilt
NNM: onverstaanbaar
Ze praten onverstaanbaar door elkaar
[verdachte] : ik wil je een plezier doen voor die vijf kilo maar hoeveel wil je geven.
NNM: honderdvijftig is goed?
[verdachte] : hoeveel?
NNM: honderdvijftig!
[verdachte] : nee dat gaat niet
NNM: hoeveel dan?
[verdachte] : doe maar zes euro’’
‘’ [verdachte] : omdat vandaag voor het eerst zaken doet, krijg je één kilo van mij. Ja? Maar dan moet je ook gas geven...onverstaanbaar.’’
Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij het op 26 februari 2016 opzettelijk buiten het grondgebied brengen van verdovende middelen. Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat [verdachte] zeggenschap had over de voorbereiding van het transport, dat hij zijn pand ter beschikking heeft gesteld en dat hij de prijs bepaalde. Verdachte heeft dus een essentiële en actieve rol vervuld en het hof is van oordeel dat die bijdrage van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen.
Ten aanzien van feit 4:
Op 16 oktober 2012 vindt een doorzoeking plaats in de woning van [verdachte] aan de [straat] in [plaats] . In de schuur wordt een ruimte aangetroffen die is bestemd voor het drogen van hennep. In de bijkeuken van de woning worden vijf met marihuana gevulde plastic zakken gevonden, namelijk vier zakken met henneptoppen en één zak met hennepgruis. Een verdovende middelen test wijst uit dat de op marihuana gelijkende stof en het gruis positief reageren op de aanwezigheid van THC, zijnde de werkzame stoffen in marihuana. Het totale nettogewicht van de marihuana blijkt na weging 3.547,3 gram te zijn.
Verdachte heeft bekend dat de gedroogde hennep van hem is en dat hij de hennepdrogerij heeft aangelegd en ingericht. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan. Het hof acht niet bewezen dat [verdachte] dit feit tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd en zal hem van dat onderdeel vrijspreken.
Ten aanzien van feit 5 primair:
Mercedes SLK
Rond 10 mei 2016 wordt bij de politie gemeld dat een persoon bij het autobedrijf UwImportauto, gevestigd aan de [straat] in [plaats] is geweest. Volgens de melder stond daar een Mercedes SLK waarbij de kilometerstand op de teller en zoals genoemd in de advertentie niet overeenkwam met de inspectiekaart die in de auto lag.
Naar aanleiding van deze melding is er nader onderzoek ingesteld. Omdat de Mercedes SLK op dat moment in beslag was genomen, werd er contact opgenomen met Dienst Domeinen. Een medewerker heeft vervolgens het betreffende inspectierapport in het dashboardkastje van het voertuig, een Mercedes-Benz SLK met het kenteken [kenteken] , gevonden en dat opgestuurd naar het onderzoeksteam. Het aangetroffen inspectierapport gaat om de specifieke, in de tenlastelegging vermelde, Mercedes SLK met het kenteken [kenteken] . In de tabel van het inspectierapport staat achter meldcode ‘6246’, zijnde de laatste vier cijfers van het voertuig identiteit nummer (VIN) van het voertuig ( [nummer] ). In de bevestigingsbrief van inschrijving van de RDW gericht aan [medeverdachte 1] , gedateerd 21 januari 2016, staat dezelfde meldcode vermeld bij een Mercedes-Benz SLK 200, met het kenteken [kenteken] .
Het onderzoeksteam schrijft dat op het inspectierapport van UwImportauto van 12 januari 2016, dat wordt opgemaakt bij een onderhoudsbeurt bij binnenkomst van een nieuwe auto, een kilometerstand van 150.212 staat vermeld. Bij een keuring van het voertuig op
18 januari 2016 werd door de keurmeester van de Rijksdienst voor het Wegverkeer een opmerking gemaakt over een onlogische kilometerstand, die op dat moment 89.831 kilometer bedroeg. Dat deze kilometerstand van 89.831 inderdaad onjuist is, vindt steun in het feit dat de Duitse eigenaar ditzelfde voertuig heeft laten keuren op 4 mei 2015 en de kilometerstand toen op 147.914 stond. Ook bleek bij het uitlezen van de data dat bij de laatste olieverversing automatisch de afgelegde afstand van 148.200 kilometer was geregistreerd.
Het hof stelt op basis van de data van het inspectierapport (150.212 km) en keuringsrapport (89.831 km) vast dat de kilometerstand van de Mercedes SLK met het kenteken [kenteken] tussen 12 januari 2016 en 18 januari 2016 is teruggedraaid. Vast staat ook dat de auto zich op dat moment in de macht van [verdachte] bevond.
Kort voor die periode, op 8 januari 2016, spreekt [verdachte] in een telefoongesprek met [naam] over een auto uit 2012 die 140.000 gelopen heeft. [naam] zegt daarop dat het even een ‘tikje terug’ moet hebben; 110 is nog acceptabel, maar 140 of 150 wordt wel veel. [verdachte] zegt vervolgens dat hij die zo kan ‘slingeren’.
Het hof gaat er, gelet op de context van het gesprek, vanuit dat met ‘tikje terug’ en ‘slingeren’ wordt gedoeld op het terugdraaien van kilometerstanden.
Het hof overweegt dat dit betreffende gesprek van [verdachte] met [naam] niet concreet over de Mercedes SLK met het kenteken [kenteken] lijkt te gaan, maar dat de situatie rondom de teruggedraaide kilometerstand van de Mercedes SLK wel nader wordt ingekleurd door de inhoud van dit gesprek. Het duidt erop dat [verdachte] en [naam] elkaar ten aanzien van deze handelwijze onmiddellijk verstaan en blijkbaar vrij moeiteloos dergelijke handelingen plegen.
Op 14 januari 2016 belt [verdachte] naar [naam] (hierna: [naam] ) met de vraag of hij morgenvroeg tijd heeft. [naam] zegt dat hij wel kan en vraagt om welke auto het gaat. [verdachte] zegt een Citroën Berlingo en vraagt of een Mercedes SLK ook kan. [naam] zegt daarop dat hij morgen wel even langskomt. Op 15 januari 2016 wordt waargenomen dat [naam] om 10.00 uur bij het pand aan de [straat] komt. Om 11.13 uur wordt gezien dat hij in zijn auto wegrijdt. Uit de verklaring van [naam] volgt dat hij op dat moment onder meer monteurswerkzaamheden heeft verricht aan de bewuste Mercedes SLK.
Nu [naam] over deze betreffende werkzaamheden zelf heeft verklaard dat hij in opdracht van [verdachte] auto’s uitgelezen heeft op storingen en voor het overige uit het dossier niet blijkt dat de kilometerstand exact op 15 januari 2016, tijdens de werkzaamheden van [naam] , is teruggedraaid, gaat het hof niet uit van een nauwe en bewuste samenwerking. Wel staat vast dat de kilometerstand van de betreffende Mercedes SLK tussen 12 januari 2016 en 18 januari 2016 is teruggedraaid en dat de auto zich op dat moment in de macht van [verdachte] bevond, zodat het niet anders kan dan dat [verdachte] de tellerstand zelf heeft gewijzigd, dan wel heeft doen wijzigen door een derde in die betreffende periode. Verdachte heeft daarover ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat de kilometerstand van de auto is teruggedraaid en dat hij daaraan heeft meegewerkt. Verdachte heeft verklaard dat hij dit deed op verzoek van de kopers, maar dat de verkoop uiteindelijk niet is doorgegaan.
De volgende vraag is hoe dit handelen gekwalificeerd moet worden.
Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een veroordeling wegens oplichting onder meer vereist dat sprake is van het bezigen van een of meer van de in die bepaling specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Een gemeenschappelijk kenmerk van de oplichtingshandelingen is dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.
Het hof is van oordeel dat [verdachte] zich heeft voorgedaan als bonafide autoverkoper en valselijk, listiglijk en in strijd met de waarheid een auto heeft willen verkopen met een lagere dan de werkelijke kilometerstand. Door dit bedrieglijk handelen heeft verdachte bij (een) potentiële koper(s) van de auto een onjuiste voorstelling van zaken in het leven willen roepen, met als doel daar misbruik van te maken door de auto tegen een hogere prijs te verkopen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de waarde van een auto in belangrijk mate wordt bepaald door de kilometerstand. Naar het oordeel van het hof duidt dit handelen op meer dan een enkele listige kunstgreep of verdichtsel. Omdat de auto niet verkocht is, is sprake van een poging tot oplichting. Het hof komt dan ook tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het onder 5 primair ten laste gelegde. Het hof zal de pleegperiode beperken tot de periode van 12 januari 2016, het moment waarop de auto in het bezit van [verdachte] kwam, tot en met 18 januari 2016, het moment dat de auto is gekeurd door de Rijksdienst voor het Wegverkeer. De verklaring van verdachte dat de reden voor het terugdraaien was een verzoek van de potentiële kopers van de auto acht het hof niet geloofwaardig, nu die verklaring geen steun vindt in het dossier en verdachte hierover pas voor het eerst in hoger beroep heeft verklaard.
Ten aanzien van feit 6:
Op 10 mei 2016 vindt een doorzoeking plaats in de woning van [verdachte] aan de [straat] in [plaats] . In een achter de woning gelegen tuinhuis, ingericht als een bar/café, wordt tussen een verlaagd plafond en een normaal plafond een klein model revolver aangetroffen. Nader onderzoek aan het wapen wijst uit dat het een vuurwapen (revolver), type Velodoc, kaliber 7.65 mm betreft. Verder wordt gerelateerd dat de revolver een vuurwapen is in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Verdachte heeft de revolver in een antiekzaak gekocht en hij gaat er vanuit dat hij het wapen daar zelf heeft neergelegd.
Het hof acht het onder 6 ten laste gelegde feit daarom wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 8:
Uit een aanrijdingsformulier volgt dat op 19 juli 2015 om 21.30 uur op de [straat] in [plaats] een ongeval zou hebben plaatsgevonden. De bestuurder van voertuig A, een Mercedes A-klasse (op het formulier is geen kenteken ingevuld, maar uit nadere stukken blijkt dat het kenteken van dat voertuig [kenteken] is), was [verdachte] en de bestuurder van voertuig B, een Ford Focus met het kenteken [kenteken] , was [naam] .
Er zijn echter aanwijzingen dat het ongeval in scène is gezet. In de periode van 14 juli 2015 tot en met 20 juli 2015 heeft [verdachte] namelijk meermalen gebeld met een man, die gebruikmaakt van het telefoonnummer [nummer] . Dit telefoonnummer blijkt toe te behoren aan [naam] (hierna: [naam] ).
Op 14 juli 2015 vraagt [naam] aan [verdachte] of hij ‘het’ vanavond of dit weekend wil doen. Als [verdachte] zegt dat het hem niet uitmaakt, zegt [naam] dat ze ‘het’ dan vrijdag doen.
Op 17 juli 2015 belt [naam] [verdachte] om te vragen om hij nu nog even langs moet komen. [verdachte] zegt dat het morgen mag. [naam] zegt daarop dat hij morgen aan het eind van de dag wel langs komt. Dan kunnen ze ‘het’ zo even regelen.
Op 20 juli 2015 rond 10.24 uur belt [naam] wederom uit met [verdachte] om te vragen of hij in de buurt is. [naam] zegt dat hij bij de zaak was en vraagt of ze ‘dat’ kunnen regelen. [verdachte] zegt dat hij er met een uurtje is. Op de camerabeelden die zijn gericht op de loods van [verdachte] aan de [straat] is op die dag om 11.40 uur te zien dat een Ford Focus met het kenteken [kenteken] , zijnde het voertuig dat volgens het aanrijdingsformulier bij het ongeval is betrokken, voor de loods parkeert. Het voertuig blijft bijna tien minuten bij het pand staan en vertrekt vervolgens omstreeks 11.50 uur. Later op de middag, rond 16.13 uur, komt wederom een Ford Focus met dezelfde uiterlijke kenmerken als de Ford Focus die ’s ochtends bij het pand was, aanrijden samen met een lichtblauwe Mercedes. Beide auto’s worden even later, om 16.26 uur en 16.27 uur de loods ingereden. Kort daarna, om 16.41 uur, wordt de lichtblauwe Mercedes uit de loods gereden en in het bijzijn van [verdachte] op de autotransporter geparkeerd. Vervolgens vertrekt de autotransporter. Op de beelden is te zien dat de Mercedes schade heeft aan de rechterflank, zowel aan de voor- als achterdeur. De Ford Focus blijft die dag in de loods staan.
Op 21 juli 2015 is op de camerabeelden te zien dat dezelfde autotransporter het pand uitrijdt. Hier bovenop staat een witte Ford Focus, die qua uiterlijke kenmerken overeenkomt met de Ford Focus die op 20 juli 2015 bij het pand is waargenomen. Op de beelden is zichtbaar dat de motorkap van het voertuig verbogen is.
Verder is er op 2 oktober 2015 in een OVC-gesprek tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] en [naam] gesproken over schade aan voertuigen. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat dit gesprek moet worden opgevat dat er wordt gesproken over het veinzen van schade aan een auto. Zo zegt [verdachte] dat hij ook nog loopt met dat A klassetje wat hij toen in mekaar heeft laten rijden. [medeverdachte 2] vraagt of het die blauwe is. [verdachte] zegt van wel, maar het loopt nog in onderzoek. Hij heeft er nog geen gulden van gehad. Het hof merkt op dat dit past bij het feit dat de eerste schade-uitkering in het kader van het ‘ongeval’ op 14 oktober 2015 aan [verdachte] is gedaan.
Na ingelicht te zijn door het onderzoeksteam, is er op 15 november 2016 namens [verzekeringsmaatschappij] [plaats] aangifte gedaan van verzekeringsfraude. Op het moment van aangifte had [verzekeringsmaatschappij] een schadebedrag van € 21.823,90,- uitbetaald, onder meer (en voornamelijk) aan [verdachte] / [medeverdachte 1] .
Het hof acht het daarnaast onaannemelijk dat er daadwerkelijk een ongeval heeft plaatsgevonden. Uit een interne mailwisseling binnen [verzekeringsmaatschappij] blijkt namelijk dat de schade aan de Mercedes niet past bij de opgegeven schadelocatie. Dit omdat als beide voertuigen dertig kilometer per uur zouden rijden het niet kan dat de Mercedes dermate voorwaarts en zijdelings naar links verplaatst dat deze in het bereik van de paal op de vluchtheuvel komt. De schade lijkt in statische toestand te zijn toegebracht, zo valt te lezen in de mailwisseling. Dat past bij het door de politie geschetste scenario, dat in de loods doelbewust gericht schade aan de voertuigen is toegebracht. Bovendien rijmt deze gang van zaken met het OVC-gesprek, waarin immers gesproken wordt over een blauwe A-klasse die [verdachte] in mekaar heeft laten rijden, en de camerabeelden, waarop naar het oordeel van het hof wel degelijk schade aan het voertuig is te zien nadat deze uit de loods komt. Het hof weegt ook mee dat [naam] een inconsistente verklaring heeft afgelegd over het ongeval. Hij spreekt bijvoorbeeld in zijn verklaring over een aanrijding aan de bestuurderskant van [verdachte] , terwijl deze volgens het aanrijdingsformulier aan de bijrijderskant plaatsvond. Later zegt hij dat hij de schade helemaal niet heeft gezien. Het aanrijdingsformulier komt hem onbekend voor. Zijn achternaam is verkeerd gespeld en het is niet zijn handschrift. Hij heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij het maar moest regelen.
De volgende vraag is hoe dit handelen gekwalificeerd moet worden.
Het hof is van oordeel dat [verdachte] samen met [naam] niet alleen een ongeval heeft geveinsd, maar ook een aanrijdingsformulier in strijd met de waarheid heeft opgemaakt en heeft ingediend bij de verzekeraar. Door dit bedrieglijk handelen heeft verdachte bij [verzekeringsmaatschappij] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen, met als doel daar misbruik van te maken door onterecht aanspraak te maken op een schade-uitkering. Naar het oordeel van het hof duidt dit handelen op meer dan een enkele listige kunstgreep of verdichtsel. Op grond van het voorgaande is het hof ook van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering en acht het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 8 ten laste gelegde.
Ten aanzien van feit 9:
Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, eerst dient te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.
Het hof zal in het hiernavolgende daarom eerst ingaan op de vraag of [medeverdachte 1] zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde witwassen.
Witwassen
Voor een veroordeling voor witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat de geldbedragen waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft afkomstig zijn van enig misdrijf. Als echter op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het geldbedrag en een bepaald misdrijf (het gronddelict), kan niettemin worden bewezen verklaard dat het geldbedrag een criminele herkomst heeft, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn, dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
In het onderhavige politieonderzoek is ten aanzien van [medeverdachte 1] geen direct bewijs voorhanden voor een criminele herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag. Daarom moet de vraag worden beantwoord of er op basis van de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het politieonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij concreet en min of meer verifieerbaar verklaart over een legale herkomst van het geld, welke verklaring niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk moet zijn aan te merken. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen omstandigheden waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Wanneer het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaring van verdachte blijkende alternatieve herkomst van de geldbedragen. Voor een bewezenverklaring van witwassen zal uit dat onderzoek moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hebben.
Vermoeden van witwassen
Naar aanleiding van anonieme informatie die bij Team Criminele Inlichtingen binnen is gekomen, inhoudende dat [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) veel auto’s koopt met geld uit drugshandel waarvan hij het bezit verhult door die auto’s bij een ander bedrijf onder te brengen, wordt een strafrechtelijk financieel onderzoek opgestart.
Bij dit onderzoek is gekeken naar de kaspositie van [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 1] is opgericht op 6 maart 2014. De onderneming is gevestigd op het adres [straat] in [plaats] . Alle aandelen van deze vennootschap zijn in handen van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [plaats] , wonende op het adres [straat] in [plaats] .
Op 6 maart 2014, bij de start van [medeverdachte 1] , is kapitaal in de vorm van auto’s vanuit [bedrijf] ingebracht, met een waarde van € 107.076,-. Het gaat hier om daadwerkelijke voorraad, beschikbaar voor de verkoop, ter waarde van € 94.580,- en om bedrijfsauto’s ter waarde van € 12.496,-.
[bedrijf] is opgericht op 25 januari 2005. De onderneming is gevestigd op het adres [straat] in [plaats] . De beherend vennoot van de [bedrijf] was [verdachte] , geboren op
[geboortedatum] 1972 te [plaats] , wonende op het adres [straat] in [plaats] .
Onderzoek naar de financiële positie van [bedrijf] , bemoeilijkt door het feit dat de administratie met betrekking tot dit bedrijf verre van compleet was, laat zien dat daar onverklaarbare geldstromen hebben plaatsgevonden.
Over het jaar 2013 blijkt in totaal € 51.416,33 op een niet nader geduide wijze in de kas te zijn gevloeid.
De kasopstelling betreffende [bedrijf] laat in 2014 bovendien meerdere keren een negatief saldo zien. Het maximale negatieve kassaldo in 2014 bedraagt € 8.912,04
(15 januari 2014). Er is dus contant meer uitgegeven dan er aan kasgeld aanwezig kon zijn; feitelijk "rood-staan" in de kas is echter onmogelijk.
Over het jaar 2014 komen bovendien meerdere onverklaarbare stortingen voor. Zo wordt er twee keer een kasontvangst van € 10.000,- geboekt met omschrijving "Privé inbreng"; daarnaast is er drie keer een kasontvangst (van respectievelijk € 15.000,-, € 16.000,- en
€ 18.000,-) geboekt met omschrijving "Gewone privé uitgaven". Het totaal van de onverklaarbare stortingen in 2014 is € 69.000,-.
Als deze onverklaarbare stortingen niet in de kasopstelling worden meegenomen ontstaat er bijna doorlopend een negatief kassaldo. De grootste negatieve kas komt dan op € 63.481,56 (18 december 2014).
De administratie van [medeverdachte 1] is in beslag genomen op 10 mei 2016 en nader onderzocht door de politie. De door de politie opgestelde kasopstelling, naar aanleiding van de in beslag genomen administratieve bescheiden en gegevens afkomstig van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, laat van de start van de onderneming een negatief saldo zien. Gedurende het jaar 2014 loopt dit negatieve saldo op tot € 309.192,- op 28 december 2014. Er is dus contant meer uitgegeven door [medeverdachte 1] dan er aan kasgeld aanwezig kon zijn; feitelijk "rood-staan" in de kas is echter onmogelijk.
Door de politie is onderzocht of er mogelijk privégelden ingebracht zouden kunnen zijn in [medeverdachte 1] door [verdachte] en zijn partner [naam] . Er is een eenvoudige kasopstelling opgesteld over de periode januari 2013 tot en met maart 2014 ten aanzien van de financiële privé-situatie van [verdachte] en [naam] .
Uit de doorlopende kasopstelling blijkt dat de kas van [verdachte] en [naam] , nagenoeg voortdurend negatief is. De grootste negatieve kas ontstaat op 17 januari 2014 namelijk € 53.540,- negatief.
Uit het voorgaande concluderen de onderzoekers dat [verdachte] geen legaal contant vermogen vanuit de privésituatie in [medeverdachte 1] kan hebben ingebracht.
Uit de boekhouding van [medeverdachte 1] blijkt evenmin van een legale inbreng van contant geld door een andere partij.
Het hof stelt vast dat aldus een aanzienlijke hoeveelheid contant geld, minimaal
€ 309.192,-, en diverse voertuigen, zoals blijkt uit de beslaglijst, zijn ingebracht in [medeverdachte 1] , die afkomstig zijn uit een onbekende bron.
Het hof is van oordeel dat de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, het vermoeden van witwassen rechtvaardigen.
Gelet op dit vermoeden mag van [verdachte] als vertegenwoordiger van [medeverdachte 1] , worden verwacht dat hij een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen en voertuigen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep, onder verwijzing naar de verweren uit eerste aanleg, aangevoerd dat het enkele feit dat inkomsten niet aan de Belastingdienst zijn opgegeven, geen reden is om aan te nemen dat de legale herkomst van die inkomsten kan worden uitgesloten. De ‘zogenaamde gelden uit onbekende bron’ laten zich eenvoudig verklaren door de lening van € 600.000,-, die is verstrekt door de heer [naam] (hierna: [naam] ). De reden dat er inkoop op de administratie ontbreekt, is gelegen in het feit dat [bedrijf] en daarna ook korte tijd [medeverdachte 1] niet over een RDW-erkenning beschikten. De kentekens werden daarom in de bedrijfsvoorraad van [bedrijf] opgenomen. Getuige [getuige ] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat op het moment dat [medeverdachte 1] een RDW-erkenning kreeg de complete voorraad op naam van [medeverdachte 1] is gezet. Laatstgenoemde getuige verklaarde ook dat in de autohandel heel veel met contant geld wordt betaald en dat [verdachte] in Duitsland relatief goedkope (schade)auto’s inkocht, die hij vervolgens liet opknappen en met veel winst doorverkocht. Dit laatste is bij de rechter-commissaris ook bevestigd door getuige [getuige ] .
In hoger beroep is aanvullend op de verweren in eerste aanleg aangevoerd dat de interpretatie van de rechtbank van de verklaring van [getuige ] niet meer houdbaar is, nu getuige [getuige ] op 14 oktober 2024 bij de raadsheer-commissaris onder andere heeft verklaard dat de lening aantoonbaar heeft plaatsgevonden, voor een hoger bedrag (5 tot 5,5 ton).
Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen contant geld heeft ontvangen maar dat hij de lening in de vorm van auto's kreeg.
Bewijsoverwegingen van het hof
Het hof is het met de rechtbank eens dat de verklaring die vanuit de verdediging gegeven is voor het negatieve kasverschil en de diverse ingebrachte voertuigen gefinancierd uit onbekende bron niet voldoet.
Het hof stelt vast dat in het onderzoek Travee tevens onderzoek is gedaan naar de lening van [naam] aan [medeverdachte 1] / [verdachte] .
De overeenkomst van lening tussen [naam] en [medeverdachte 1] / [verdachte] dateert van 13 mei 2015. In die overeenkomst is onder meer opgenomen dat een bedrag van € 300.000,- reeds vóór het aangaan van de overeenkomst ter leen is verstrekt.
Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat na 13 mei 2015 een bedrag van in totaal
€ 345.000,- door [naam] op de bankrekening van [medeverdachte 1] is gestort.
Door de politie is onderzoek gedaan in de administratie van [medeverdachte 1] . Voorts zijn de bij [naam] gevorderde en verstrekte gegevens over de lening onderzocht. In de administratie is geen enkel bewijs gevonden ter onderbouwing van de geleende € 300.000,- die vóór 13 mei 2015 door [naam] verstrekt zou zijn. De in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte dat hij geen contant geld heeft ontvangen van [naam] ondersteunt naar het oordeel van het hof juist dat geen sprake is van contant geleend geld ter verklaring van de hiervoor weergegeven negatieve kas. Ook is er geen enkel bewijs gevonden ter onderbouwing van een contant verstrekt geldbedrag door [naam] van € 300.000,-.
Dat er vóór 13 mei 2015 door [naam] aan [medeverdachte 1] / [verdachte] geen gelden ter leen zijn verstrekt, blijkt temeer uit het getapte telefoongesprek wat [verdachte] op 2 april 2015 met [getuige ] voert. [verdachte] benoemt in het gesprek dat hij denkt dat hij de lening van ‘hem’ niet doet. Dat zou 3 ton zijn met 10% rente en dan moet [verdachte] 4200 terugbetalen in zes jaar. In dit verband slaat het hof ook acht op het feit dat in de overeenkomst van lening met [naam] ook een rentetarief van 10% is opgenomen. Het verweer van de verdediging dat de lening aantoonbaar heeft plaatsgevonden omdat de heer [getuige ] als getuige in hoger beroep heeft verklaard dat verdachte geld (5 of 5,5 ton) wordt door het hof verworpen. [getuige ] voegt in het gesprek na het noemen van het bedrag daaraan toe “ [verdachte] heeft het dus toch gedaan”. Uit de verklaring van de heer [getuige ] op 14 oktober 2024 volgt naar het oordeel van het hof niet dat er vóór 13 mei 2015 gelden ter leen zijn verstrekt.
Het hof stelt aldus, ook bij gebrek aan enige onderbouwing vanuit de verdediging, vast dat de lening van [naam] aan [medeverdachte 1] / [verdachte] pas op veel latere datum is verstrekt dan de inbreng van de diverse voertuigen van [bedrijf] in [medeverdachte 1] (op 6 maart 2014) en het negatieve kassaldo van [medeverdachte 1] ter hoogte van € 309.192,- ( op 28 december 2014). De lening kan aldus geen bron zijn ter verklaring van het negatieve kassaldo en de financiering van de voertuigen vanuit [bedrijf] .
Bovendien lijkt het erop dat het negatieve kassaldo in werkelijkheid nóg groter is dan het bedrag van € 309.192,-, omdat niet ter discussie staat dat de inkoopgegevens van diverse voertuigen in de administratie van [medeverdachte 1] ontbreken. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat met de inkoop van goederen kosten zijn gemoeid, heeft het er alle schijn van dat er nóg meer geld is uitgegeven dan dat er legaal gezien beschikbaar was.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat een legale bron ten aanzien van het onverklaarbare negatieve kasverschil en de uit onbekende bron gefinancierde voertuigen kan worden uitgesloten en dat een criminele herkomst als enige verklaring kan gelden.
Strafbaarheid van [medeverdachte 1]
Volgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Voor wat betreft de toerekening is een belangrijk oriëntatiepunt of de gedraging heeft plaatsgevonden, dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die, hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
Het hof acht [medeverdachte 1] strafbaar aan het witwassen van voornoemde geldbedragen en de diverse voertuigen. Het hof leidt de redelijke toerekenbaarheid en het opzet van [medeverdachte 1] ten aanzien van de strafbare gedragingen af uit de feitelijke gang van zaken binnen [medeverdachte 1] , daarin bestaande dat [verdachte] zich als enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 1] persoonlijk bezighield met en verantwoordelijk was voor de financiële bedrijfsvoering. Uit het hiervoor overwogene volgt dat een aanzienlijk deel via het vermogen van [medeverdachte 1] is witgewassen. Uit de kasopstelling volgt dat het een substantieel deel van de bedrijfsvoering betreft. Uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer is gebleken dat 467 auto’s door [medeverdachte 1] ter keuring ten behoeve van de import zijn aangeboden. Uit de bankrekening blijkt dat [medeverdachte 1] slechts 27 van deze auto’s giraal heeft betaald. Gezien de negatieve kassen van [medeverdachte 1] , kan het niet anders dan dat een grote hoeveelheid auto’s is verworven met geld uit een criminele bron. [medeverdachte 1] heeft dus over aanzienlijk meer vermogen beschikt dan waar op legale wijze over kon beschikken.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat de door [verdachte] als leidinggevende van [medeverdachte 1] verrichte strafbare gedragingen, die ten grondslag liggen aan het witwassen, zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon, aangezien de rechtspersoon de contante geldbedragen heeft geaccepteerd, voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt.
Opdracht geven / feitelijk leidinggeven
Volgens vaste rechtspraak moet voor een veroordeling ter zake van ‘opdracht geven’ of ‘feitelijk leidinggeven’ als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht aan een aantal vereisten zijn voldaan.
Het ‘feitelijk leidinggeven’ zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt.
Van feitelijk leidinggeven kan verder sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.
Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.
In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen.
[verdachte] was enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 1] . Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en wat tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren is gekomen, volgt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] feitelijk als enige verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken binnen [medeverdachte 1] en dat hij feitelijk als enige de financiële zaken binnen [medeverdachte 1] regelde.
Het hof acht voor het bewijs daartoe redengevend dat [getuige ] , die als verkoper in dienst was bij [medeverdachte 1] , verklaart dat alle inkopen ten behoeve van de onderneming door [verdachte] werden gedaan en dat [verdachte] de betalingen bepaalde. [verdachte] heeft daarmee welbewust een actieve en wezenlijke rol vervuld bij de stafbare gedragingen. [verdachte] heeft immers dat geld binnengebracht in de vennootschap en gebruikt, zonder de herkomst van die gelden te verantwoorden en op de voorgeschreven wijze in de bedrijfsadministratie op te nemen, terwijl hij als bestuurder van de vennootschap bevoegd en redelijkerwijs gehouden was om maatregelen ter voorkoming van dergelijke gedragingen te nemen, maar die achterwege heeft gelaten.
Gelet op de bewijsmiddelen in hun onderlinge verband bezien is het hof van oordeel dat [verdachte] willens en wetens de verboden gedragingen, zijnde het witwassen begaan door [medeverdachte 1] , heeft laten plaatsvinden en daar bovendien een zeer actieve rol in heeft gehad.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan de gedragingen waarbij [medeverdachte 1] zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen.
Gewoontewitwassen
Gelet op de frequentie, duur en omvang van het witwassen en het daaruit voortvloeiende structurele karakter van de contante geldstromen en de aankoop van diverse voertuigen acht het hof bewezen dat sprake is geweest van gewoontewitwassen.
Conclusie
Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 9 ten laste gelegde feit. Het hof overweegt dat er geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat een Renault Twingo, een Camper Buerstner en een Maserati Q-4 onderdeel uitmaakten van de eindvoorraad. Ten aanzien van de Renault Twingo geldt dat deze onvoldoende is gespecificeerd, nu er in de tenlastelegging geen kenteken is vermeld. Voor de Camper Buerstner en de Maserati Q-4 geldt dat deze niet op de beslaglijst staan vermeld. Het hof zal die voertuigen wegstrepen in de bewezenverklaring. Het hof acht evenmin bewezen dat [verdachte] dit feit tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd en zal hem ook van dat onderdeel vrijspreken.
Ten aanzien van feit 10:
Op 7 mei 2018 vindt een doorzoeking plaats bij de Mini Opslag [plaats] , gevestigd aan de [straat] in [plaats] . In box [nummer] wordt in een diepvrieskist 58,62 kilogram hasjiesj en 5,15 kilogram henneptoppen aangetroffen. De eigenaar van deze box, de heer [getuige ] , verklaart dat hij deze bewuste box alsook die met nummer 101 vanaf 8 maart 2018 verhuurt aan [verdachte], die hij herkent van een foto. De politie stelt op basis van de loggegevens en de camerabeelden van de Mini Opslag [plaats] vast dat box [nummer] tussen
8 maart 2018 en 7 mei 2018 door vier personen frequent werd bezocht, namelijk door [verdachte] , [medeverdachte 2] , [naam] en [naam] . Verder heeft de politie op de camerabeelden waargenomen dat [verdachte] op 7 mei 2018 twee rode tassen meeneemt, waarin bruinkleurige pakketten zitten. Bij de doorzoeking zijn in de vrieskist twee exact dezelfde tassen aangetroffen met op het oog dezelfde inhoud. De zich daarin bevindende bruine pakketten bleken hasj te bevatten.
De vraag is of [verdachte] opzettelijk de voornoemde hoeveelheid hasjiesj en henneptoppen aanwezig heeft gehad. Het hof overweegt daartoe dat zij er, gelet op de verklaring van [getuige ] , vanuit gaat dat [verdachte] de huurder is geweest van de box met het nummer [nummer] . Hoewel [getuige ] bij aanvang geen legitimatiebewijs heeft gevraagd, weet hij [verdachte] immers wel te herkennen van een foto. Het hof stelt vervolgens vast dat de verdovende middelen zich in de beschikkingsmacht van [verdachte] bevonden. Hij was immers de huurder van de betreffende box en kwam er regelmatig. Het hof acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de drugs in de door hem gehuurde unit. Op camerabeelden van 7 mei 2018 is immers te zien dat [verdachte] tassen bij zich had met bruinkleurige pakketten en bij de doorzoeking is geconstateerd dat deze qua uiterlijke kenmerken overeenkwam met de aldaar aangetroffen tassen met hasjiesj. Het hof acht het door [verdachte] geschetste alternatieve scenario, dat er onderbroeken in die tas zaten, onvoldoende onderbouwd. Het hof zal dit scenario daarom als ongeloofwaardig terzijde schuiven.
Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 10 ten laste gelegde feit, met dien verstande dat het hof de pleegdatum op 7 mei 2018 bepaalt. Het hof acht niet bewezen dat [verdachte] dit feit tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd en zal hem van dat onderdeel vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
1.hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks 01 januari 2016 tot en met 26 februari 2016 te [plaats] en/of [plaats] en/of andere plaatsen in Nederland en/of Duitsland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht
(ongeveer) 16,6 kilogram en/of (telkens) (een) andere hoeveelheid/hoeveelheden hennep, tot een totaal van ongeveer 116 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel;
4.hij op of omstreeks 16 oktober 2012 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand op het adres [straat] )
een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 3547,3 gram henneptoppen en/of hennepgruis, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
5. primairhij in of omstreeks de periode van 12 januari 2016 tot en met 18 januari 2016 te [plaats] , althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
potentiële klanten van [medeverdachte 1] en/of verdachte te bewegen tot de afgifte van een koopsom in verband met de aankoop van een Mercedes SLK waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(s), de tellerstand (telkens) zodanig heeft/hebben gewijzigd en/of heeft/hebben doen wijzigen en/of de werking van de kilometerteller zodanig heeft/hebben beïnvloed en/of doen beïnvloeden dat de op de kilometerteller(s) aangegeven afstand niet overeenkomt met de (telkens) door dat/die motorrijtuig(en) werkelijk afgelegde afstand(en),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6.hij op of omstreeks 10 mei 2016 te [plaats]
een vuurwapen van categorie III, te weten een revolver, type Velo Dog, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad;
8.hij in de periode van omstreeks 19 juli 2015 tot en met 23 juli 2015, te [plaats] en/of [plaats] , althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels
[verzekeringsmaatschappij] / [verzekeringsmaatschappij] , althans bij een verzekeringsmaatschappij(en), (hierna: de verzekeringsmaatschappij(en)) heeft bewogen tot de afgifte van 21.823,90 euro, althans (een) geldbedrag/bedragen, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid opzettelijk:
- op of omstreeks 19 juli 2015 op/bij de [straat] te [plaats] een aanrijding in scene gezet (tussen/met de voertuigen gekentekend [kenteken] en [kenteken]
- (vervolgens) een aanrijdingsformulier (vindplaats zaaksdossier 35 p. 28073), waarop was vermeld - zakelijk weergegeven - dat op 19 juli 2015 te 21.30 uur op of aan de [straat] te [plaats] een aanrijding of botsing had plaatsgevonden tussen voornoemde voertuigen ten gevolge waarvan/waarbij die/dat motorrijtuig(en) was/waren beschadigd/schade had(den) bekomen, bij de verzekeringsmaatschappij(en), ingediend,
waardoor de verzekeringsmaatschappij(en), werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
9.[medeverdachte 1]
op tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 maart 2014 tot en met 10 mei 2016, te [plaats] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) een aantal voorwerpen, te weten:
- (in totaal) 309.192,- euro, althans enig geldbedrag heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en) de werkelijke aard en de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den)
- en/of de volgende voertuigen met kenteken:
[lijst met auto's en kenteken]
heeft verworven en voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van die/dat bovenomschreven voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt
en/of van die/dat bovenomschreven voorwerp(en) de werkelijke aard en de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had(den),
terwijl [medeverdachte 1] wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk -(al dan niet gedeeltelijk) afkomstig waren uit enig misdrijf en [medeverdachte 1] al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);
10.hij in de periode van 11 maart 2018 tot en met 7 mei 2018, althans op of omstreeks 07 mei 2018 te [plaats] (Mini Opslag [plaats] , box [nummer] ), althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 5,15 kilogram (brutogewicht) henneptoppen, althans een grote hoeveelheid henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of
- ongeveer 58,62 kilogram (brutogewicht) hasjies(plakken), althans een grote hoeveelheid hasjiesj, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,
terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten (in totaal) ca. 63 kilogram hennep en hasjiesj, althans meer dan 500 gram hennep en hasjiesj).
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 08-952602-14 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 1 (feit 4) bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 2 primair (feit 5 primair) bewezenverklaarde levert op:
poging tot oplichting.
Het in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 3 (feit 6) bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Het in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 5 (feit 8) bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting.
Het in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 6 (feit 9) bewezenverklaarde levert op:
feitelijke leiding geven aan het plegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon.
Het in de zaak met parketnummer 08-910052-19 (feit 10) bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte rekening houdend met het tijdsverloop zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.
Standpunt van de verdediging
Door de raadsman is een strafmaatverweer gevoerd en bepleit om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van uitzonderlijke en zeldzame omvang. Daarnaast is bij de aanhouding van verdachte buitenproportioneel geweld gebruikt. Tot slot is de rol van verdachte in het totale strafdossier met 22 medeverdachten aanzienlijk gerelativeerd en opnieuw naar de gevangenis moeten past niet bij de uiteindelijke omvang en ernst van de bewezenverklaarde feiten ten aanzien van verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft samen met anderen hennep buiten het grondgebied van Nederland gebracht. Hij had hierbij een leidende rol aangezien hij de onderhandelingen en werd door de afnemers ‘chef’ genoemd. Het hof tilt zwaar aan dit feit. Door de uitvoer van softdrugs naar het buitenland wordt de handel in verdovende middelen in het buitenland namelijk in stand gehouden en kunnen de uitvoerders van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in- en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid.
Daarnaast heeft verdachte meermalen op slinkse wijze geprobeerd om, door middel van leugens, zijn portemonnee te vullen. In één geval is dat ook daadwerkelijk gelukt. Zo heeft hij een verzekeringsmaatschappij opgelicht door een aanrijdingsformulier in te dienen van een in scène gezette aanrijding. De schade aan de voertuigen heeft hij zelf toegebracht of door een ander laten toebrengen. De verzekeringsmaatschappij heeft verdachte ruim € 20.000,- schade uitgekeerd. Ook heeft verdachte de kilometerstand van een voertuig laten terugdraaien, vermoedelijk omdat dit voertuig op de markt dan meer geld zou opleveren. Het hof rekent het verdachte aan dat hij schaamteloos over de rug van andere mensen op een oneerlijke manier geld probeert te verdienen en nergens voor terug lijkt te deinzen.
Ook heeft verdachte, in zijn hoedanigheid als enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 1] , zich schuldig gemaakt aan het structureel witwassen van omvangrijke geldbedragen en diverse voertuigen, wat gericht is geweest op het veiligstellen van uit misdrijf afkomstige opbrengsten. Het witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan. Met zijn handelen heeft verdachte opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst verschaft.
Tot slot heeft verdachte drugs en een revolver voorhanden gehad.
Gezien de aard en ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof heeft daarbij ook gelet op het strafblad van 4 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden veel vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Bij deze stand van zaken, waarbij zelfs forse straffen verdachte de ernst van zijn gedrag niet hebben doen inzien, moet worden geconstateerd dat hij bijzonder hardleers is. Het hof houdt daarnaast rekening met de straffen die – zo blijkt uit de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (het LOVS) – in min of meer soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Het hof ziet in wat de verdediging heeft aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om lager te straffen dan overeenkomstig de daarvoor geldende oriëntatiepunten.
Het hof acht voor de export van de ruim 16 kilogram hennep naar Duitsland in beginsel een gevangenisstraf van acht maanden passend, voor het aanwezig hebben van 3547,3 gram hennep in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend, voor de poging oplichting in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend, voor het vuurwapenbezit in een woning in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend, voor de oplichting in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend, voor het witwassen in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en voor het aanwezig hebben van ruim 63 kilogram softdrugs acht het hof eveneens in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend.
Alles afwegend, acht het hof in beginsel dus een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, passend en geboden. Gelet op het feit dat verdachte in het verleden veel vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten is het hof van oordeel dat een (totale) gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend en geboden is.
Het hof stelt echter vast dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Ten aanzien van feit 4 is de redelijke termijn aangevangen op het moment van doorzoeking, te weten op 16 oktober 2012. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten is de redelijke termijn aangevangen op de dag van de inverzekeringstelling, te weten 10 mei 2016. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat verdachte ten aanzien van feit 4 in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 16 oktober 2014 had mogen verwachten en ten aanzien van de overige feiten op 10 mei 2018 in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 10 mei 2018 had mogen verwachten. De rechtbank heeft echter vonnis gewezen op 2 september 2020, ten aanzien van feit 4 circa vier jaren later en ten aanzien van de overige feiten circa twee jaren en drie maanden later. Het heeft vervolgens ook lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk bij het hof is behandeld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 15 september 2020 en dit arrest wordt gewezen op 3 juni 2026, zodat sinds het instellen van het hoger beroep ruim vijf jaren en acht maanden zijn verstreken. De behandeling had moeten plaatsvinden binnen een termijn van twee jaren.
Er is dan ook sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof stelt met de rechtbank vast dat de zaak onderdeel uitmaakt van een zeer omvangrijk onderzoek. Om proceseconomische redenen is besloten de behandeling van de zaken van deze verdachten (grotendeels) bij elkaar te houden om deze tegelijkertijd te behandelen en af te doen. Naar het oordeel van het hof geeft dat echter geen rechtvaardiging voor een termijnoverschrijding van de vastgestelde duur en moet de overschrijding aan de Nederlandse Staat worden toegerekend. Het hof zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden door acht maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering te brengen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het feit dat het arrestatieteam bij de aanhouding van verdachte geweld heeft toegepast geen strafmatigende factor is, omdat het niet onbegrijpelijk is dat bij een arrestatie van een verdachte die een vuurwapen bezit, wat ook uit dit arrest is gebleken, geen risico’s worden genomen door justitie.
Het hof zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden opleggen. Het hof gaat hiermee boven de eis van de advocaat-generaal uit, omdat het hof van oordeel is dat de ernst van de feiten een hogere gevangenisstraf rechtvaardigt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 45, 47, 51, 57, 63, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van
Verklaart verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 4 (feit 7) tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-952602-14 onder 1 en in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 1, 2 primair, 3, 5 en 6 en in de zaak met parketnummer 08-910052-19 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-952602-14 onder 1 en in de zaak met parketnummer 08-910000-17 onder 1, 2 primair, 3, 5 en 6 en in de zaak met parketnummer 08-910052-19 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. R.D.J. Visschers, mr. G. Mintjes en mr. S. Taalman,
in aanwezigheid van de griffiers mr. L.A.C. van den Berg-Veltman en mr. E. van der Zandt en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juni 2026.