ECLI:NL:GHARL:2026:3755

ECLI:NL:GHARL:2026:3755

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer Wahv 200.357.589/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

1. De omstandigheid dat de betrokkene (een leasemaatschappij) de gemachtigde rechtstreeks - zonder tussenkomst van de leaserijder - heeft gemachtigd maakt de machtiging niet ontoereikend. 2. Dat de machtiging niet is ondertekend door beide - gezamenlijk bevoegde - bestuurders van de betrokkene maakt niet dat deze onbevoegd is afgegeven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht,

[betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Noord-Nederland van 20 mei 2025, betreffende

beweerdelijk optredend namens,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De kantonrechter heeft het beroep van M.J.M. Bergers (hierna: Bergers) tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Bergers heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van Bergers tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit de door Bergers overgelegde machtigingen niet blijkt of

[lessee] (lessee) door de betrokkene is gemachtigd om in beroep te gaan en Bergers als gemachtigde in te schakelen. Ook overweegt de kantonrechter dat uit de machtiging blijkt dat deze is ondertekend door één bestuurder van [betrokkene], terwijl uit het bevoegde KvK-uittreksel blijkt dat de bestuurders enkel gezamenlijk bevoegd zijn.

2. Bergers voert aan dat de betrokkene het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Aan de betrokkene is gevraagd om een machtiging en een KvK-uittreksel aan te leveren van [naam] B.V. (naar het hof begrijpt: [betrokkene] N.V.). De betrokkene heeft een

KvK-uittreksel aangeleverd en een machtiging overgelegd. Vervolgens heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De betrokkene meent als leaserijder dat er sprake is van excessief formalisme en discriminatie. Als leaserijders zelf beroep instellen worden dergelijke drempels namelijk niet opgeworpen. In onderhavige zaak is het volstrekt duidelijk dat de heer [lessee] een auto heeft geleased bij [betrokkene] N.V. (hierna: [betrokkene] . Deze maatschappij heeft aan de leaserijder een machtiging verstrekt. Verder merkt de gemachtigde op dat een machtiging uit andere geschriften kan blijken dan enkel een machtiging die door twee bestuurders is ondertekend, zoals bijvoorbeeld een afschrift van de sanctie zelf. Bovendien is in onderhavige zaak reeds een machtiging overgelegd die is afgedrukt op het briefpapier van [betrokkene] . Dit betreft een standaard machtiging die al jaren wordt gebruikt en geaccepteerd.

3. De officier van justitie heeft het door de betrokkene ingestelde administratief beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing kan de betrokkene, [betrokkene] , gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wahv, beroep instellen bij de rechtbank.

4. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd van een (beweerdelijk) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Als de kantonrechter vaststelt dat een schriftelijke machtiging als hiervoor bedoeld ontbreekt dan wel niet toereikend is, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gekregen het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn en is meegedeeld dat

niet-ontvankelijkverklaring kan volgen als het verzuim niet binnen die termijn is hersteld.

5. In het dossier zoals dat bij het instellen van beroep bij de kantonrechter is overgelegd, bevindt zich slechts een machtiging van de heer [lessee] (de leaserijder), waarin hij Bergers machtigt om namens hem op te treden in deze zaak. Een machtiging waarin [betrokkene] dat doet, of waarin [betrokkene] de heer [lessee] machtigt om namens de betrokkene beroep in te stellen, bevindt zich niet in het dossier. Gelet hierop is de gemachtigde terecht verzocht om een machtiging van [betrokkene] over te leggen en, nu [betrokkene] een rechtspersoon betreft, eveneens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

6. Naar aanleiding van het verzoek heeft de gemachtigde bedoeld uittreksel overgelegd en een machtiging, op briefpaper van [betrokkene] , waarin de gemachtigde wordt gemachtigd namens [betrokkene] beroep in te stellen. De machtiging vermeldt het kenteken van het voertuig waarmee de vermeende gedraging is verricht, de pleegdatum en het CJIB-nummer. De machtiging is ondertekend door de managing director van [betrokkene] , [managing director] . Deze is, zo blijkt uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, bestuurder van [betrokkene] en gezamenlijk met een andere bestuurder (de finance director) bevoegd om [betrokkene] te vertegenwoordigen.

7. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen maakt de omstandigheid dat Leaseplan niet de heer [lessee] heeft gemachtigd, niet dat de overgelegde machtiging ontoereikend is. [betrokkene] is als betrokkene degene die gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wahv beroepsgerechtigd is en kan de gemachtigde rechtstreeks -zonder tussenkomst van de leaserijder- machtigen.

8. Dat de machtiging niet is ondertekend door beide -gezamenlijk bevoegde- bestuurders van [betrokkene] maar slechts door een van hen brengt niet mee dat deze als onbevoegd afgegeven terzijde moet worden gesteld. Het afgeven van een machtiging is van een andere orde dan het nemen van de beslissingen waarvoor de in het handelsregister opgenomen verplichting geldt dat deze alleen door de gezamenlijke bestuurders mogen worden genomen. Op basis van de door de gemachtigde overgelegde machtiging kan genoegzaam worden aangenomen dat [betrokkene] de gemachtigde heeft gemachtigd om namens haar in deze zaak beroep in te stellen.

9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter Bergers in de onderhavige zaak ten onrechte niet aangemerkt als gemachtigde van de betrokkene. De beslissing van de kantonrechter kan niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

10. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990. eenrichtingsverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 september 2023 om 17:13 uur op de Schietbaanweg in Emmen met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De officier van justitie heeft het administratief beroep tegen deze beschikking ongegrond verklaard.

11. De gemachtigde voert aan dat er op het moment van de gedraging sprake was van het EK wielrennen en dat de buurt waar de bestuurder van het voertuig van de betrokkene woont, toen slecht toegankelijk was. Iedereen moest via de Schietbaanweg de wijk in en uit rijden, terwijl daar voor een deel eenrichtingsverkeer is ingesteld en je eigenlijk een andere route had moeten volgen. Door het evenement was de bebording onduidelijk.

12. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat de weg werd gebruikt in de richting waarin deze gesloten is. De tekst op het onderbord luidde: “Uitgezonderd (brom-)fietsen”. De uitzondering(en), genoemd op het onderbord, was (waren) niet van toepassing.

Overtreden artikel: 62 jo. bord C2 RVV 1990. (…)Reden geen staandehouding: ik, verbalisant, bevond mij op dusdanige afstand van het betrokken voertuig dat ik niet in de gelegenheid was om het voertuig middels een stopteken te doen stoppen. Ik was op dat moment te voet. Bijlagen: een fotoblad. (…)”

13. In het dossier bevindt zich een foto van het bord C2 (verboden in te rijden) met onderbord “uitgezonderd (brom-)fietsen”.

14. Dat de gedraging is verricht wordt niet betwist. Gelet op hetgeen is aangevoerd dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten.

15. Door de gemachtigde is niet aannemelijk gemaakt dat de situatie ter plaatse zo onduidelijk was dat de betrokkene geen verwijt van de gedraging kan worden gemaakt. Daarbij overweegt het hof dat juist als er in het straatbeeld omstandigheden zijn die voor onduidelijkheid zouden kunnen zorgen, zoals hier omleidingen door het wielerevenement, het de verantwoordelijkheid van de weggebruiker is om extra oplettend te zijn en zich te vergewissen van de aanwezige bebording. Deze grond faalt.

16. Verder voert de gemachtigde aan dat de ambtenaar tot staandehouding had kunnen overgaan nu hij naast zijn dienstvoertuig stond te kijken naar het wielerevenement. In beginsel mag er wel uit worden gegaan van de verklaring van een ambtenaar, maar in dit geval is er een gedetailleerde beschrijving van de bestuurder van het voertuig van de betrokkene, die nadien ook de ambtenaar nog heeft gesproken. Gelet hierop had het op de weg van de officier van justitie gelegen om een aanvullend proces-verbaal op te vragen bij de ambtenaar in kwestie.

17. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

18. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Daarom mocht de ambtenaar in dit geval volstaan met het bekeuren op kenteken. Dat de bestuurder de ambtenaar op een later moment zou hebben gesproken, wat daar overigens ook van zij, betekent niet dat aan de betrokkene als kentekenhouder geen sanctie mocht worden opgelegd. Nadere informatie in de vorm van een aanvullend proces-verbaal is niet nodig. Ook deze grond faalt.

19. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren. Aanleiding voor een proceskostenvergoeding is er niet.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Pranger

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand