[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van zitting van het hof van 22 mei 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.D. Nijenhuis, en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte voor het primaire feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Ook heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Tot slot heeft de politierechter de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof vernietigt het vonnis omdat het proces-verbaal van de zitting niet is uitgewerkt en er geen bewijsmiddelen en geen bewezenverklaring in het vonnis zijn opgenomen. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
feit primairhij op of omstreeks 5 april 2023 te [plaats] aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken en/of een gedraaid jukbeen en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken neus en/of een los stukje bot achter het oog en/of ontsierende littekens in het gezicht, heeft toegebracht door die [benadeelde] met kracht met een gebalde vuist in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;
feit subsidiairhij op of omstreeks 5 april 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde] met kracht met een gebalde vuist in/tegen het gezicht geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit meer subsidiairhij op of omstreeks 5 april 2023 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met kracht met een gebalde vuist in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en/of een gedraaid jukbeen en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken neus en/of een los stukje bot achter het oog en/of ontsierende littekens in het gezicht, ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep bekend de feitelijke handelingen die aan hem zijn ten laste gelegd te hebben gepleegd. Hij heeft echter ontkend aangever pijn of letsel te hebben willen toebrengen. In het verlengde hiervan heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld in een impuls, dat hij geen pijn of letsel heeft willen toebrengen en dat het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van (zwaar) letsel ontbreekt. De verdachte had nog nooit eerder zoiets meegemaakt en wist niet dat hij fysiek tot zoiets in staat was, aldus de raadsman.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Het hof stelt daartoe het volgende vast. Verdachte heeft aangever gericht en met zeer veel kracht een vuistslag in zijn gezicht gegeven. Dat verdachte hard en gericht en overigens calculerend sloeg, blijkt onder meer uit de verklaring van getuige [getuige] , die verklaard heeft dat verdachte naar aangever toe liep, vroeg wat aangever in de vorige pauze over verdachte had gezegd, vervolgens zijn rechterarm naar achteren bewoog, zijn rechterhand balde tot een vuist en met kracht tegen de linkerkant van het hoofd van aangever sloeg. Verdachte heeft met deze vuistslag zwaar letsel toegebracht, te weten meerdere fracturen in zijn gezicht waarvoor een operatie noodzakelijk is geweest en (blijvende) schade aan de oogkaszenuw. Daarbij was van een impulsieve handeling geen sprake. Uit het dossier blijkt dat de klap drie uren na de twist tussen verdachte en aangever is uitgedeeld en verdachte dus verhaal is gaan halen.
Door aangever met kracht een harde vuistslag tegen het gezicht te geven, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het geven van een harde vuistslag in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt, omdat het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Iedereen - en dus ook verdachte – heeft wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het slaan op de wijze zoals verdachte dat heeft gedaan, te weten met gebalde vuist, gericht en met kracht, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Dat verdachte geen pijn of letsel heeft willen toebrengen en niet wist dat hij fysiek tot zoiets in staat zou zijn, acht het hof niet geloofwaardig. Op grond van voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primaire feit, zware mishandeling. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primairhij op 5 april 2023 te [plaats] aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken en een gedraaid jukbeen en een gebroken oogkas en een gebroken neus en een los stukje bot achter het oog, heeft toegebracht door die [benadeelde] met kracht met een gebalde vuist in het gezicht te stompen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het primair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. De raadsman heeft verzocht verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer gericht en met kracht met een vuist in zijn gezicht te slaan. Het slachtoffer heeft daaraan zwaar lichamelijk letsel overgehouden, namelijk meerdere fracturen in zijn gelaat. Uit de verklaring van het slachtoffer volgt bovendien dat hij mogelijk blijvende zenuwschade heeft opgelopen. Medisch ingrijpen was noodzakelijk en het slachtoffer heeft een periode lang slechts vloeibare voeding kunnen eten. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem veel pijn toegebracht. Dat de mishandeling een grote impact op het slachtoffer en zijn gezin heeft gehad, blijkt uit de dagboekfragmenten van de partner van het slachtoffer, die zijn gevoegd bij de vordering van de benadeelde partij.
Het hof heeft gelet op verdachtes strafblad, gedateerd 20 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof kent hieraan bij de strafoplegging geen bijzondere betekenis toe, omdat het uitblijven van delict gedrag als een normale omstandigheid heeft te gelden.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de straffen die door rechters voor soortgelijke feiten worden opgelegd, zoals opgenomen in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Het uitgangspunt voor zware mishandeling zonder gebruikmaking van een wapen betreft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.
Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde zware mishandeling geen ruimte laat voor de door de raadsman bepleite strafmodaliteit. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd die afwijking van het uitgangspunt zouden rechtvaardigen. Het hof komt dus tot de conclusie dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden een passende en geboden straf is en zal die straf opleggen.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.270,52 ingediend. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen. De vordering is in hoger beroep gehandhaafd. Het hof zal een beslissing op de vordering moeten nemen.
De vordering bestaat uit een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 770,52 aan materiële schade. De vordering is onderbouwd en in het geheel niet betwist. Het hof is van oordeel dat op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden.
Op de zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij de schade al vergoed heeft aan de benadeelde partij. Hij heeft eerder in de fase van dit hoger beroep een bewijs van betaling ingestuurd, dat is opgesteld in Cyrillische schrift. Namens verdachte is bepleit dat door de betaling geen vordering meer bestaat. De advocaat-generaal heeft op de zitting in hoger beroep meegedeeld dat het niet is gelukt om bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau na te gaan of de vordering tot schadevergoeding daadwerkelijk is voldaan door de verdachte. Nu die duidelijkheid niet is verkregen, en de vordering van de benadeelde partij door het ingestelde hoger beroep sowieso weer voorligt, zal het hof de vordering toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof geeft de executerende instantie mee eerst goed na te gaan of er reeds een betaling van verdachte is binnengekomen, om te voorkomen dat dubbel betaald zal worden door verdachte.
Het hof merkt verder op dat verdachte niet stelt dat hij de vervallen wettelijke rente heeft betaald. Die rente is hij wel verschuldigd. Omdat niet alle materiële schade op de datum van het delict is geleden, maar op verschillende data, ook erna, zal het hof voor de materiële schade de ingangsdatum van de wettelijke rente bepalen op de dag van indiening van de vordering, te weten 22 december 2023. De ingangsdatum voor de immateriële schade bepaalt het hof wel op de dag van het delict (5 april 2023).
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.270,52 (drieduizend tweehonderdzeventig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 770,52 (zevenhonderdzeventig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.270,52 (drieduizend tweehonderdzeventig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 770,52 (zevenhonderdzeventig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 december 2023 en voor de immateriële schade op 5 april 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. Z.J. Oosting en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 5 juni 2026.