ECLI:NL:GHARL:2026:3725

ECLI:NL:GHARL:2026:3725

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer 200.352.074
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Verzoek herroeping ex art. 382 Rv niet-ontvankelijk: vordering is niet ingesteld binnen de vereiste termijn van drie maanden (art. 383 lid 1 Rv). Ten overvloede: ook grondslag voor herroeping ontbreekt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof (herroepingsprocedure): 200.352.074

zaaknummer gerechtshof (hoger beroep): 200.031.888

arrest van 9 juni 2026

in de zaak van

[appellant] (de man)

die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]

advocaat: mr. R.H. van den Beeten

en

[geïntimeerde] (de vrouw)

die woont in [woonplaats2]

advocaat: voorheen mr. A.J.M. van Haaren, nu mr. N. van de Gevel.

1. Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

2. De kern van de zaak

Op 3 april 2012 heeft het gerechtshof Arnhem arrest gewezen in een zaak tussen partijen die ging over de afwikkeling van het tussen partijen in de huwelijkse voorwaarden opgenomen, maar niet uitgevoerde, periodieke verrekenbeding. Het hof heeft in dat arrest de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Arnhem van 23 april 2008 en 11 maart 2009 vernietigd en opnieuw rechtdoende de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 94.510,66, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 86.510,66, vanaf 11 maart 2009 tot aan de dag dat is betaald en het meer of anders gevorderde afgewezen. De man vordert herroeping van het arrest.

Het hof komt tot het oordeel dat het herroepingsverzoek niet slaagt omdat de vordering te laat is ingesteld en verklaart de man niet-ontvankelijk.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

juridisch kader (artikel 382 Rv)

Op grond van artikel 384 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) moet een vordering tot herroeping worden ingesteld bij de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. Dat was in dit geval het hof. Het rechtsmiddel moet ingevolge artikel 383 lid 1 Rv worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De man stelt dat hij in november 2024 zijn administratie in het huis van zijn moeder heeft aangetroffen en hij heeft de vrouw op 3 maart 2025 gedagvaard. Aan voormeld vereiste is dus niet voldaan, omdat de vordering niet is ingesteld binnen de vereiste termijn van drie maanden. Dat de man zijn vordering eerst bij verzoekschrift heeft ingediend en na intrekking daarvan de vordering opnieuw bij dagvaarding aanhangig heeft gemaakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. In de verzoekschriftenprocedure heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot herroeping, omdat de man dat verzoek had ingetrokken (beschikking hof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2025); in die procedure kon het hof vanwege de intrekking door de man van zijn verzoek de wisselbepaling van artikel 69 Rv niet toepassen.

Ten overvloede overweegt het hof dat ook de vervolgroute van artikel 382 Rv niet tot heropening van de procedure had kunnen leiden, nu een grondslag voor herroeping ontbreekt. Alleen in de gevallen die in artikel 382 Rv zijn opgesomd, staat het buitengewone rechtsmiddel van herroeping open. De man onderkent dat de onderhavige situatie niet rechtstreeks past onder één van de gronden van artikel 382 Rv, maar meent dat sprake is van een buitenwettelijke grondslag.

De man beroept zich op bewijsnood ontstaan door wijziging van de wet waarop niet geanticipeerd kon worden, maar die volgens hem wel past in de systematiek van de door de wetgever beoogde herzieningsmogelijkheid. Hij voert daartoe aan dat hij en zijn boekhouder zich sinds het sluiten van het huwelijk nooit hebben gerealiseerd dat er ooit een wetsbepaling zou komen die bij het niet toepassen van het verrekenbeding hem zou verplichten om aan te tonen dat aan het begin van het huwelijk er vermogen op zijn naam stond. Kort samengevat kon hij in 1989 (het jaar waarin partijen trouwden) en de jaren daarna niet op bedacht zijn dat hij jaarstukken zou moeten bewaren, aldus de man.

Het hof kan de man in zijn betoog niet volgen. De man is destijds door de rechtbank en door het hof voldoende in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in het geding te brengen. Daar heeft hij onvoldoende voor gedaan. Dat betekent dat van bewijsnood geen sprake is (geweest). De man en zijn onderneming waren destijds (1989) gedomicilieerd bij zijn moeder. De man ontving de betreffende stukken (jaarstukken van zijn B.V. over 1989 en de jaren daaromheen) van zijn onderneming dus op dit adres. Ter zitting heeft de man dat ook verklaard en ook dat hij die stukken daar inzag en bij zijn verhuizing met de vrouw deze stukken (kennelijk) niet heeft meegenomen maar zich kan herinneren dat hij de stukken ook niet heeft weggegooid. Het had voor de hand gelegen dat hij, tijdens de procedure bij de rechtbank en daarna bij het hof, navraag bij zijn moeder had gedaan of de stukken er nog waren. Dat de man dit heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico, nu immers het vinden van nader bewijs op zich nog geen grond oplevert om de eenmaal afgesloten procedure weer te kunnen openen.

conclusie

Omdat de man in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in deze herroepingsprocedure veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

De kosten van de vrouw worden begroot op:

- griffierecht € 362

- salaris advocaat (3 punten x tarief II ad. € 1.290 =) € 3.870

totaal € 4.232.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk,

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van haar proceskosten tot vandaag begroot op € 4.232, maar ook tot betaling van de nakosten,

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente, en

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.H.F. van Vugt, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/407
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand