[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
Hoger beroep
Verdachte heeft beperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Het hoger beroep is niet gericht tegen de gegeven vrijspraak voor het onder 1 tenlastegelegde feit.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 26 mei 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen van opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 300 gram cocaïne tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal de teruggave aan verdachte gevorderd van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 365,00. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, hebben aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 300 gram cocaïne. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank teruggave gelast aan verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 365,00 en de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis ten aanzien van de bewezenverklaring, met aanvulling van de motivering, en de strafbaarheid van verdachte. Ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit en de strafoplegging komt het hof tot andere beslissingen. Op die onderdelen vernietigt het hof het vonnis.
Aanvullende overwegingen met betrekking tot het bewijs
In hoger beroep heeft de verdediging het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald, inhoudende dat de verklaringen van aangever [aangever] en getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] onbetrouwbaar zijn. Zo verklaren met name [aangever] en [getuige 1] meermalen wisselend en tegenstrijdig en komen de verklaringen van de getuigen allemaal uit het zogenoemde ‘kamp’ van [aangever] .
Het hof constateert dat [aangever] en de overige getuigen consequent verklaren dat verdachte degene is die [bijnaam] wordt genoemd, dat de Seat waarin de cocaïne is vervoerd ter beschikking is gesteld door [bijnaam] en dat [aangever] , toen zij onderweg waren, telefonische contacten heeft gehad met [bijnaam] . [aangever] heeft bovendien verklaard dat hij, toen de auto bij [bedrijf] uit [plaats] werd opgehaald, van [bijnaam] hoorde dat het pakketje met drugs achter het hitteschild bij de uitlaat in het midden van de auto zat, en dat hij het pakketje daar ook aan heeft getroffen. Zowel [aangever] als [getuige 3] verklaren dat [bijnaam] zich gaandeweg de rit met het vervoer van de drugs heeft bemoeid. [getuige 1] verklaart dat de Seat de smokkelauto was. Naast [aangever] hebben ook de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] het pakketje, verpakt in plastic, gezien. Volgens [getuige 2] en [getuige 4] heeft [aangever] dit pakketje onder de bestuurdersstoel gelegd, waar het door de politie bij de doorzoeking van de Seat ook is aangetroffen.
Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat [aangever] en de getuigen op hoofdlijnen – voor zover hier van belang – gelijkluidend en consistent hebben verklaard. Het gegeven dat daarbuiten verschillen in de verklaringen waar te nemen zijn, doet niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen op voornoemde punten. Het gegeven dat [aangever] en [getuige 1] broer en zus zijn en dat zij vrienden zijn met de overige getuigen (dat zij allen uit ‘hetzelfde kamp’ komen), leidt naar het oordeel van het hof evenmin tot de conclusie dat hun verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn.
Het hof acht, evenals de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van 300 gram cocaïne. Hiermee heeft hij een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in ons land en daarbuiten. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en veroorzaken onrust en overlast in de samenleving.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij weliswaar eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige. Het hof weegt dit dus niet in strafverzwarende zin mee.
Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte aangegeven dat hij, ondanks een recent uitgezeten detentie met betrekking tot een ander strafbaar feit, zijn huurwoning heeft kunnen behouden. Een nieuwe detentie zal ertoe leiden dat hij alsnog zijn huurwoning zal gaan verliezen. Verdachte werkt sinds enkele jaren als accountmanager. Hij heeft sinds februari 2026 een vaste aanstelling en wil in de toekomst graag gaan samenwonen met zijn vriendin.
Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straf, inhoudende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest, in beginsel juist. Het hof zal echter, op een andere manier dan de rechtbank dat heeft gedaan, rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, en kiest in verband daarmee voor een andere strafmodaliteit voor wat betreft de onvoorwaardelijk op te leggen straf.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en noodzakelijk. Om de ernst van het bewezenverklaarde te benadrukken en om verdachte maximaal te stimuleren niet opnieuw strafbare feiten te begaan, zeker niet van deze ernst, acht het hof in dit geval daarnaast tevens oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaar aangewezen. Met deze strafoplegging krijgt verdachte de kans om verder te gaan met de positieve lijn die hij heeft ingezet.
Beslag
Het hof gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van
€ 365,00. Dit geldbedrag kan niet in verband worden gebracht met strafbaar handelen en evenmin zijn gronden aanwezig voor verbeurdverklaring.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 365,00.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, mr. G.A. Versteeg en mr. H.K. Elzinga, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 juni 2026.