[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. B.I. Keukens, is aangevoerd.
Het vonnis
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 15 juni 2025 te [plaats] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde] , hoofdagent, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door: - weg te rennen, - die [benadeelde] bij de haren vast te pakken, - die [benadeelde] meermalen tegen het hoofd te slaan, - het hoofd van die [benadeelde] (tegen een muur) te duwen, althans tegen het hoofd van die [benadeelde] aan te duwen, - de nek van die [benadeelde] vast te pakken, - die [benadeelde] in een nekklem en/of houdgreep vast te houden, - zijn armen weg te trekken en/of - zijn armen met kracht te buigen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een wond bij de elleboog, een schram in de hals en/of een wond aan de rechterzijde van het gezicht van die [benadeelde] ten gevolge heeft gehad.
2.hij op of omstreeks 15 juni 2025 te [plaats] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door haar meermalen de woorden toe te voegen: "ik maak je dood", althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [benadeelde] , in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie.
3.hij op of omstreeks 15 juni 2025 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e, derde lid, Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, hulpofficier van justitie [ambtenaar] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken met een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op 15 juni 2025 te [plaats] , zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde] , hoofdagent, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:
- weg te rennen,
- die [benadeelde] bij de haren vast te pakken,
- die [benadeelde] meermalen tegen het hoofd te slaan,
- het hoofd van die [benadeelde] (tegen een muur) te duwen,
- de nek van die [benadeelde] vast te pakken,
- die [benadeelde] in een nekklem en/of houdgreep vast te houden,
- zijn armen weg te trekken en
- zijn armen met kracht te buigen,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een wond bij de elleboog, een schram in de hals en een wond aan de rechterzijde van het gezicht van die [benadeelde] ten gevolge heeft gehad.
2.hij op 15 juni 2025 te [plaats] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door haar meermalen de woorden toe te voegen: "ik maak je dood", terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [benadeelde] , in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie;
3.hij op 15 juni 2025 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e, derde lid, Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, hulpofficier van justitie [ambtenaar] , belast met de uitoefening van enig toezicht, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken met een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. In beginsel zou de oplegging van een kale gevangenisstraf logisch zijn, in verband met de aard en ernst van de feiten en de OM-richtlijnen voor soortgelijke feiten. Gelet op de schorsing van de voorlopige hechtenis in een andere niet-onherroepelijke strafzaak van verdachte, waarbij aan hem bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, acht de advocaat-generaal het van belang dat pad niet te doorkruisen. Verdachte krijgt daarom het voordeel van de twijfel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan te sluiten bij de eis van de advocaat-generaal, met uitzondering van de duur van de taakstraf. Ten aanzien van de oplegging van de taakstraf wordt verzocht om matiging, zodat het voor verdachte behapbaar blijft om deze uit te voeren. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in de andere strafzaak van verdachte, houdt hij zich aan de bijzondere voorwaarden en is hij niet meer met politie en justitie aanraking geweest.
Oordeel van het hof
Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van de raadsvrouw van verdachte, mr. B.I. Keukens. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd, inhoudende als volgt.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal ernstige strafbare verwijten. Het is een beangstigende gebeurtenis geweest voor het slachtoffer, die veel impact op haar heeft gemaakt. In beginsel was de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf van 3 weken, met aftrek van het voorarrest, waarvan één week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een passende afdoening.
Het hof heeft echter ook oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn toegelicht door de raadsvrouw. Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte in een andere strafzaak met de daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden niet moet worden doorkruist.
Alles afwegende acht het hof – evenals gevorderd door de advocaat-generaal – een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof ziet geen reden om de taakstraf te matigen, vanwege de aard en ernst van de strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 800,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd.
De benadeelde partij doet in de vordering tot schadevergoeding een beroep op twee gronden voor toewijzing van immateriële schade, te weten lichamelijk letsel en aantasting in de persoon.
Gelet op het handelen van verdachte en het lichamelijk letsel bij de benadeelde partij, acht het hof een bedrag van € 500,00, passend. Dat deel moet door de verdachte worden vergoed.
Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon. Het hof wijst daarom de rest van de gevorderde schade van € 300,00 af.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 181, 184 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 28 (achtentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. F.E.J. Goffin en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 mei 2026.