GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.368.838
zaaknummer rechtbank C/16/24/141 R
arrest van 30 juni 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [appellante]
advocaat: mr. J.M. van der Linden
1. De procedure bij de rechtbank
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) heeft bij vonnis van 30 september 2024 ten aanzien van [appellante] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Daarbij is J. van Rijen tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder).
De rechtbank heeft bij vonnis van 4 mei 2026 de looptijd van de schuldsaneringsregeling met zes maanden verlengd na het eerste moment waarop de uitspraak onherroepelijk kan worden.
2. De procedure bij het hof
Bij op 12 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 mei 2026 Zij heeft het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog te beslissen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] wordt beëindigd, met verlening van de schone lei, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift,
- een reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift met bijlagen 1 tot en met 14,
- een e-mail van de bewindvoerder met aanvulling van de ontbrekende pagina’s van bijlage 2 bij bijlage 14 van haar reactie
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026, waarbij namens [appellante] is verschenen mr. Van der Linden. Verder is de bewindvoerder verschenen.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
De feiten en het oordeel van de rechtbank
[appellante] is een alleenstaande moeder. Zij ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling heeft [appellante] aangegeven dat zij vanwege medische klachten niet in staat was om te werken. De bewindvoerder heeft toen voorgesteld de rechter-commissaris te verzoeken om een keuring te laten plaatsvinden. De bewindvoerder heeft in november 2024 een verzoek ingediend voor een medische keuring, die op 10 maart 2025 heeft plaatsgevonden. De keuringsuitslag is op 11 augustus 2025 door de bewindvoerder aan [appellante] toegezonden. Van de gemeente heeft [appellante] van juni 2025 tot 1 december 2025 in het kader van haar uitkering een vrijstelling gekregen van de arbeidsverplichtingen. [appellante] is op enig moment via de werkcoach van de gemeente gestart met het traject Samen Doen. Zij heeft via dit traject sollicitatietraining gekregen. Vanaf 1 december 2025 heeft zij sollicitatiebewijzen gestuurd naar de bewindvoerder en sinds 11 mei 2026 is zij werkzaam op basis van een nulurencontract en solliciteert [appellante] verder naar een baan voor 36 uur per week.
De rechtbank heeft op grond van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) beoordeeld of [appellante] in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en of deze tekortkoming aan haar kan worden toegerekend. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] aan die verplichtingen heeft voldaan, behalve dat zij in de periode tussen de aanvang van de schuldsanering en 1 juni 2025 de op haar rustende inspanningsverplichting niet is nagekomen door niet te solliciteren. Dat zij niet heeft gesolliciteerd in die periode, valt haar toe te rekenen. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling moet worden verlengd met 6 maanden.
Het oordeel van het hof
Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen. Dat betekent dat de beslissing om de schuldsaneringsregeling voor [appellante] te verlengen niet in stand blijft en aan haar alsnog een schone lei zal worden verleend. Het hof legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.
- Het toetsingskader
Op grond van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) moet bij het einde van de wsnp-termijn worden beoordeeld of de schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de regeling voortvloeiende verplichtingen en, als dat zo is, of de tekortkoming aan hem kan worden toegerekend. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of de tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar heeft ontbroken aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Als er sprake is van een toerekenbare tekortkoming kan de rechter bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (artikel 354 lid 2 Fw). De rechter kan ook besluiten om de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw).
Een van de verplichtingen in het kader van de wsnp is dat de schuldenaar zich moet
inspannen om zo veel mogelijk inkomsten te genereren voor zijn schuldeisers. Deze verplichting houdt onder meer in dat van de schuldenaar die geen of onvoldoende betaalde werkzaamheden verricht, wordt verlangd dat hij gericht solliciteert naar (aanvullend) betaald werk. Dit is alleen anders als de schuldenaar in het kader van de wsnp is vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.
- De inspanningsverplichting
Het hof stelt voorop dat in hoger beroep slechts de inspanningsverplichting over de periode van 30 september 2024 tot 1 juni 2025 ter beoordeling voorligt. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij in deze zaak het [appellante] niet wil toerekenen dat zij in de periode van juni 2025 tot 1 december 2025, toen haar door de gemeente een ontheffing van de sollicitatieplicht was verleend, niet heeft gesolliciteerd. Dit oordeel blijft in hoger beroep overeind. Dat [appellante] heeft voldaan aan de overige uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen staat bovendien vast.
[appellante] heeft niet betwist dat zij in de periode van 30 september 2024 tot 1 juni 2025 niet heeft gesolliciteerd en evenmin dat zij in het kader van de wsnp niet was vrijgesteld van haar sollicitatieplicht. [appellante] is daarmee in die periode tekortgeschoten in de nakoming van een uit de regeling voortvloeiende verplichting. Zij stelt dat deze tekortkoming haar vanwege haar medische klachten, die van psychische aard zijn, niet kan worden toegerekend. [appellante] wijst in dit verband ook op de vrijstelling tussen 1 juni en 1 december 2025 van arbeidsverplichtingen die zij van de gemeente heeft ontvangen. [appellante] betoogt dat die vrijstelling bevestigt dat zij ook in de periode vóór 1 juni 2025 niet kon werken, omdat deze medische klachten al lange tijd voor 1 juni 2025 bestonden. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het niet nakomen van de sollicitatieverplichting in dit geval niet aan [appellante] kan worden toegerekend. Het hof acht hierbij het volgende van belang.
Volgens de bewindvoerder heeft zij [appellante] herhaaldelijk schriftelijk en mondeling op haar sollicitatieplicht gewezen. Ter onderbouwing heeft de bewindvoerder verwezen naar haar brieven van 21 oktober 2024, 11 augustus 2025, 10 november 2025 en 23 december 2025, naar haar wsnp-verslagen en naar (telefoon)gesprekken die zij met [appellante] heeft gevoerd, onder meer, direct na toelating, tijdens het huisbezoek op 9 oktober 2024. Wat betreft de stukken zien alleen de brief van 21 oktober 2024 en de eerste drie verslagen op de in hoger beroep relevante periode.
De bewindvoerder heeft na het huisbezoek in de brief van 21 oktober 2024 aan [appellante] geschreven:
“Arbeidsverplichting/sollicitatieverplichting
Gedurende de schuldsaneringsregeling geldt een arbeidsverplichting. Dit houdt in dat u fulltime (36 uur per week) moet werken. U heeft geen werk. U heeft aangegeven dat u vanwege medische klachten op dit moment niet in staat bent om te werken. Per e-mail van 10 oktober 2024 heb ik u het verzoek gedaan om een aantal stukken op te sturen over uw medische situatie. Voor zover bekend heeft u deze niet opgestuurd.
Ik verzoek u vriendelijk om voor 24 oktober 2024 de volgende gegevens op te sturen :
- Schriftelijk verzoek voor de rechter-commissaris voor een ontheffing van de
sollicitatieplicht. In de toelichting moet u aangegeven wat uw medische klachten zijn;
- Recente medische stukken (bijvoorbeeld een behandelplan van uw psycholoog en
een toelichting van uw psycholoog) waaruit blijkt dat u niet kunt werken;
Medicatieoverzicht (dit kunt u opvragen bij de apotheek);
Kopie brief van de gemeente inzake de tijdelijke ontheffing van de arbeidsplicht.
Na ontvangst van de stukken kan ik deze voorleggen aan de rechter-commissaris met het verzoek om een keuring te laten plaatsvinden zodat bepaald kan worden of u in staat bent om te werken”
Het is gelet op de in de vorige overweging aangehaalde tekst – de bewindvoerder vraagt bijvoorbeeld niet om sollicitatiebewijzen – begrijpelijk dat [appellante] uit deze brief heeft afgeleid dat er eerst een keuring zou plaatsvinden en dat daarna zou worden beslist of zij in staat was om te werken. Naar het oordeel van hof heeft de bewindvoerder met deze brief niet duidelijk (genoeg) aan [appellante] laten weten dat zij ondanks dat zij zelf dacht dat zij vanwege medische klachten niet kon werken en ondanks dat er een medische keuring zou plaatsvinden, toch gehouden was te solliciteren.
In het aanvangsverslag van 11 november 2024 staat: “Saniet heeft aangegeven dat zij vanwege medische klachten niet in staat is om te werken. De bewindvoerder zal de rechter-commissaris het verzoek doen ermee in te stemmen dat er een keuring kan plaatsvinden zodat bepaald kan worden of saniet per heden in staat is om te werken”. In het vervolgverslag van 3 februari 2025 staat vervolgens aanvullend alleen vermeld: “De rechter-commissaris heeft de afgelopen verslagperiode bepaald dat er een keuring moet plaatsvinden zodat bepaald kan worden of en voor hoeveel uur per week saniet in staat is om te werken. De bewindvoerder heeft de keurende instantie het verzoek gedaan om saniet op te roepen voor een keuring”. In het verslag van 7 mei 2025 staat aanvullend op het voorgaande nog “De keuring heeft op 10 maart 2025 plaatsgevonden. Tot op heden is er geen keuringsuitslag ontvangen”.
Ook uit deze verslagen blijkt niet dat duidelijk met [appellante] is gecommuniceerd dat zij - ondanks dat er een keuring was aangevraagd die uiteindelijk pas geruime tijd na aanvraag heeft plaatsgevonden - ook in de tussenliggende periode gehouden was te solliciteren. Als [appellante] kennis heeft genomen van deze verslagen is niet onaannemelijk dat bij haar de indruk is versterkt dat met de uitslag van de keuring zal worden bepaald of [appellante] in staat is om te werken en of zij gehouden is te solliciteren.
Het hof acht verder van belang dat de bewindvoerder, nadat de keuring op 10 maart 2025 had plaatsgevonden, het keuringsrapport pas op 11 augustus 2025 aan [appellante] heeft toegezonden. Uit de brief van 11 juni 2026 en de daarbij gevoegde bijlagen die de bewindvoerder in hoger beroep heeft overgelegd, volgt dat de bewindvoerder ook pas vanaf 11 augustus 2025 in haar correspondentie [appellante] is gaan wijzen op de verplichting om sollicitatiebewijzen aan te leveren. Deze correspondentie valt echter buiten de in hoger beroep ter beoordeling voorliggende periode. Niet is gebleken dat de bewindvoerder er bij [appellante] al eerder op heeft aangedrongen dat zij, hangende de uitslag van de keuring, sollicitatiebewijzen diende in te leveren. Doordat de bewindvoerder het keuringsrapport pas op 11 augustus 2025 aan [appellante] heeft toegezonden, is aan [appellante] bovendien de kans ontnomen om tijdig de inhoud van de keuring ter discussie te stellen (bijvoorbeeld omdat, zoals haar advocaat op de zitting heeft gesteld, haar mentale klachten niet in de keuring zijn meegenomen omdat die keuring volgens [appellante] alleen op haar fysieke gezondheid was gericht).
De bewindvoerder heeft op de mondelinge behandeling weliswaar enerzijds aangevoerd dat zij de keuringsuitslag al vóór 11 augustus 2025 met [appellante] heeft besproken en dat zij [appellante] er meermaals telefonisch op heeft gewezen dat zij moest solliciteren, maar zij heeft er kennelijk anderzijds tot 11 augustus 2025 niet op aangedrongen dat [appellante] sollicitatiebewijzen inleverde. De bewindvoerder heeft bovendien in haar eindverslag van 10 januari 2026 aangegeven dat [appellante] naar haar mening tot december 2025 vanwege psychische klachten niet in staat was om op zoek te gaan naar een baan en heeft de rechter-commissaris verzocht geen nadelige gevolgen te verbinden aan het feit dat [appellante] vanaf aanvang van de schuldsaneringsregeling tot 1 december 2025 niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Dat de bewindvoerder tegenover [appellante] geen duidelijk standpunt heeft ingenomen over haar sollicitatieverplichting en dat in de communicatie met [appellante] niet eenduidig is aangegeven wat van haar werd verwacht kan haar, gezien de feiten en omstandigheden die in het dossier en tijdens de zitting naar voren zijn gekomen, niet worden toegerekend.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de wsnp zal worden beëindigd met toekenning van de schone lei aan [appellante] .
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 mei 2026 en beslist als volgt:
stelt vast dat [appellante] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;
verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst, waarna de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt conform artikel 358 lid 1 Fw niet langer afdwingbaar zijn en daarmee aan [appellante] de schone lei is verleend.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.G.B. Pikkemaat, G.P. Oosterhoff en M.P.M. Hennekens, en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door M.P.M. Hennekens en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.