GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1944, 24/1945 en 24/1946
uitspraakdatum: 30 juni 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 21 oktober 2024, nummer ARN 22/4404, 22/4405 en 23/4104 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende zijn drie naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd: één over de jaren 2012 en 2013 (hierna: naheffingsaanslag 2012/13), één over het jaar 2014 (hierna: naheffingsaanslag 2014), en één over het vierde kwartaal 2022 (hierna: naheffingsaanslag 2022). Bij beschikkingen is belastingrente berekend en zijn vergrijpboetes (2012/13 en 2014) en een verzuimboete (2022) opgelegd.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen 2012/13 en 2014 verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft hij de vergrijpboetes vernietigd. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2022 en de verzuimboete ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag 2012/13 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft de overige beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende de heer [naam1] en, namens de Inspecteur, [naam2] bijgestaan door [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2. Vaststaande feiten
Belanghebbende is opgericht op 12 februari 2009. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit management- en advieswerkzaamheden bij verschillende opdrachtgevers.
De enige aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende is vanaf haar oprichting de heer [naam1] . Hij was, volgens de gegevens in de Basisregistratie personen, samen met zijn echtgenote mevrouw [naam5] in de periode van 2012 tot en met 2014 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] .
Belanghebbende heeft vanaf het jaar 2009 van haar bestuurder en zijn echtgenote (hierna gezamenlijk: verhuurder) een (kantoor)ruimte gehuurd gelegen aan de achterzijde van het woonhuis aan de [adres] te [woonplaats] ; deze achterzijde heeft als adres: [adres2] te [woonplaats] . Ten aanzien van deze huursituatie bevat het dossier voor het jaar 2014 geen schriftelijk huurcontract. Tussen partijen staat vast dat voor deze huursituatie de jaarhuurprijs in 2014 € 18.000 bedroeg, en dat verhuurder geen facturen met omzetbelasting terzake van deze huur aan belanghebbende heeft uitgereikt. Verder staat tussen partijen vast dat verhuurder over 2014 geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend.
Jaren 2012 tot en met 2014
De Inspecteur heeft een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015 bij belanghebbende ingesteld. Het onderzoek is uitgebreid met de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2011 tot en met 2015 en de aangiften inkomstenbelasting van de heer [naam1] en zijn echtgenote voor de jaren 2011 tot en met 2016.
Naar aanleiding van de voorlopige resultaten van het boekenonderzoek en ter behoud van rechten heeft de Inspecteur met dagtekening 25 november 2017 de naheffingsaanslag 2012/2013 opgelegd. Op 28 december 2019 heeft hij de naheffingsaanslag 2014 opgelegd.
Op 27 november 2017 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag 2012/2013 en op 7 januari 2020 heeft zij bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag 2014.
Het definitieve controlerapport is op 21 april 2020 aan belanghebbende toegestuurd. Het rapport vermeldt ten aanzien van de onder 2.3 beschreven huursituatie het volgende:
‘5. Vennootschapsbelasting (…)
Huur
De huur ziet op de kantoorruimte [adres2] welke door de vennootschap wordt gehuurd van de heer en mevrouw [familienaam] .
Hiervoor is per controlejaar een contract aanwezig.
In de diverse besprekingen is de huur aan de orde geweest.
De volgende bedragen zijn overeengekomen:
2012 € 18.000
2013 € 18.000
2014 € 18.000
(…) Voor de jaren 2012 tot en met 2014 is met genoemde bedragen rekening gehouden bij de resultaatbepaling. (…)
6. Omzetbelasting (…)
Voorbelasting (…)
2014 en 2015 huur
Zoals omschreven bij onderdeel 5.1.4. van dit rapport wordt een kantoorruimte gehuurd.
De huur is niet belast geweest met omzetbelasting. Hiervoor is namelijk geen optieverzoek ingediend, het is niet als zodanig opgenomen in het jaarlijkse huurcontract en er is tussen partijen ook niet naar gehandeld.
In de gewijzigde kostenoverzichten van de jaren 2014 en 2015 is ter zake van de huur wel voorbelasting in aftrek genomen.
Correctie 2014 € 3.780
Correctie 2015 € 3.780’
Nadat belanghebbende is gehoord heeft de Inspecteur op 10 februari 2022 de motiveringen van de uitspraken op bezwaar aan belanghebbende gestuurd.
De Inspecteur heeft met dagtekening 11 maart 2022 (naheffingsaanslag 2012/13) en 6 mei 2022 (naheffingsaanslag 2014) uitspraken op bezwaar gedaan. Na de uitspraken op bezwaar bedroeg het nageheven bedrag aan omzetbelasting over 2012/13 € 58.083 en over 2014 € 57.798. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, voor zover hier van belang, de correctie 2014 ad € 3.780 (zie 2.7) gehandhaafd. De opgelegde vergrijpboeten zijn bij uitspraak op bezwaar voor beide naheffingsaanslagen vernietigd.
Vierde kwartaal 2022
Op 14 januari 2023 heeft belanghebbende de aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober tot en met 31 december 2022 ingediend met een te betalen bedrag van € 6.496.
In verband met het niet betalen van het op de aangifte vermelde bedrag heeft de Inspecteur met dagtekening 25 februari 2023 aan belanghebbende de naheffingsaanslag 2022 opgelegd. Gelijktijdig met het opleggen van deze naheffingsaanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 194 opgelegd.
Belanghebbende heeft op 15 maart 2023 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag 2022. De Inspecteur heeft het bezwaar met dagtekening 7 april 2023 ongegrond verklaard. Belanghebbende is in de bezwaarfase niet uitgenodigd voor een hoorgesprek en is ook niet gehoord.
Voorafgaand aan de zitting bij de Rechtbank heeft de Inspecteur op 5 juni 2024 een email gestuurd met daarin de volgende passage:
‘Geachte heer [naam1] ,
Ik heb u vorige week en deze week geprobeerd telefonisch te bereiken, maar ik kreeg u helaas niet te pakken. Daarom stuur ik u deze mail.
Zoals bekend lopen er momenteel meerdere procedures bij de rechtbank inzake [belanghebbende] BV. Eén van deze procedures heeft betrekking op het vierde kwartaal 2022 (zaaknummer ARN 22/4104 OB). Voor wat betreft deze procedure valt het mij op dat u aangeeft dat het belastingbedrag over het vierde kwartaal 2022 (€ 6.496) verminderd dient te worden met een suppletie. Kijkend in onze systemen dan is mij geen suppletie over dit tijdvak bekend.
Wellicht is een compromis mogelijk voor deze procedure ?
Indien u mij het (belasting)bedrag doorstuurt wat volgens u aan btw verschuldigd is over het vierde kwartaal 2022 met daarbij een onderbouwing waarom volgens u dit het juiste bedrag is, dan ben ik bereid om hier naar te kijken. Wellicht met als gevolg dat wij tot een compromis kunnen komen voor wat betreft dit tijdvak.
Ik hoor graag van u en alvast bedankt.’
Belanghebbende heeft niet gereageerd op deze e-mail.
Procesverloop in hoger beroep
Partijen zijn op 2 september 2025 uitgenodigd voor een zitting bij het Hof op 26 november 2025. Belanghebbende heeft in september 2025 nadere stukken ingediend, en de Inspecteur heeft daarop in een nader stuk van 29 oktober 2025 gereageerd. Vervolgens heeft belanghebbende zich op 25 november 2026 ziekgemeld voor de zitting bij het Hof en gevraagd om de zitting te verplaatsen. Op 21 november 2025 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Op 27 januari 2026 zijn partijen uitgenodigd voor een zitting bij het Hof op 24 maart 2026. Op 15 maart 2026, binnen 10 dagen vóór de geplande zitting, heeft belanghebbende een aanvulling op het hoger beroepschrift en een pleitnota ingediend. Belanghebbende heeft zich op 23 maart 2026 ziekgemeld voor de zitting bij het Hof en gevraagd om de zitting te verplaatsen. Partijen zijn op 23 maart 2026 geïnformeerd dat de zitting zal worden gehouden op 21 april 2026. De Inspecteur heeft op 24 maart 2026 een pleitnota ingediend.
Goedkeurend Besluit
In de Staatscourant 2023, 31602 van 14 december 2023 is het Besluit onroerende zaken omzetbelasting gepubliceerd, waarin onder meer het volgende staat:
‘5.8.2. Ingangsdatum optie
Het komt voor dat partijen onbedoeld geen verzoek hebben gedaan om toepassing van de optie voor belaste verhuur of de keuze voor toepassing van de optie niet hebben vastgelegd in de huurovereenkomst. De datum waarop de inspecteur het verzoek van de partijen inwilligt om de verhuur van een onroerende zaak te belasten, kan in principe niet liggen vóór de datum waarop de partijen het optieverzoek hebben ingediend dan wel vóór de datum van ondertekening van een schriftelijke huurovereenkomst waarin de optie is vastgelegd. Ook komt het voor dat in de schriftelijke huurovereenkomst niet is voldaan aan (een of meer van) de formele voorwaarden voor toepassing van de optie belaste verhuur die worden genoemd in artikel 6a, tweede lid, van de uitvoeringsbeschikking en om die reden de optie voor belaste verhuur geen toepassing kan vinden. De gevolgen van voorstaande vind ik niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van artikel 63 van de Awr (hardheidsclausule). Daarbij maak ik onderscheid tussen de situatie waarin niet is gehandeld alsof rechtsgeldig is geopteerd voor belaste verhuur en die waarin dit wel is gedaan.
5.8.2.1. Er is gehandeld alsof rechtsgeldig is geopteerd voor belaste verhuur
Goedkeuring
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de optie voor belaste verhuur aanvangt op de datum die is genoemd in het optieverzoek van partijen dan wel op de datum die is opgenomen in de gewijzigde schriftelijke huurovereenkomst, als die is gelegen vóór de datum van indiening van het verzoek of de wijziging van de huurovereenkomst.
Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
1. Er is gedurende de hele periode waarvoor wordt verzocht om toepassing van de optie voor belaste verhuur dan wel de periode zoals opgenomen in de aanpassing van de schriftelijke huurovereenkomst voldaan aan de 90%-norm (voor bepaalde branches en sectoren aan de 70%-norm, zie § 5.8.1) die geldt voor toepassing van de optie belaste verhuur; en
2. Partijen hebben gedurende de hele periode gehandeld alsof rechtsgeldig is gekozen voor belaste verhuur. Dat wil zeggen dat btw is berekend en op de factuur is vermeld en dat partijen daarmee de gevolgen aanvaarden die wet- en regelgeving verbindt aan de optie voor belaste verhuur. De instemming van partijen moet blijken uit de feiten en omstandigheden.
Deze goedkeuring kan ook toepassing vinden als in de schriftelijke huurovereenkomst niet is voldaan aan de formele voorwaarden voor toepassing van de optie belaste verhuur die worden genoemd in artikel 6a, tweede lid, van de uitvoeringsbeschikking. Het formele gebrek dient te worden hersteld binnen een redelijke termijn nadat partijen hiervan op de hoogte zijn.
5.8.2.2. Er is niet gehandeld alsof rechtsgeldig is gekozen voor belaste verhuur
Goedkeuring
Ik keur goed dat de inspecteur aansluit bij de datum van ingang die is genoemd in het optieverzoek of de schriftelijke verhuurovereenkomst waarin partijen hebben geopteerd voor belaste verhuur, als deze niet meer dan drie maanden ligt vóór de datum waarop het verzoek is ingediend of de (aangepaste) huurovereenkomst is ondertekend.’
3. Geschil
In hoger beroep zijn in geschil de antwoorden op de volgende vragen:1) Is het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag 2012/13 terecht niet-ontvankelijk verklaard door de Rechtbank? Zo nee, heeft de Inspecteur de verschuldigde omzetbelasting in de naheffingsaanslag 2012/13 op het juiste bedrag vastgesteld?
2) Dient de naheffingsaanslag 2014 te worden verminderd met een bedrag van € 3.780, zijnde het bedrag waarvoor de Inspecteur de door belanghebbende in aftrek gebrachte voorbelasting ten aanzien van de huur van de kantoorruimte (zie 2.3) heeft geweigerd en nageheven?
3) Heeft de Rechtbank het niet-horen in bezwaar ten aanzien van (het bezwaar tegen) de naheffingsaanslag 2022 al dan niet terecht gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
4. Beoordeling van het geschil
Beoordeling ontvankelijkheid beroep naheffingsaanslag 2012/13
De Rechtbank heeft de ontvankelijkheidsvraag ten aanzien van het beroep inzake de naheffingaanslag 2012/13 als volgt beoordeeld (voetnoten niet overgenomen):
‘17. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur. Een beroep is op tijd ingediend wanneer deze voor het eind van de termijn is ontvangen. Als een beroepschrift te laat wordt ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
18. De uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag voor de jaren 2012 tot en met 2013 is gedagtekend 11 maart 2022. De termijn voor het indienen van het beroep eindigde dus op 22 april 2022. Belanghebbende heeft op 12 mei 2022 beroep ingesteld bij de inspecteur, welke door hem is ontvangen op 18 mei 2022 en is doorgezonden aan de rechtbank.
19. Belanghebbende heeft betoogd dat hij de motivering op bezwaar van 10 februari 2022 niet ontvangen heeft omdat de inspecteur deze naar het verkeerde (oude) adres heeft verzonden. Na het doorgeven van het juiste adres heeft de inspecteur de motivering opnieuw aan belanghebbende toegestuurd. Naar aanleiding van de motivering heeft belanghebbende beroep ingesteld.
20. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2022 naar het juiste (nieuwe) adres is verzonden. Belanghebbende heeft de ontvangst van de uitspraak op bezwaar desgevraagd ter zitting ook niet betwist. In de uitspraak op bezwaar wordt onder andere vermeld “Bent u het niet met ons eens? Wat u dan kunt doen, hangt af van wat voor bericht u hebt ontvangen.” en “Hebt u een uitspraak op een bezwaar? Dan kunt u bij de rechtbank in beroep gaan. Dat moet binnen 6 weken na de datum van de uitspraak (…). Bij welke rechtbank u in beroep moet gaan, leest u op belastingdienst.nl/bezwaar.” Naar het oordeel van de rechtbank was voor belanghebbende duidelijk kenbaar dat hij binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak op bezwaar beroep had moeten instellen. Indien belanghebbende voor het instellen van beroep afhankelijk was van de motivering van de uitspraak op bezwaar had het op zijn weg gelegen om kort na de ontvangst van de uitspraak op bezwaar aan de inspecteur te vragen naar de motivering van de uitspraak en om, nu hij dat niet heeft gedaan, aannemelijk te maken dat hij met de instelling van beroep kon wachten tot hij daarover (op 29 april 2022) beschikte. Desgevraagd heeft belanghebbende verklaard dat het toesturen van de verschillende brieven verwarrend voor hem was, maar niet is duidelijk geworden waarom hij afhankelijk was van de motivering van het bezwaar. Voorts was belanghebbende reeds bekend met de inhoud van de motivering door het voornemen op uitspraak op de bezwaarschriften van 24 juli 2020 en de daarop volgende correspondentie en het hoorgesprek. Evenmin is duidelijk geworden waarom belanghebbende pas zes weken na ontvangst van de uitspraak op bezwaar, namelijk op 22 april 2022, aan de inspecteur heeft gevraagd om de motivering van de uitspraak. Gelet op vorenstaande is de rechtbank geen verontschuldiging van het verzuim gebleken en is het beroep voor de naheffingsaanslag voor de jaren 2012 tot en met 2013 niet-ontvankelijk.’
Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat de motivering van het bezwaarschrift naar het onjuiste adres is gestuurd. Een andere reden voor de te late indiening van het beroep heeft belanghebbende in hoger beroep niet gegeven. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende de ontvangst van de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2022 niet betwist. Het Hof acht de in 4.1 geciteerde overwegingen van de Rechtbank juist en maakt deze tot de zijne. Het beroep tegen de naheffingsaanslag 2012/2013 is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Naheffingsaanslag 2014
Het geschil in hoger beroep betreft de vraag of belanghebbende recht op aftrek heeft van voorbelasting ten aanzien van de huur van (kantoor)ruimte (zie 2.3). Belanghebbende heeft namelijk voorbelasting in aftrek gebracht, als ware de huur van de kantoorruimte belast met omzetbelasting, terwijl de Inspecteur van mening is dat de verhuur/huur verplicht is vrijgesteld van omzetbelasting.
Het Hof overweegt als volgt. Artikel 11, lid 1, aanhef en letter b, aanhef van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) stelt de (ver)huur van onroerende zaken vrij van omzetbelasting. Deze (ver)huur kan alleen worden uitgezonderd van deze omzetbelastingvrijstelling (en dus met omzetbelasting worden belast), indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 11, lid 1, letter b, aanhef en ten vijfde, Wet OB. Deze voorwaarden houden – onder meer – in dat óf uit de schriftelijke verhuurovereenkomst óf uit een bij de inspecteur ingediend gezamenlijk optieverzoek moet blijken dat verhuurder en huurder ervoor hebben gekozen om de omzetbelasting-vrijstelling buiten toepassing te laten. Niet in geschil is dat verhuurder en huurder geen optieverzoek als bedoeld in 11, lid 1, letter b, ten vijfde, Wet OB hebben ingediend, en ook niet in geschil is dat er – ten aanzien van 2014 – voor de kantoorruimte geen schriftelijke huurovereenkomst is gesloten waarin is gekozen voor een met omzetbelasting belaste verhuur. Verder staat vast dat verhuurder geen facturen met omzetbelasting aan belanghebbende heeft uitgereikt. Ook heeft belanghebbende, in de persoon van de heer [naam1] (die tevens verhuurder is) ter zitting verklaard dat verhuurder over 2014 geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de verhuur van de kantoorruimte door verhuurder aan belanghebbende van omzetbelasting is vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, letter b, aanhef, Wet OB. Terzake van de huur die van omzetbelasting is vrijgesteld kan belanghebbende geen voorbelasting in aftrek brengen. Daaraan doet niet af dat belanghebbende wel voldoet aan de voorwaarde uit artikel 11, lid 1, letter b, ten vijfde, Wet OB dat zij – in beginsel – tenminste 90% van haar voorbelasting in aftrek kan brengen, omdat zij zelf omzetbelasting berekent en afdraagt over haar eigen omzet.
Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat zij, met een beroep op paragraaf 5.8.2.1 van het Besluit onroerende zaken omzetbelasting (zie 2.15), met terugwerkende kracht kan opteren voor met omzetbelasting belaste verhuur, en dus recht op aftrek heeft van voorbelasting op de huur, en dat de Inspecteur haar op dat Besluit uit 2023 had moeten wijzen. Deze beroepsgrond faalt. Vast staat namelijk dat verhuurder over de huurprijs geen omzetbelasting aan belanghebbende op factuur in rekening heeft gebracht, en dat verhuurder ook geen omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat verhuurder en belanghebbende niet hebben gehandeld alsof er rechtsgeldig is geopteerd voor belaste verhuur, zodat deze paragraaf van het Besluit toepassing mist.
Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat het niet verlenen van aftrek geen recht doet aan de materiële werkelijkheid, de economische realiteit en het neutraliteitsbeginsel. Deze stelling slaagt niet. Haar wens om aftrek van voorbelasting te verkrijgen, terwijl haar dienstverrichter die omzetbelasting niet aan haar heeft gefactureerd, en ook niet aan de fiscus heeft afgedragen, is in strijd met het beginsel van het gemeenschappelijke BTW-stelsel, dat sprake moet zijn van een algemene verbruiksbelasting die strikt evenredig is aan de prijs van goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal handelingen dat tijdens het productie- en distributieproces plaatsvindt. Onderdeel van dit stelsel is dat wanneer een ondernemer een van omzetbelasting vrijgestelde dienst inkoopt, waarbij de dienstverrichter dus ook geen omzetbelasting afdraagt aan de fiscus, er geen recht op aftrek van omzetbelasting op de aanschaf van die dienst bij die ondernemer die die vrijgestelde dienst heeft ingekocht bestaat. Door toch omzetbelasting in aftrek te willen brengen die door de dienstverrichter niet aan haar is gefactureerd en ook niet aan de fiscus is afgedragen, wordt dit dragende beginsel van de omzetbelastingsystematiek verstoord, en komt de Nederlandse schatkist tekort.
De Inspecteur heeft derhalve terecht de door belanghebbende wel in aftrek gebrachte voorbelasting terzake van de van omzetbelasting vrijgestelde huur van € 3.780 gecorrigeerd. Al hetgeen belanghebbende in haar hoger beroepschrift en de overige door haar overgelegde stukken overigens nog heeft gesteld, maakt dat oordeel niet anders.
Vierde kwartaal 2022
Bij het Hof ligt de vraag voor of de Rechtbank het niet-horen in bezwaar ten aanzien van (het bezwaar tegen) de naheffingsaanslag 2022 al dan niet terecht gepasseerd heeft met toepassing van artikel 6:22 Awb. Deze vraag moet worden beantwoord tegen de volgende achtergrond.
Belanghebbende heeft de door haar in haar aangifte omzetbelasting aangegeven verschuldigde omzetbelasting over het vierde kwartaal 2022 niet betaald. (zie 2.10) De Inspecteur heeft dat niet-betaalde bedrag vervolgens nageheven en een verzuimboete opgelegd (zie 2.11). De door belanghebbende ingediende bezwaargrond luidt: ‘De aanslag dient anders te worden opgelegd’. De Inspecteur heeft dat bezwaar afgewezen. Belanghebbende heeft in beroep de volgende zinnen in haar beroepschrift van 13 april 2023 opgenomen: ‘De aanslag dient volledig te worden aangepast met suppletie Q4 2022. Ik kom graag naar de zitting met de stukken om toe te lichten en te onderbouwen’. In haar nader stuk van 19 juli 2023 aan de Rechtbank zijn de volgende zinnen opgenomen: ‘De aanslag dient te worden aangepast: de te betalen BTW dient te worden verlaagd met EUR 5.040,- belaste huur en suppletie vorige jaren. Ik kom graag naar zitting om dit toe te lichten en te onderbouwen met stukken’. De Inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting bij de Rechtbank aan belanghebbende en aan de Rechtbank melding gemaakt van het feit dat er geen suppletie van belanghebbende is ontvangen (2.13). Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank volgt dat belanghebbende zijn aanbod dat hij met een toelichting en onderbouwing zou komen - van een lager verschuldigd bedrag dan vermeld op haar aangifte - niet gestand gedaan. De Rechtbank heeft geconstateerd dat de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet heeft gehoord, en heeft die omissie gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb, met vergoeding van griffierecht. Zij heeft ook geoordeeld dat de naheffingsaanslag 2022 tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft in haar hoger beroepschrift geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de Rechtbank dat de naheffingsaanslag 2022 tot het juiste bedrag is opgelegd. Pas in haar nadere stuk van 15 maart 2026 in hoger beroep heeft zij aangevoerd dat de Inspecteur heeft erkend dat zij niet is gehoord in bezwaar, en dat de Rechtbank dat vormverzuim niet had mogen passeren, en dat daarom de naheffingsaanslag 2022 vernietigd dient te worden. Op zitting van het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat het Hof de zaak terug moet wijzen naar de Inspecteur, zodat alsnog een hoorgesprek kan plaatsvinden.
Het Hof overweegt als volgt. De naheffingsaanslag 2022 is opgelegd op basis van de door belanghebbende zelf ingediende aangifte. Zij heeft daarbij verklaard die aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te hebben ingevuld. Zij heeft in haar stellingname in bezwaar, in beroep en in hoger beroep geen feiten aangevoerd op basis waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat zij destijds de aangifte heeft gedaan naar een te hoog bedrag. De hierboven onder 4.8. opgenomen, geciteerde zinnen, die zij in beroep naar voren heeft gebracht, zijn blote stellingen die iedere feitelijke grondslag missen, en zijn hiertoe onvoldoende. Bovendien heeft belanghebbende volgens het proces-verbaal op de zitting bij de Rechtbank, in reactie op de opmerking van de rechter dat zij meer stukken moet overleggen om gelijk te krijgen, verklaard dat zij alles heeft laten zien. In hoger beroep heeft belanghebbende ook niet meer aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat zij aangifte heeft gedaan naar een te hoog bedrag. De van belang zijnde feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn, zijn in deze dat belanghebbende een aangifte heeft ingediend naar een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 6.496, dat belanghebbende dat aangegeven bedrag niet heeft betaald, en dat belanghebbende haar stelling dat de naheffingsaanslag 2022 anders moet worden opgelegd niet met stukken kan onderbouwen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in deze omstandigheden door de gang van zaken niet is benadeeld. De Rechtbank heeft daarom terecht het vormverzuim van niet-horen in bezwaar met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd. Dat betekent dat het Hof de zaak niet terugwijst naar de Inspecteur. De naheffingsaanslag 2022 is, conform de ingediende aangifte, voor het juiste bedrag opgelegd.
Omdat belanghebbende het door haar op aangifte verschuldigde omzetbelasting niet aan de fiscus heeft voldaan, heeft de Inspecteur een verzuimboete van € 194 opgelegd. Deze boete is naar het oordeel van het Hof passend en geboden.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
4. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Harthoorn, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. R. Zeldenrust als griffier.
De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(R. Zeldenrust) (M. Harthoorn)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.