GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.366.421
(zaaknummer rechtbank Gelderland 455641)
beschikking van 18 juni 2026
over het gezag over [de mindejarige]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. J.W.J. Hopmans,
en
[verweerder] (de vader),
die woont in [woonplaats] ,
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
als adviseur van het gerechtshof,
en als informant:
de gecertificeerde instelling,
Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI),
die is gevestigd in Apeldoorn.
1. Samenvatting
De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders te wijzigen naar eenhoofdig gezag van de moeder afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [de mindejarige] ( [de mindejarige] ), geboren [in] 2021, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De vader heeft [de mindejarige] erkend.
[de mindejarige] woont bij de moeder.
[de mindejarige] staat sinds 7 juli 2025 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 7 juli 2026.
3. De procedure bij de rechtbank
De moeder heeft de rechtbank verzocht haar alleen te belasten met het gezag over [de mindejarige] .
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen.
Die beslissing is vastgelegd in een eindbeschikking van 18 december 2025.
4. De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. De moeder verzoekt het hof om haar alsnog het eenhoofdig gezag toe te kennen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift ontvangen op 16 maart 2026;
- een brief van de GI.
De zitting bij het hof was op 9 juni 2026. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.
5. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof is van oordeel dat aan beide wettelijke criteria voor toewijzing van het verzoek van de moeder is voldaan. Het hof legt dat hierna uit.
Er is een onaanvaardbaar risico dat [de mindejarige] klem of verloren raakt tussen de ouders en het is niet te verwachten dat daarin binnen afzienbare termijn verbetering komt. De vader is door zijn persoonlijke problematiek in sommige periodes lastig en in andere periodes helemaal niet te bereiken. Dit blijkt uit de informatie van de moeder en de GI. De GI heeft de vader in februari en maart 2026 niet kunnen bereiken. Ook de moeder heeft daarmee problemen ervaren. Zij heeft toegelicht dat [de mindejarige] therapie nodig heeft, maar zij kan de vader niet bereiken om daarvoor zijn toestemming te krijgen. Ook op het verzoek om toestemming voor de aanvraag van een identiteitskaart voor [de mindejarige] reageert de vader niet. Binnen afzienbare termijn is er ook geen verbetering te verwachten. De moeder heeft toegelicht dat het al jaren niet goed gaat met de vader. Ook de GI heeft beschreven dat de vader het zwaar heeft, dat hij nu zijn verslaving onder controle heeft, maar dat dit gepaard gaat met veel vermijdingsgedrag.
Ook anderszins is wijziging van het gezag in het belang van [de mindejarige] noodzakelijk. De vader heeft tijdens het gesprek met de GI laten weten dat hij nu niet voor zich ziet dat hij structureel contact heeft met [de mindejarige] . Hij heeft ook gezegd dat hij niet structureel iets kan betekenen in het leven van [de mindejarige] en dat hij niet in staat is om de verantwoordelijkheid over de opvoeding van [de mindejarige] op zich te nemen. Dit betekent dat, hoewel de moeder de vader informeert en heeft toegezegd dit te zullen blijven doen bij een toewijzing van haar verzoek, de vader onvoldoende zicht heeft op hoe [de mindejarige] zich ontwikkelt en wat hij nodig heeft. Dat is wel nodig om keuzes in zijn belang te kunnen maken.
De raad heeft op de zitting in hoger beroep geadviseerd om het gezamenlijk gezag niet in stand te laten. De vader is in deze procedure niet verschenen, maar heeft bij de rechtbank al gezegd dat hij het eens is met het verzoek van de moeder.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de beslissing van de rechtbank, gelet op de ontwikkelingen in de afgelopen periode, niet in stand moet blijven en het verzoek van de moeder alsnog moet worden toegewezen (de beslissing wordt vernietigd).
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van
18 december 2025 en:
beëindigt het gezamenlijk gezag over [de mindejarige] en bepaalt dat de moeder alleen belast is met het gezag;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, H. Phaff en L.R. Davila Talavera, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.