GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.673
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11827720)
beschikking van 9 juni 2026
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.M.E. Derks,
en
Stichting CAV Mentorschap,
gevestigd te Zoetermeer,
belanghebbende in hoger beroep,
verder te noemen: CAV of de mentor,
en
[belanghebbende1] ,
wonende te [woonplaats1] ,
belanghebbende in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. P.W.O. Moolhuijsen-Birnie.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende2] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: [het kind] ,
en
[belanghebbende3] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de broer.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht) van 28 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 februari 2026
een brief van de mentor van 13 april 2026 met producties
het verweerschrift van de vader met producties
een e-mailbericht namens de moeder van 15 mei 2026 met producties
De mondelinge behandeling heeft op 26 mei 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat
een vertegenwoordiger namens de mentor
de vader, bijgestaan door zijn advocaat
de broer
3. De feiten
[het kind] is geboren [in] 2002.
Bij beschikking van 22 mei 2020 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die aan [het kind] (zullen) toebehoren en de vader en moeder tot bewindvoerders benoemd. Daarnaast heeft de kantonrechter het verzoek van de moeder om een mentorschap voor [het kind] in te stellen afgewezen.
Bij beschikking van 8 april 2024 heeft de kantonrechter per 1 mei 2024 de vader als bewindvoerder ontslagen.
De moeder heeft de kantonrechter gevraagd om een mentorschap voor [het kind] in te stellen en haar tot mentor te benoemen.
De vader was het in eerste aanleg eens met het instellen van een mentorschap, maar heeft de kantonrechter gevraagd om CAV tot mentor voor [het kind] te benoemen.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter met ingang van 28 november 2025 een mentorschap voor [het kind] ingesteld vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand en CAV tot mentor benoemd.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en komt daarvan in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze beschikking ziet op de benoeming van de mentor, en, opnieuw beschikkende, de moeder tot mentor te benoemen dan wel een andere, onafhankelijke, mentor te benoemen die voorafgaand aan de beslissing van het hof geen contact heeft gehad met de vader en/of de moeder, kosten rechtens.
De vader en de mentor hebben het hof gevraagd om de bestreden beschikking in stand te laten.
5. De motivering van de beslissing
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat voor [het kind] een mentorschap moet worden ingesteld. De ouders zijn het er niet over eens of de moeder tot mentor moet worden benoemd of dat er een professionele mentor moet worden benoemd.
Wat staat er in de wet?
Op grond van 1:452 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Het vierde lid van voornoemd artikel bepaalt onder meer dat als de voorkeur van de betrokkene niet wordt gevolgd en de betrokkene, zoals in dit geval, niet is gehuwd bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor wordt benoemd.
In artikel 1:453 lid 1 BW is te lezen dat een mentor rechtshandelingen voor betrokkene verricht in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding.
De mening van [het kind]
Het hof heeft [het kind] opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 26 mei 2026. [het kind] is daar niet verschenen. Het hof heeft daarna besloten op [het kind] niet opnieuw op te roepen of hem te bezoeken om hem naar zijn voorkeur over de persoon van de mentor te vragen. Het hof overweegt daartoe dat in het diagnostisch verslag van [zorginstelling1] van maart 2018 is te lezen dat [het kind] een ernstige verstandelijke beperking heeft en functioneert op een ontwikkelingsleeftijd van 3:3 jaar. Gelet op deze ontwikkelingsleeftijd oordeelt het hof het aannemelijk dat [het kind] niet begrijpt wat een mentorschap inhoudt en dat [het kind] evenmin kan inschatten welke mentor zijn belangen het beste kan behartigen.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof zal CAV als mentor van [het kind] ontslaan en de moeder tot mentor benoemen. Hierna legt het hof deze beslissing uit.
In de kern is het de taak van de mentor om beslissingen te nemen over de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van [het kind] . Het hoort niet tot de werkzaamheden van de mentor om [het kind] te begeleiden naar (medische) afspraken of om hem daadwerkelijk te verzorgen.
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de moeder altijd de beslissingen voor [het kind] heeft genomen en dat - voor zover de mentor dat op dit moment niet doet - nu nog steeds doet. De moeder draagt het grootste deel van de zorg voor [het kind] en zij begeleidt [het kind] naar (medische) afspraken. De moeder is daarmee de constante factor en een heel vertrouwd persoon in het leven van [het kind] . Partijen, met name de ouders onderling, waarbij de broer van [het kind] partij lijkt te kiezen voor de vader, verschillen weliswaar op veel punten over de vraag wat in het belang van [het kind] is, denk hierbij aan bijvoorbeeld de vraag waar [het kind] zou moeten wonen, maar het hof is niet gebleken dat de moeder niet in het belang van [het kind] handelt. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen reden om bij de benoeming niet de wettelijke voorkeursregeling voor de benoeming van een mentor te volgen. De verschillen en geschillen tussen de ouders - die veel breder zijn dan alleen het behartigen van de belangen van [het kind] - bieden naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten om een onafhankelijke mentor te benoemen.
Voor zover de vader tot slot heeft aangevoerd dat de moeder hem wat betreft [het kind] overal buiten houdt en hem niet in besluitvorming betrekt, overweegt het hof dat benoeming van een onafhankelijk mentor hiervoor geen oplossing biedt. De mentor legt immers verantwoording af aan de kantonrechter (artikel 1:459 BW). Er is geen (wettelijke) verplichting voor de mentor om andere belanghebbenden te informeren over de betrokkene.
Het hof zal de moeder met ingang van 1 augustus 2026 tot mentor van [het kind] benoemen, zodat CAV in de gelegenheid wordt gesteld om het mentorschap af te ronden en aan de moeder over te dragen.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, vernietigt het hof de bestreden beschikking, uitsluitend voor zover deze beschikking ziet op de persoon van de te benoemen mentor, vernietigen en beslissen als volgt.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht) van 28 november 2025, uitsluitend voor zover deze beschikking ziet op de persoon van de te benoemen mentor, en in zoverre opnieuw beschikkende:
ontslaat met ingang van 1 augustus 2026 Stichting CAV Mentorschap, correspondentieadres: postbus 7276, 2701 AG Zoetermeer, als mentor van [het kind] ;
benoemt met ingang van 1 augustus 2026 tot mentor [de moeder] , geboren [in] 1973 en wonende te [adres1] [woonplaats1] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.H.F. van Vugt en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.