GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.952
zaaknummer rechtbank Overijssel 273633
arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.G. Hees
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. F. Jagersma
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de rechtbank) op 11 mei 2022, 14 september 2022 en 21 februari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven, tevens eiswijziging
de memorie van antwoord
een akte houdende overlegging aanvullende producties van [appellant] (bijlagen 25 tot en met 30)
een antwoordakte overlegging aanvullende producties van [geïntimeerde]
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 26 mei 2025 is gehouden.
2. De feiten
Partijen zijn broers. Hun vader (erflater) is overleden [in] 2003. Erflater heeft partijen ieder voor de helft tot zijn erfgenamen benoemd en aan de moeder van partijen een legaat gemaakt van het vruchtgebruik van zijn nalatenschap.
[appellant] en [geïntimeerde] hebben de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard.
Het vruchtgebruik is bij akte van 25 november 2005 ten behoeve van de moeder
van partijen gevestigd. Blijkens die akte was de nalatenschap ten tijde van het overlijden
van erflater als volgt samengesteld:
“ Goederen
1. Het woonhuis met verdere opstallen, onder grond, erf en tuin, staande en gelegen
aan de [adres] te [postcode] [plaats1] , kadastraal bekend: gemeente [plaats1] , sectie
A, [nummer] , groot een hectare, vijftien are en zestig centiare (01 ha, 15 a en 60
ca).
2. Banktegoeden bij de Rabobank [plaats1] - [plaats2] :
a. onder nummer 3285.79. [rekeningnummer1] met een saldo groot één duizend zevenhonderd
achtentachtig euro en vierentachtig eurocent (€ 1.788,84).
onder nummer 1467.855. [rekeningnummer3] met een saldo groot vierenzestig duizend
zesendertig euro en zesenzeventig eurocent (€ 64.036,76).
3. saldo girorekeningnummer [rekeningnummer2] bij de Postbank met een saldo groot vier
duizend eenentachtig euro en zevenendertig eurocent (€ 4.081,37).
4. twintigduizend drie (20.003) aandelen Koninklijke Nederlandse Petroleum
Maatschappij.
5. Auto, merk Toyota, waarvan de opbrengst bij verkoop bedroeg zestien duizend euro
(€ 16.000,00).
6. Roerende zaken, waaronder inboedelzaken, aan partijen genoegzaam bekend.
Schulden
1. Lopende huishoudelijke schulden tot een bedrag groot zeshonderd tachtig euro en
zesenvijftig eurocent (€ 680,56).
2. Kosten van uitvaart, begrafenis en grafbedekking, tezamen groot acht duizend
drieëndertig euro en negenendertig eurocent (€ 8.033,39)
(...)”.
In de akte is ter uitvoering van het legaat het levenslange vruchtgebruik ten behoeve van de
moeder van partijen gevestigd op (uitsluitend):
1. het woonhuis met verdere opstallen, ondergrond, erf en tuin, aan de [adres] te
[plaats1] ;
2. zesendertig duizend vierhonderd zestig (36.460) aandelen Royal Dutch Shell PLC
A.
3. de onder de goederen sub 6 vermelde inboedelgoederen.”
Op andere goederen van de nalatenschap is geen vruchtgebruik ter uitvoering van het legaat gevestigd.
[geïntimeerde] is kort na het overlijden van erflater bij de moeder van partijen ingetrokken in
de woning aan de [adres] te [plaats1] (hierna: de woning).
De moeder van partijen is op 22 juli 2011 verhuisd naar een verzorgingstehuis.
[geïntimeerde] is in de woning blijven wonen.
De moeder van partijen (hierna: erflaatster) is overleden [in] 2015.
3. Het geschil tussen partijen in hoger beroep
Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over de verdeling van de nalatenschap van erflater.
In de procedure voor de rechtbank heeft [appellant] in conventie gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde] veroordeelt bepaalde stukken in het geding te brengen, de verdeling van de nalatenschap van erflater vaststelt dan wel de wijze van verdeling daarvan gelast en [geïntimeerde] veroordeelt aan [appellant] een gebruiksvergoeding te betalen van € 177.998,33. [geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank de woning aan hem toedeelt tegen een waarde van € 632.220 dan wel tegen een andere waarde en [appellant] veroordeelt aan hem in verband met de afwikkeling van de nalatenschap verschillende bedragen te betalen.
De rechtbank heeft bij eindvonnis van 21 februari 2024 de wijze van verdeling bepaald als volgt:
- de woning wordt toegedeeld aan [geïntimeerde] tegen een waarde van € 919.000.-, met veroordeling van [geïntimeerde] om na aftrek van [appellant] aandeel in de kosten, aan [appellant] € 453.667,50 te betalen wegens overbedeling;
- partijen dienen de thans nog aanwezige inboedelzaken te verdelen op de wijze als in 2.13 van dat vonnis is overwogen;
- de banktegoeden onder nummer 3285.79. [rekeningnummer1] (saldo € 1.788,84), nummer 1467.855. [rekeningnummer3] (saldo € 64.036, 76) en nummer [rekeningnummer2] (saldo € 4.081,37) wordt aldus verdeeld dat elk van partijen de helft van de saldi toekomt, met veroordeling van degene die over de rekeningen of de tegoeden daarvan beschikt om aan de ander de helft van de saldi te betalen;
en voorts:
- [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] te betalen een gebruiksvergoeding ten bedrage van
€ 32.870.- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2024 tot de dag der algehele voldoening;
- [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 8.000,- wegens overbedeling ter zake van de Toyota Celica;
- [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 9.000.-:
- het meer of anders gevorderde afgewezen; en
- de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
[appellant] is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank en vordert in hoger beroep (na wijziging van zijn eis):
“I. (partieel) te vernietigen de vonnissen van de Rechtbank Overijssel d.d. 11 mei 2022, d.d.
14 september 2022 en d.d. 21 februari 2024 met [zaaknummer]
waarvan beroep;
II. en opnieuw rechtdoende:
a. de in de periode voorafgaand aan 11 februari 2020 door [geïntimeerde] aan [appellant] verschuldigde gebruiksvergoeding vast te stellen primair per 22 juli 2011, subsidiair per 1 januari 2012, meer subsidiair 22 februari 2015, meer subsidiair 22 juli 2015, meer subsidiair in goede justitie te bepalen, tot 11 februari 2020, en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] tegen genoegzaam bewijs van betaling van het vast te stellen bedrag aan gebruiksvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding eerste aanleg d.d. 4 november 2021, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
b. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] zijn aandeel in de inboedelgoederen genoemd in het
taxatierapport van [naam1] , productie 41 a/z [geïntimeerde] , heeft verbeurd aan [appellant] , met veroordeling van [geïntimeerde] om deze inboedelgoederen binnen 14 dagen na datum nog te wijzen arrest, of datum betekening van het nog te wijzen arrest, althans een in goed justitie te bepalen datum, tegen genoegzaam bewijs aan [appellant] te hebben afgegeven, zulks ( [appellant] acht een prikkel noodzakelijk) op straffe van een dwangsom van € 500,- per item per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] daartoe in gebreke blijft met een door uw hof te bepalen maximum (gewijzigde eis onder VI.);
c. en aanzien van de inboedelgoederen genoemd in het taxatierapport van [naam2] ,
productie 20 a/z [appellant] , de wijze van verdeling te gelasten primair op basis van het navolgende stappenplan, althans een in goede justitie te bepalen stappenplan,
1. met bepaling dat ieder der partijen binnen 14 dagen na het wijzen van (tussen)arrest vóór 17.00 uur, schriftelijk per e-mail aan elkaar hun toedelingswensen kenbaar dienen te maken op straffe van verval;
2. met bepaling dat de inboedelgoederen waar slechts één partij voor heeft geopteerd aan die partij wordt toebedeeld tegen vergoeding van de helft van die waarde conform taxatierapport van [naam2] aan de andere partij, te betalen binnen 14 dagen na toedeling, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de 15de dag tot de dag der algehele voldoening;
3. met bepaling dat de inboedelgoederen waar beide partijen voor hebben geopteerd, de verdeling van die goederen plaatsvindt doordat ieder der partijen om beurten een keuze maken voor die inboedelgoederen. Wie als eerste een keuze mag maken wordt bepaald door het lot, en wel het opgooien van een munt in aanwezigheid van beide partijen waarbij reeds op voorhand [geïntimeerde] de kant 'munt' krijgt en [appellant] de kant 'kop'. Degene op wiens kant de munt valt mag de eerste keuze maken. De door de ene partij gekozen goederen worden toebedeeld tegen vergoeding van de helft van de waarde conform taxatierapport van [naam2] aan de andere partij, te betalen binnen 14 dagen na toedeling, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de 15de dag tot de dag der algehele voldoening;
5. met veroordeling van [geïntimeerde] om de aan [appellant] toebedeelde inboedelgoederen
aan hem af te geven binnen 14 dagen na toedeling, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] daartoe in gebreke is (gewijzigde eis onder VII.).
d. [geïntimeerde] bij (tussen)arrest te veroordelen om binnen 14 dagen na datum (tussen)arrest,
althans een in goede justitie te bepalen termijn, aan [appellant] te verstrekken dan wel in het geding te brengen:
i. de bankrekeningafschriften van de bankrekening bij de Rabobank met [rekeningnummer1] aangaande de periode 9 december 2003 tot 17
november 2006, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000, althans een
in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] daartoe in
gebreke blijft;
ii. de bankrekeningafschriften van de bankrekening bij de Postbank met
rekeningnummer [rekeningnummer2] aangaande de periode vanaf 9 december 2003 tot 13
januari 2014 en vanaf 13 januari 2014 tot datum opheffing van de bankrekening, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] daartoe in gebreke blijft;
iii. de bankrekeningafschriften van de bankrekening bij de Rabobank met
rekeningnummer [rekeningnummer3] aangaande de periode 9 december 2003 tot en met 28 februari 2018, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] daartoe in gebreke blijft (oorspronkelijke vordering onder I. sub a., b en d.);
iv. de bankrekeningafschriften van de bankrekening bij de Rabobank met
rekeningnummer [rekeningnummer4] aangaande de periode 22
februari 2015 tot en met 28 februari 2018, zulks op straffe van een dwangsom
van € 1.000,- , althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of
dagdeel dat [geïntimeerde] daartoe in gebreke blijft, alsmede de vaststelling van de
verdeling van het saldo (oorspronkelijke vordering onder I. sub e);
v. de bankrekeningafschriften van de bankrekening bij de Rabobank met
rekeningnummer [rekeningnummer5] aangaande de periode 22
februari 2015 tot en met 28 december 2017, zulks op straffe van een
dwangsom van € 1.000,- , althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per
dag of dagdeel dat [geïntimeerde] daartoe in gebreke blijft, alsmede de vaststelling van
de verdeling van het saldo (oorspronkelijke vordering onder I. sub f).
e. daar waar [geïntimeerde] wordt veroordeeld de hiervoor onder c.i. (oorspronkelijke vordering
onder I. sub a) te overleggen en hij daartoe niet tijdig en/of volledig overgaat, de Raborekening . [rekeningnummer1] toe te delen aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] wegens overbedeling te veroordelen aan [appellant] te voldoen € 894,42, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van deze memorie, althans een in
goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening (gewijzigde eis
onder VIII.);
f. daar waar [geïntimeerde] wordt veroordeeld de hiervoor onder c.ii. (oorspronkelijke vordering
onder I. sub b) te overleggen en hij daartoe niet tijdig en/of volledig overgaat, de
Postbankrekening [rekeningnummer2] toe te delen aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] wegens overbedeling te
veroordelen aan [appellant] te voldoen € 2.040,68, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van deze memorie, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening (gewijzigde eis onder IX.);
g. daar waar [geïntimeerde] wordt veroordeeld de hiervoor onder c.iii. (oorspronkelijke vordering onder I. sub d) te overleggen en hij daartoe niet tijdig en/of volledig overgaat, de Raborekening . [rekeningnummer3] toe te delen aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] wegens overbedeling te veroordelen aan [appellant] te voldoen € 32.018,38, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van deze memorie, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening (gewijzigde eis
onder X.);
III. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten van deze procedure waaronder de nakosten, te
vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de 15de dag, althans een in goede
justitie te bepalen ingangsmoment, tot de dag der algehele voldoening.”
Het verweer van [geïntimeerde] zal hierna - voor zover nodig - bij de bespreking van de grieven aan de orde komen.
4. De toelichting op de beslissing van het hof
Het hof neemt bij zijn beoordeling van deze verdelingszaak tot uitgangspunt dat de rechter op de voet van artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de wijze van verdeling van een gemeenschap gelast dan wel de verdeling vaststelt als deelgenoten over de verdeling geen overeenstemming kunnen bereiken. Daarbij houdt de rechter naar billijkheid rekening met de belangen van partijen en, als dat aan de orde is, met het algemeen belang. Daarbij is de rechter die de verdeling vaststelt niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht en behoeft hij niet (expliciet) in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat partijen op grond van artikel 21 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en dat de rechter wanneer deze verplichting niet wordt nageleefd daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
Mede in het licht van daarvan constateert stelt het hof vast dat [appellant] in zijn memorie van grieven betoogt (randnummer 3):
“Het gewezen eindvonnis van 21 februari 2024 is, ondanks vordering van [appellant] en zonder
nadere toelichting van de rechtbank, niet-uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Nu de woning in kwestie aan [geïntimeerde] is toebedeeld met veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] wegens overbedeling te voldoen € 453.667,50 zonder dat is bepaald dat [geïntimeerde] hierover wettelijke rente verschuldigd is, heeft [appellant] noodgedwongen ervoor gekozen c.q. moeten kiezen om geen hoger beroep in te stellen tegen het onderdeel woning. Dit terwijl hij het op onderdelen oneens is met de berekening die de rechtbank in deze heeft gemaakt. Ten tijde van het opstellen van de memorie heeft de levering van de woning aan [geïntimeerde] nog niet plaatsgevonden, evenmin de betaling aan [appellant] .”
En voorts (randnummer 9 aanhef en letter m):
“Deze feiten onderschrijft [appellant] , dit echter met dien verstande dat hij specifiek ook nog
benoemt en herhaalt:
(…)
m. dat bij vonnis d.d. 24 februari 2024 de verdeling van de woning is vastgesteld met
bepaling van de overbedelingsvordering van [appellant] op [geïntimeerde] 11 ad € 453.667,50. Op
moment dat deze memorie wordt opgesteld heeft de levering van de woning nog niet
plaatsgevonden buiten toedoen van [appellant] , en zo heeft [appellant] nog niet ontvangen
genoemd bedrag van [geïntimeerde] .”
De memorie van grieven is door de advocaat van [appellant] ondertekend op 12 augustus 2024.
Uit de memorie van antwoord (producties 42 en 43) blijkt dat zijdens [geïntimeerde] al op 4 april 2024 contact is opgenomen met de notaris om tot verdeling van de woning te komen, dat de akte van verdeling van de woning tussen partijen op basis van het vonnis van 21 februari 2024 is verleden op 8 juli 2024 en dat de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] wegens overbedeling van [geïntimeerde] ten bedrage € 453.667,50 ter gelegenheid van die verdeling aan [appellant] is voldaan.
Ten tijde van het opstellen van de memorie van grieven was de verdeling van de woning dus al geruime tijd afgewikkeld, zodat het gestelde in de memorie van grieven op dat punt op zijn minst genomen niet volledig is. [appellant] heeft dat niet betwist. Hij heeft ook niet getracht een en ander bij te stellen.
In dat kader stelt het hof eveneens vast dat [appellant] het procesdossier uit eerste aanleg niet volledig heeft gefourneerd. De advocaat van [geïntimeerde] heeft, zij het pas de ochtend voor de mondelinge behandeling, alsnog zijn ‘Akte houdende uitlatingen inzake vonnis van 11 mei 2022’ overgelegd. [geïntimeerde] heeft in die akte in de procedure bij de rechtbank gewezen op het naar zijn mening - kort gezegd - onwaarachtige karakter van de uitlatingen van [appellant] in de procedure. Bij die akte heeft [geïntimeerde] daartoe onder meer en onder overlegging van twee uitspraken van de belastingkamer van dit hof gewezen op de opstelling en handelingen van [appellant] in een tussen partijen en de inspecteur van de belastingdienst gevoerde procedure(s) in verband met de zogenoemde ‘inkeerregeling’. Partijen wilden daarvan gebruikmaken voor hun eerder niet aan de fiscus opgegeven aanzienlijke vermogen in het buitenland. De belastingkamer van dit hof heeft op 11 oktober 2016 uitspraak gedaan in de zaken van de partijen. In de zaak van [appellant] heeft de belastingkamer onder meer het volgende overwogen:
“4.3 Aan het voorgaande doet naar het oordeel van het Hof niet af dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard dat alle eerdere verklaringen over zijn gerechtigdheid tot rekening 6743 als ingetrokken moeten worden beschouwd. Belanghebbende heeft daarover verklaard dat hij inderdaad verschillende verklaringen heeft afgelegd, maar dat hij thans, na de laatste wisseling van adviseur, uit wenst te gaan van zijn huidige standpunt en conclusies. Gelet op het nadere standpunt van de Inspecteur zal het Hof thans in het midden laten of de nieuwe verklaring van belanghebbende, in het licht van het standpunt dat hij eerder verdedigde, geloofwaardig is. Het nieuwe standpunt neemt echter niet weg dat aannemelijk is dat belanghebbende over tegoeden in het buitenland beschikte. (…) Het Hof acht niet aannemelijk dat alle verklaringen van belanghebbende [ [appellant] , toevoeging hof] over geschonken vermogen in het buitenland en de wens tot inkeer, slechts betrekking hebben gehad op zijn broer [ [geïntimeerde] , toevoeging hof]. (…)
Ook van die aangifte wist belanghebbende dat zij, door het ontbreken van belangrijke voor de belastingheffing relevante informatie, onjuist was. Belanghebbende moet zich daarvan steeds bewust zijn geweest. Er was immers steeds sprake van ‘om belastingtechnische redenen’ in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen.”
Met de onvolledigheid van het procesdossier geconfronteerd op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellant] verklaard dat de akte weliswaar niet op de lijst van door [appellant] gefourneerde (doorgenummerde) stukken staat, maar dat hij dacht dat het stuk wel was gefourneerd omdat hij anders wel door het hof zou zijn gebeld. Zat het er toch niet bij dan was dat volgens de advocaat van [appellant] geen boos opzet, maar is het volgens hem wel de vraag of de inhoud van de akte van cruciaal belang was gelet op de omvang van het dossier.
Het hof heeft de akte, die aan toelichting tien pagina’s en inclusief bijlagen 84 pagina’s omvat, alsnog aan het procesdossier toegevoegd.
Grief 1: de gebruiksvergoeding
Grief 1 richt zich tegen de door de rechtbank vastgestelde door [geïntimeerde] aan [appellant] per 11 februari 2020 te betalen gebruiksvergoeding voor de woning. Die vergoeding is volgens [appellant] niet redelijk omdat zij eerder dan 11 februari 2020 moet ingaan en bovendien uitgaat van een te laag percentage voor de periode voor 11 februari 2020. Volgens [appellant] is het door de rechtbank gehanteerde rentepercentage van 2% vanaf 11 februari 2020 wel te billijken, maar moet het in de periode daaraan voorafgaand 2,96% bedragen. Die periode dient volgens [appellant] aan te vangen op 22 juli 2011 (vertrek erflaatster uit woning), dan wel op 1 januari 2012, 22 februari 2015 (sterfdatum erflaatster), of 22 juli 2015.
[geïntimeerde] heeft zich daartegen verweerd.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 17 februari 2024 over de ingangsdatum van de gebruiksvergoeding het volgende overwogen:
“2.9. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de gebruiksvergoeding vaststellen
op een bedrag van € 32.870,- en [geïntimeerde] veroordelen tot betaling van dat bedrag, vermeerderd
met de wettelijke rente vanaf heden. [appellant] heeft weliswaar bij brief van 11 februari 2020
aanspraak gemaakt op betaling van een gebruiksvergoeding (zonder termijnstelling), maar
de gebruiksvergoeding is pas vanaf die dag verschuldigd en de omvang ervan is pas bij dit
vonnis vastgesteld.”
Het hof neemt die overweging over. [appellant] heeft ook in hoger beroep niet voldoende gesteld om te concluderen tot een eerdere aanvangsdatum: niet is gebleken dat [appellant] eerder dan 11 februari 2020 aanspraak heeft gemaakt op een gebruiksvergoeding. Aangezien het door de rechtbank per die datum gehanteerde rentepercentage ook volgens [appellant] valt te billijken en hij niet heeft gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de overwaarde, slaagt grief 1 niet.
Grief 2: inboedelgoederen
Grief 2 kent twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de eiswijziging van [appellant] strekkende tot verbeurdverklaring aan [appellant] van (het aandeel van [geïntimeerde] in) de inboedelgoederen nummers 25, 42, 59 en 73 uit het rapport van [naam2] die staan vermeld in het rapport van [naam1] dat als productie 41 aan de zijde van [geïntimeerde] is overgelegd in de procedure bij de rechtbank. [geïntimeerde] voert verweer.
Op grond van artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot. Blijkens de wetsgeschiedenis dient het woord ‘opzettelijk’ ertoe om tot uitdrukking te brengen dat (de sanctie van) art. 3:194 lid 2 BW slechts geldt indien de deelgenoot wist dat de goederen tot de gemeenschap behoorden. Dit brengt mee dat het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet niet reeds kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde.
Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn vordering tot verbeurdverklaring onvoldoende heeft onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] daarvan.
[appellant] lijkt zijn vordering voornamelijk te baseren op het feit dat [geïntimeerde] de vier items ten tijde van de inboedeltaxatie op 29 april 2022 door het [naam2] in opdracht van [appellant] niet aan de taxateur kon tonen, maar deze items later, op 5 juli 2022, wel kon tonen aan de door hemzelf ingeschakelde taxateur, [naam1] . [appellant] heeft niet voldoende toegelicht hoe uit deze gang van zaken blijkt dat [geïntimeerde] ten tijde van de taxatie door het [naam2] (het bestaan van) die items willens en wetens heeft verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden. Het enkele feit dat [geïntimeerde] die zaken na de taxatie door het [naam2] kennelijk alsnog heeft gevonden is daartoe onvoldoende. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde] op eigen initiatief die items alsnog heeft laten waarderen en dat [appellant] de juistheid van die taxatie (de waarde van de items gezamenlijk is vastgesteld op (slechts) € 1.045,00) niet heeft betwist.
Het tweede onderdeel van grief 2 richt zich tegen de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling. [appellant] vindt het stappenplan van de rechtbank niet voldoende duidelijk, omdat het - onder meer - specifieke termijnen en een concreet lotingssysteem ontbeert. Bovendien heeft de rechtbank niet vastgelegd dat partijen gehouden zijn tot afgifte/levering en ten onrechte een dwangsom opgelegd. Ten slot wil [appellant] niet dat goederen naar de kringloop gaan. Zie voor de woordelijke weergave van de wensen van [appellant] hiervoor 3.4 onder letter c. [geïntimeerde] voert verweer: hij vindt het stappenplan duidelijk genoeg.
Ook dit onderdeel van grief 2 faalt. Het hof vermag niet in te zien dat het stappenplan voor een welwillende partij die bovendien juridisch wordt bijgestaan tot onduidelijkheden leidt. [geïntimeerde] heeft laten weten dat hij op basis van het stappenplan tot verdeling wil overgaan. Het komt dus aan op de welwillendheid van [appellant] : gelet daarop heeft [appellant] geen belang bij zijn vordering. Als [appellant] wenst te voorkomen dat inboedelzaken naar de kringloop gaan of worden weggegooid, kan hij die zaken bij de verdeling eenvoudigweg kiezen tegen inbreng van de waarde daarvan, daargelaten dat het hof geen rechtens te honoreren belang ziet in de beantwoording van de door (de advocaat van) [appellant] opgeworpen vraag wie kop en (dus) wie munt krijgt.
Grief 3: banktegoeden
Grief 3 richt zich tegen onderdeel 4.7 van het tussenvonnis van 11 mei 2022 en de onderdelen 2.14 en 3.1 sub c van het vonnis van 21 februari 2024. Die onderdelen luiden als volgt:
“banktegoeden
In de notariële akte van 25 november 2005 worden drie bankrekeningen genoemd
die tot de nalatenschap van erflater zouden behoren, te weten:
- Rabo [rekeningnummer1] (€ 1.788,84)
- Rabo [rekeningnummer3] (€ 64.036,76)
- Postbank [rekeningnummer2] (4.081,37).
Daarnaast worden echter in de stukken nog enkele bankrekeningen genoemd (Rabo met de
nummers [rekeningnummer4] en [rekeningnummer5] ) die noch in voormelde notariële akte zijn vermeld,
noch in de aangifte erfbelasting ter zake van het overlijden van de moeder van partijen. Uit
productie 33 bij conclusie van antwoord in reconventie blijkt dat de rekening met nummer
[rekeningnummer5] een rekening was ten name van de erven van de moeder en dat door [appellant]
en [geïntimeerde] is verzocht het saldo te splitsen over hun rekeningen en de rekening op te heffen.
Ten aanzien van de rekening met nummer [rekeningnummer4] heeft [appellant] in de dagvaarding
(randnummer 30) onweersproken gesteld dat dit een rekening van de moeder van partijen
was, die in 2018 is verdeeld. Hieruit leidt de rechtbank dat beide rekeningen inmiddels zijn
verdeeld en dat er ter zake dus geen beslissing meer genomen hoeft te worden.
Bij de verdeling van banksaldi in het kader van een nalatenschap is de datum van overlijden
van erflater in beginsel het uitgangspunt. Partijen hebben geen feiten of omstandigheden
gesteld die rechtbank aanleiding geven om van dat uitgangspunt af te wijken. Dat betekent
dat moet worden uitgegaan van de banksaldi [in] 2003. Die saldi zijn bekend, zij
staan immers vermeld in de notariële akte van 25 november 2005. Er is dan ook geen
aanleiding [geïntimeerde] te veroordelen tot overlegging van bankafschriften van de rekeningen bij
Rabo met nummers [rekeningnummer1] en [rekeningnummer3] en de rekening bij Postbank met
nummer [rekeningnummer2] .”
en
“banktegoeden
Er is sprake van drie bankrekeningen die tot de nalatenschap van erflater behoren:
- Rabo [rekeningnummer1] (€ 1.788.84)
- Rabo [rekeningnummer3] (€ 64.036.76)
- Postbank [rekeningnummer2] (€ 4.081.37).
Aan elk van partijen komt de helft van voormelde saldi toe.”
en
“De rechtbank
in conventie en in reconventi e
bepaalt de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater als volgt:
(…)
c. verdeelt de hiervoor in 2.14. vermelde banktegoeden aldus dat elk van partijen de
helft van de in 2.14. genoemde saldi toekomt, met veroordeling van degene die over
de rekeningen of de tegoeden daarvan beschikt om aan de ander de helft van de
saldi te betalen;”
Het hof zal grief 3 hierna eerst per rekening weergeven.
Raborekening … [rekeningnummer1]
Ten aanzien van de Raborekening … [rekeningnummer1] vordert [appellant] dat [geïntimeerde] alsnog de afschriften over de periode van 9 december 2003 (sterfdatum erflatere) tot 17 november 2006 (opheffing rekening) aan hem verstrekt. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] het beheer had van die rekening. Als [geïntimeerde] de afschriften niet geeft moet ervan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] het saldo van die rekening heeft gekregen en moet hij de helft daarvan (zijnde € 894,42) alsnog aan [appellant] betalen.
Postbankrekening … [rekeningnummer2]
Van Postbankrekening … [rekeningnummer2] vordert [appellant] verstrekking door [geïntimeerde] van de afschriften van 9 december 2003 tot heden dan wel de dag van opheffing van die rekening. [geïntimeerde] had volgens [appellant] ook het beheer van deze rekening. Als [geïntimeerde] de afschriften niet geeft moet ervan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] het saldo per sterfdatum erflater heeft gekregen en de helft daarvan (zijnde € 2.040,68) aan [appellant] moet betalen.
Raborekening … [rekeningnummer3]
[appellant] wil van [geïntimeerde] de afschriften van 9 december 2003 (saldo € 64.036,76) tot dag opheffing rekening 28 februari 2018 (saldo € 144,02). Ook van deze rekening had [geïntimeerde] het beheer volgens [appellant] . Als [geïntimeerde] de afschriften niet geeft moet ervan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] het saldo per sterfdatum heeft gekregen en de helft daarvan (zijnde € 32.018,38) aan [appellant] moet betalen.
Raborekening … [rekeningnummer4]
Het saldo op deze rekening is volgens [appellant] nog niet verdeeld. [appellant] wil van [geïntimeerde] de afschriften van 22 februari 2015 (sterfdag erflaatster) tot dag opheffing rekening 28 februari 2018. [geïntimeerde] had het beheer van deze rekening, aldus [appellant] . [appellant] heeft op 28 februari 2018 weliswaar de helft van het toen aanwezige saldo gehad, maar dat maakt volgens hem nog niet dat het saldo per sterfdatum erflaatster is verdeeld.
Raborekening … [rekeningnummer5]
Ook het saldo op deze rekening is volgens [appellant] nog niet verdeeld. [appellant] wil van [geïntimeerde] de afschriften van 22 februari 2015 (sterfdag erflaatster) tot dag opheffing rekening 28 december 2017. [geïntimeerde] had het beheer van deze rekening, aldus [appellant] . [appellant] heeft op 28 december 2017 weliswaar de helft van het toen aanwezige saldo gehad, maar dat maakt volgens hem nog niet dat het saldo per sterfdatum erflaatster is verdeeld.
Het hof is als verdelingsrechter niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht en hoeft niet (expliciet) in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd (rov. 4.1.). In dit geval is het ook lastig de stellingen in dit hoger beroep (tegen de achtergrond van de beslissing van de rechtbank) te volgen. Het hof zal daarom een praktische beslissing geven.
Vaststaat dat partijen, ieder voor de helft, gerechtigd zijn tot het saldo op deze rekeningen. Uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die op de rechtsbetrekkingen tussen [geïntimeerde] en [appellant] als deelgenoten van toepassing zijn vloeit voort dat zij elkaar inzage moeten geven in de afschriften van de rekeningen die ieder van hen onder zich heeft. Het hof zal bepalen dat ieder van hen dat moet doen. Verder is het dan aan partijen zelf om de saldi van deze rekeningen bij helfte te delen, voor zover dat nog niet is gebeurd. Als zij daarbij moeilijkheden ondervinden kunnen ze de hulp van een notaris inroepen. Het hof zal ook dat bepalen. In zoverre slaagt grief 3 van [appellant] .
Grief 4: de Toyota
[appellant] heeft de Toyota op 8 juli 2004 verkocht (inruil) voor € 16.000. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] de helft van dat bedrag heeft gehad. [geïntimeerde] betwist dat. [appellant] biedt bewijs aan van zijn stelling door het horen van hemzelf en van [geïntimeerde] .
Een partij moet in hoger beroep tot getuigenbewijs worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, maar zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.
De rechtbank heeft [appellant] niet tot bewijs toegelaten en heeft dat toegelicht (rov. 2.17 van het eindvonnis van 21 februari 2024). De rechtbank overweegt:
“Ten aanzien van zijn verklaring is artikel 164, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, op grond waarvan [appellant] verklaring omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Dat onvolledige bewijs is er niet, althans dat is ook naar aanleiding van een eerder vonnis niet overgelegd. Als te horen getuigen zijn genoemd [appellant] en [geïntimeerde] . Beiden hebben bij de mondelinge behandeling al verklaard over het al dan niet gedaan zijn van de betaling. Andere mogelijke getuigen zijn niet genoemd. Dat er nu aanleiding is te veronderstellen dat [geïntimeerde] , anders dan hij tot nu toe (ook ter zitting) heeft gedaan, zal erkennen dat hij de betaling heeft ontvangen. is gesteld noch gebleken. De rechtbank passeert daarom het bewijsaanbod.”
Het hof sluit zich aan bij deze overweging van de rechtbank. Op zich is het bewijsaanbod van [appellant] voldoende specifiek, maar van [appellant] had in dit geval wel mogen worden verwacht dat hij aannemelijk had gemaakt dat [geïntimeerde] iets anders zou kunnen verklaren over de stelling die [appellant] wil bewijzen dan [geïntimeerde] in dit geding al heeft verklaard. [appellant] zegt nog dat hij buiten zijn stelling om de geloofwaardigheid van [geïntimeerde] in het algemeen wil testen, maar daarvoor ziet het hof geen ruimte. Zelfs als zou blijken dat [geïntimeerde] in het algemeen ongeloofwaardig is, zegt dat nog niets over zijn geloofwaardigheid ten aanzien van de betaling van de overbedelingsvordering voor de Toyota. Grief 4 faalt.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt niet met uitzondering van grief 3. Het hof zal de beslissing van de rechtbank naar aanleiding daarvan aanvullen (r.o. 4.15).
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat dit geding de verdeling van de nalatenschap van de vader van partijen betreft.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 mei 2022, 14 september 2022 en 21 februari 2024;
bepaalt aanvullend dat [appellant] en [geïntimeerde] elkaar inzage moeten geven in de afschriften van de rekeningen die ieder van hen onder zich heeft en de saldi van deze rekeningen bij helfte moeten verdelen, zo nodig met hulp van een notaris die de meest gerede van hen daartoe opdracht zal geven;
compenseert de proceskosten van dit geding in hoger beroep;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, J.H. Lieber en P.G. Knoppers en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.