GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.360
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 554951
arrest van 7 juli 2026
in de zaak van
Everizone B.V.
die is gevestigd in Zeist
advocaat: mr. M.R. Ruygvoorn
en
[geïntimeerde]
die geen bekende woonplaats of werkelijke verblijfplaats in Nederland heeft
en die niet is niet verschenen in deze procedure
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Everizone heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 17 januari 2024 tussen partijen en anderen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
2. De kern van de zaak en de aanleiding voor dit tussenarrest
Everizone is eind 2018 opgericht met [naam1] en [naam2] als indirecte grootaandeelhouders en bestuurders. [geïntimeerde] trad op als CEO. Everizone is nu een lege vennootschap met alleen [naam1] als indirect bestuurder. Volgens Everizone hebben [naam2] en zijn vennootschappen Social Media Europe B.V. en TMA B.V. (hierna: SME en TMA, en samen met [naam2] : SME c.s.) samen met [geïntimeerde] ervoor gezorgd dat Everizone zonder product en middelen is achtergelaten en haar concrete ‘corporate opportunities’ (zakelijke kansen) heeft verloren.
Everizone heeft SME c.s. en [geïntimeerde] gedagvaard en bij de rechtbank kort gezegd gevorderd (1) voor recht te verklaren dat SME c.s. en [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, (2) SME c.s. en [geïntimeerde] te veroordelen om de schade die Everizone als gevolg daarvan heeft geleden te vergoeden, op te maken bij staat, (3) SME c.s. en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 4.000.000 en (4) inzage te gebieden in de gegevens die de deurwaarder na het bewijsbeslag heeft gesepareerd. [geïntimeerde] is ook in eerste aanleg niet verschenen. SME c.s. heeft verweer gevoerd. Zij hebben betwist dat zij Everizone corporate opportunities hebben ontnomen.
De rechtbank heeft, bij vonnis van 17 januari 2024, de vorderingen tegen [geïntimeerde] en tegen SME c.s. afgewezen. Everizone heeft in dezelfde dagvaarding [geïntimeerde] en SME c.s. opgeroepen en hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Vervolgens is bij dit hof in afzonderlijke procedures voortgeprocedeerd tegen [geïntimeerde] (deze procedure met zaaknummer 200.350.360) en tegen SME c.s. (in een procedure met zaaknummer 200.348.639).
De bedoeling van het door Everizone ingestelde hoger beroep in de zaak tegen [geïntimeerde] is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen. In de memorie van grieven is een wijziging van de eis onder (1) opgenomen, in die zin dat Everizone primair een verklaring voor recht vordert dat SME c.s. en [geïntimeerde] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Everizone, ten gevolge waarvan er een aannemelijke kans is dat Everizone schade heeft geleden, voor welke schade SME c.s. en [geïntimeerde] hoofdelijk jegens Everizone aansprakelijk zijn, en subsidiair een verklaring voor recht dat SME c.s. en [geïntimeerde] ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van Everizone, ten gevolge waarvan SME c.s. en [geïntimeerde] hoofdelijk jegens Everizone aansprakelijk zijn voor de schade van Everizone tot het bedrag van de verrijking.
Het is het hof ambtshave bekend dat in de procedure tussen Everizone en SME c.s. (zaaknummer 200.348.639) op 23 juni 2026 een eindarrest is gewezen, waarbij het vonnis van de rechtbank is bekrachtigd en de vorderingen van Everizone tegen SME c.s. zijn afgewezen.
Op grond van artikel 19 lid 1 Rv baseert de rechter zijn oordeel niet op gegevens waarover partijen zich niet voldoende hebben kunnen uitlaten. In de procedure tussen Everizone en [geïntimeerde] is genoemd eindarrest een gegeven in de zin van dit artikel. Het hof zal Everizone in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de betekenis van dit eindarrest in de procedure tussen Everizone en [geïntimeerde] . Everizone kan daartoe een akte nemen, van maximaal vijf pagina’s. Het hof heeft vastgesteld dat de memorie van grieven van Everizone in de zaak tegen [geïntimeerde] zowel SME c.s. als [geïntimeerde] als geïntimeerden vermeld. Het hof gaat er – behoudens tegenbericht – dan ook van uit dat de memorie van grieven in deze zaak inhoudelijk identiek is aan de memorie van grieven in de zaak tegen SME c.s.
3. De beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de roldatum van 4 augustus 2026 voor het nemen van de onder 2.6 bedoelde akte door Everizone; en
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, M.S.A. van Dam en G.R. den Dekker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.