[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. J.B.A. Kalk, en wat door de nabestaanden van [slachtoffer] naar voren is gebracht bij hun spreekrecht.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake was van zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen van verdachte. De rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf van zes maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren opgelegd.
Het hof vernietigt het vonnis, omdat het tot een andere vaststelling van de mate van schuld komt dan de rechtbank en daardoor tot een andere strafoplegging en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 4 november 2022 in de gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto met daaraan gekoppeld een tandemasser aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl op voornoemde [weg] , op korte afstand een stilstaande, althans langzaam rijdende file was ontstaan en/of (een) medeweggebruiker(s) de waarschuwings- en/of alarmverlichting van zijn/hun motorrijtuig(en) had(den) ingeschakeld en/of zijn/hun snelheid zodanig had(den) verminderd tot een snelheid veilig voor het overig verkeer ter plaatse, op voornoemde [weg] met een snelheid van ongeveer 90 á 95 km p/u te rijden en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem, verdachte, liggende weggedeelte van die [weg] te letten en/of is blijven letten en/of (vervolgens) gedurende enkele minuten (vlak voorafgaande aan de aanrijding) één of meerdere activiteiten op zijn mobiele telefoon te verrichten en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid, althans met een snelheid veel hoger dan het overige verkeer ter plaatse en/of met een snelheid veel hoger dan voor een veilig verkeer ter plaatse op/tegen de achterzijde van een medeweggebruiker is gebotst en/of gereden, waardoor voornoemde medeweggebruiker (nagenoeg vanuit stilstand) op/tegen diens voorganger is gedrukt/geduwd en/of gebotst en/of gereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiairhij op of omstreeks 4 november 2022 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (bestelauto met daaraan gekoppeld een tandemasser aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, [weg] , met een snelheid van ongeveer 90 á 95km p/u heeft gereden en/of (vervolgens) terwijl op voornoemde [weg] , op korte afstand een stilstaande, althans langzaam rijdende file was ontstaan en/of (een) medeweggebruiker(s) de waarschuwings- en/of alarmverlichting van zijn/hun motorrijtuig(en) had(den) ingeschakeld en/of zijn/hun snelheid zodanig had(den) verminderd tot een snelheid veilig voor het overig verkeer ter plaatse, niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem, verdachte, liggende weggedeelte van die [weg] heeft gelet en/of is blijven letten en/of (vervolgens) gedurende enkele minuten (vlak voorafgaande aan de aanrijding) één of meerdere activiteiten op zijn mobiele telefoon heeft verricht en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid, althans met een snelheid veel hoger dan het overige verkeer ter plaatse en/of met een snelheid veel hoger dan voor een veilig verkeer ter plaatse op/tegen de achterzijde van een medeweggebruiker is gebotst en/of gereden, waardoor voornoemde medeweggebruiker (nagenoeg vanuit stilstand) op/tegen diens voorganger is gedrukt/geduwd en/of gebotst en/of gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat – conform het vonnis van de rechtbank – wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het primair
ten laste gelegde feit heeft begaan.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – overeenkomstig de overgelegde pleitnota – bepleit dat het handelen van verdachte niet valt onder de categorie ernstige schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar zou moeten worden gekwalificeerd als aanmerkelijke schuld. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte enkel kan worden verweten niet de benodigde voorzichtigheid te hebben betracht doordat hij bezig was met zijn telefoon, maar dat er geen sprake was van andere verkeersovertredingen, zoals rijden onder invloed van verdovende middelen of het overtreden van de maximumsnelheid.
Oordeel van het hof
Bewijsmiddelen
Verdachte heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard. Op 4 november 2022 reed hij als bestuurder van een bedrijfsauto (een [merk auto] ), met daaraan gekoppeld een tandemasser aanhangwagen, over de [weg] . De telefoon stond in de houder. Toen hij in de bus stapte ging Videoland automatisch aan. De telefoon speelde alleen het geluid af; het beeld was zwart. Om zijn telefoon te ontgrendelen moest hij deze met zijn vingers bedienen. Verdachte wilde een telefoontje plegen, maar weet niet meer hoe hij dat heeft gedaan. De oproep werd niet beantwoord. Verdachte moest ook nog iemand een bericht sturen via WhatsApp. Hij heeft toen in WhatsApp de groepsapp weggeklikt die nog in beeld stond. Hij heeft vervolgens het chatgesprek met de persoon die hij een bericht moest sturen, aangeklikt, zodat hij er thuis aan herinnerd zou worden dat hij deze persoon nog een bericht moest sturen. Verdachte heeft bevestigd dat hij zijn aandacht klaarblijkelijk secondenlang bij zijn telefoon heeft gehad. Doordat hij niet goed heeft opgelet is hij achterop de auto voor hem gereden. Verdachte heeft de auto voor hem pas opgemerkt toen de botsing een feit was. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij met een snelheid van 90 à 95 kilometer per uur heeft gereden. Hij reed daar dagelijks. Hij wist dat het daar iets kan opstropen. Het is altijd wat drukker rond dat tijdstip.
De politie heeft onderzoek gedaan naar het ongeval. Daaruit is het volgende gebleken. De [merk auto] van verdachte is tegen de achterzijde van de [merk auto] gereden. Gelet op de deformatie van de [merk auto] en van de voorzijde van de [merk auto] heeft er tussen beide voertuigen een aanzienlijk snelheidsverschil gezeten. De [merk auto] heeft stil gestaan of zeer langzaam gereden. De [merk auto] botste op zijn beurt weer tegen de voor hem rijdende of stilstaande BWM aan. Door de botsing raakte de bestuurder van de [merk auto] zeer ernstig gewond en overleed ter plekke aan zijn verwondingen. De politie heeft ook gekeken naar de staat van de weg en daar geen bijzonderheden aangetroffen. De wegverlichting werkte goed en het weer was helder en droog.
Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de betreffende dag reed op de [weg] . Hij zag dat de auto’s voor hem afremden en tot stilstand kwamen. Hij is tijdig gaan afremmen en heeft zijn gevarenlicht aangezet. De auto achter hem minderde ook vaart. Toen hij nagenoeg stil stond en de auto achter hem vaart verminderde heeft hij zijn gevarenlichten uitgedaan. Hij voelde en hoorde een harde knal van achteren.
Getuige [getuige 3] reed eveneens op de [weg] en nam de afslag [richting] tussen [plaats] en [gemeente] . Hij zag een file op de doorgaande weg. De achterste auto van de file had de alarmlichten aan. Hij zag een busje aan komen rijden. Hij dacht “oh god, hij remt niet”. Hij zag en hoorde de aanrijding.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat voor haar een busje met een aanhanger reed. Ineens zag zij een zwarte auto naar links vliegen. Ze moest niet heel hard remmen, want ze hield voldoende afstand.
[slachtoffer] was als bestuurder van een personenauto betrokken bij een verkeersongeval op 4 november 2022 te [gemeente] op de [weg] . Hij is overleden aan hoofdletsel.
De politie heeft onderzoek gedaan naar het telefoongebruik van verdachte. Het volgende is geregistreerd:
Vervolgens is gekeken naar de loggegevens van WhatsApp. WhatsApp werd om 16:55:28 op de voorgrond actief. Daarop werd eerst een chatvenster gesloten en werd om 16:55:29 een groepschat geopend. De groepschat bleef tot 16:56:00 actief en is tweemaal onderbroken door een andere applicatie. Een overzicht van WhatsAppgesprekken kwam daarna in beeld. Daarna is een andere chat geopend. Om 16:56:02 ging het aantal ongelezen berichten van één naar nul.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van overtreding van artikel 6 WVW 1994 is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onoplettendheid van verdachte. De gevolgen van de verkeersovertreding(en) bepalen niet dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en verder naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.
Het hof stelt voorop dat het gedrag van verdachte moet worden afgemeten aan wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht om te letten op ander verkeer en om de geldende verkeersregels na te leven zodat aanrijdingen zoveel mogelijk worden voorkomen.
Vaststaat dat verdachte met zijn bestelbus met aanhanger met een snelheid van 90 á 95 kilometer per uur in de richting van een plek op de [weg] reed, waarvan hij wist dat het daar op dat tijdstip drukker is en het verkeer kan opstropen. Vaststaat ook dat verdachte voorafgaand aan de aanrijding gedurende 43 seconden (vanaf 16.55.21 uur tot en 16:56:04 uur) verschillende handelingen op zijn – in de houder staande – telefoon heeft verricht, waaronder het openen van chatgesprekken, en dat direct na afsluiting van het scherm de aanrijding volgde, namelijk om 16:56:05 uur. Voorts staat vast dat verdachte niet tijdig heeft waargenomen dat het verkeer voor hem tot stilstand was gekomen en dat zijn voorliggers waarschuwings-/alarmverlichting hadden ingeschakeld.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat verdachte – door in de veertig seconden direct voorafgaand aan het ongeval meerdere handelingen te verrichten op zijn telefoon – zodanig moet zijn afgeleid en zijn aandacht dermate onvoldoende bij de weg en het overige verkeer heeft gehad, dat hij daardoor de filevorming niet heeft opgemerkt en het ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte had echter bij normale oplettendheid, die van de gemiddelde bestuurder mag worden verwacht, op tijd kunnen reageren en zijn snelheid kunnen aanpassen door te remmen dan wel uit te wijken. De omstandigheden van de weg, het weer en de technische staat van zijn voertuig en dat van het slachtoffer geven geen aanleiding om daar anders over te oordelen. De weggebruikers voor en achter hem waren allemaal wel in staat tijdig te anticiperen op de filevorming. Daar komt bij dat verdachte een bestelauto met daaraan gekoppeld een aanhangwagen heeft bestuurd, een combinatie die naar het oordeel van het hof noopte tot extra voorzichtigheid en alertheid bij verdachte. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte dan ook niet met die vereiste voorzichtigheid en alertheid aan het verkeer deelgenomen.
De verkeersfout die verdachte valt te verwijten, is dat hij – door voorafgaand aan het ongeval handelingen op zijn telefoon te verrichten – secondenlang niet op de weg en het overige verkeer heeft gelet waardoor hij de filevorming niet tijdig heeft opgemerkt, hij daar niet tijdig op heeft geanticipeerd en hij zijn snelheid niet heeft aangepast aan het overige verkeer. Daarmee heeft verdachte naar het oordeel van het hof, mede gelet op jurisprudentie van andere feitenrechters, zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen, waardoor het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is, zoals bedoeld in artikel 6 WVW 1994.
Daarbij is het van belang om op te merken dat het handelen van verdachte is te vergelijken met het bedienen van het dashboard, zoals bijvoorbeeld het instellen van de radio of de navigatie. De telefoon van verdachte stond immers in een telefoonhouder. Daarom is er geen sprake van “tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”, zoals strafbaar gesteld in artikel 5a lid 1 aanhef en onder k van de WVW.
Aldus komt het hof tot een andere, minder zware kwalificatie van de mate van schuld dan de rechtbank, die het verkeersgedrag van verdachte kwalificeerde als zeer onvoorzichtig en onoplettend.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primairhij op of omstreeks 4 november 2022 in de gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto met daaraan gekoppeld een tandemasser aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl op voornoemde [weg] , op korte afstand een stilstaande, althans langzaam rijdende file was ontstaan en/of (een) medeweggebruiker(s) de waarschuwings- en/of alarmverlichting van zijn/hun motorrijtuig(en) had(den) ingeschakeld en/of zijn/hun snelheid zodanig had(den) verminderd tot een snelheid veilig voor het overig verkeer ter plaatse, op voornoemde [weg] met een snelheid van ongeveer 90 á 95 km p/u te rijden en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem, verdachte, liggende weggedeelte van die [weg] te letten en/of is blijven letten en/of (vervolgens) seconden lang gedurende enkele minuten (vlak voorafgaande aan de aanrijding) één of meerdere activiteiten op zijn mobiele telefoon te verrichten en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid, althans met een snelheid veel hoger dan het overige verkeer ter plaatse en/of met een snelheid veel hoger dan voor een veilig verkeer ter plaatse op/tegen de achterzijde van een medeweggebruiker is gebotst en/of gereden, waardoor voornoemde medeweggebruiker (nagenoeg vanuit stilstand) op/tegen diens voorganger is gedrukt/geduwd en/of gebotst en/of gereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straffen
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 170 dagen en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 22 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een taakstraf op te leggen. Daarbij heeft de raadsman gewezen op het feit dat verdachte nog niet eerder met justitie in aanraking is geweest en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf grote gevolgen zal hebben voor verdachte en zijn gezin. Verdachte is zelfstandig hovenier en kostwinner. Als hij zes maanden niet kan werken, zal dit tot gevolg hebben dat het bedrijf van verdachte stil komt te liggen en zijn gezin hun woning kwijt zal raken. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen verdachte onevenredig zwaar zal treffen, omdat het hebben van een rijbewijs voor verdachte noodzakelijk is. Tot slot heeft de raadsman gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook heeft het hof gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
[slachtoffer] is door een door verdachte veroorzaakt verkeersongeval overleden. Hij is nooit thuisgekomen met de verjaardagstaart die hij voor zijn zoontje ging ophalen. Zijn moeder, partner, dochter en broer hebben bij het hof door hun spreekrecht verwoord welke impact het overlijden op hun leven heeft gehad en nog steeds heeft. Het verlies van [slachtoffer] is onomkeerbaar en daarmee is zijn familie onbeschrijfelijk leed aangedaan. Het hof is zich ervan bewust dat geen enkele straf dit leed voor de nabestaanden kan verzachten.
De mate van schuld aan het verkeersongeval bepaalt in grote mate de hoogte van de op te leggen straf. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft voor overtreding van artikel 6 WVW vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij een ander is gedood en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, is het uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar.
Verdachte heeft, zoals eerder overwogen, een ernstige verkeersovertreding begaan met onomkeerbare gevolgen. Bij het bewezenverklaarde handelen van verdachte past in beginsel die hiervoor genoemde straftoemeting. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat ten nadele van verdachte van deze straftoemeting moet worden afgeweken.
Het hof heeft vervolgens beoordeeld of er omstandigheden zijn waardoor ten voordele voor verdachte van deze straftoemeting moet worden afgeweken.
Verdachte heeft ter zitting blijk gegeven in te zien dat hij fout heeft gehandeld door zijn telefoon te bedienen en daardoor seconden lang niet op de weg te letten. De verdachte leefde voor het hof zichtbaar mee met het leed van de nabestaanden. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat verdachte psychisch last heeft van het dodelijk ongeluk dat hij heeft veroorzaakt. Verdachte is zelfstandige en kostwinner voor zijn gezin. Een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zou grote consequenties hebben voor het kunnen uitoefenen van de werkzaamheden in zijn hoveniersbedrijf.
Het hof ziet in deze omstandigheden echter toch geen aanleiding om af te wijken van de eerder genoemde straftoemeting. De ernst van de verkeersovertreding en de vreselijke gevolgen daarvan wegen voor het hof zwaarder dan het belang van verdachte om zijn rijbewijs te behouden.
Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar, passend en geboden.
Ten slotte moet het hof ingaan op de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. In hoger beroep had de procedure in beginsel binnen twee jaar moeten zijn afgedaan. Het hoger beroep is ingesteld op 3 april 2024 en het arrest dateert van heden, 5 juni 2026, waardoor in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijk termijn van 2 maanden en 3 dagen. Gelet op de relatief beperkte overschrijding zal het hof volstaan met de enkele constatering van die overschrijding.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.
Aldus gewezen door
mr. M. Zwartjes, voorzitter,
mr. D.R. Sonneveldt en mr. S. Taalman, raadsheren,
in aanwezigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffer,
en op 5 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.