[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1937 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. P.T. van Jaarsveld, en de [benadeelde] hebben aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift. De politierechter heeft verdachte hiervoor veroordeeld tot een geldboete van € 350,00, te vervangen door 7 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toegewezen, bestaande uit een bedrag van € 425,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en ter hoogte van datzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 december 2023 te [plaats] ,
opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand,
door tenlastelegging van een bepaald feit,
met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven,
door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een bericht, althans een geschrift, te plaatsen en/of te verspreiden (onder de bewoners van [locatie] in een mede door hem, verdachte, uitgegeven [krant] met de tekst (zakelijk weergegeven):
"Op 30 november verscheen onze secretaris bij het Openbaar Ministerie in Groningen, omdat [benadeelde] bij de politie aangifte had gedaan van mishandeling door de secretaris van de Bewonersvereniging. De rechter oordeelde anders. Omdat zij de secretaris aanrandde heeft de secretaris zich verdedigd en daardoor werd deze zaak geseponeerd. [benadeelde] moet nu zelf de kosten betalen voor haar gebroken bril en vernielde gehoorapparaat. Inmiddels is deze betreffende dame verhuisd en de rust in de [locatie] wedergekeerd", althans woorden van gelijkende aard en/of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet het bedoeling heeft gehad om aangeefster te beledigen. Hij wilde juist de geruchten over zichzelf wegnemen en heeft daarbij gehandeld uit noodzakelijke verdediging van zijn eigen goede naam. Daarbij komt dat het bericht niet geschikt is om de integriteit van aangeefster aan te tasten en lijkt het middel ook niet geschikt te zijn om daadwerkelijk de eer en goede naam van aangeefster aan te randen. Ook is het de vraag of er met de mededelingen in [krant] sprake is van het ter kennis van het publiek brengen, nu het blad slechts voor een beperkte kring verkrijgbaar is. Tot slot ziet de tenlastelegging op 21 december 2023, terwijl het er sterk op lijkt dat het blad op de eerste dag van de maand is verspreid.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring van smaadschrift te kunnen komen is vereist dat opzettelijk iemands eer of goede naam wordt aangerand door de telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Voor smaadschrift is het niet vereist dat de beschuldiging niet waar is. Ook telastlegging van ware feiten kan strafwaardig zijn.
Voor de beoordeling van de strafbaarheid van de door verdachte gedane uitlatingen dient ten eerste te worden vastgesteld of het gaat om telastlegging van een feit van voldoende gewicht, dat geschikt is om iemands eer of goede naam aan te tasten. Hiervan kan sprake zijn bij ernstige feiten, zoals misdrijven, of feiten die met de positieve moraal strijden, waarbij het respect dat iemand toekomt of de reputatie die men geniet, wordt geschaad. Ten tweede dient het feit dat ten laste wordt gelegd bepaald te zijn. Het ten laste gelegde feit is ‘bepaald’ indien het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. Verder moet het bepaalde feit ten laste zijn gelegd met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Hiermee wordt gedoeld op het ter kennis van het publiek brengen, bestaande uit een bredere kring van willekeurige derden.
Aanranding van aangeefster in haar eer en goede naam
Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij als reactie op hetgeen aangeefster over hem had rondverteld de tenlastegelegde uitlatingen in [krant] heeft gedaan. Hij wilde de geruchten over zichzelf wegnemen. Volgens verdachte is hetgeen hij daarin heeft opgeschreven bovendien de waarheid; aangeefster heeft hem seksueel aangerand. Het hof overweegt dat het geen nadere motivering behoeft dat de telastlegging van dit feit geschikt is om iemand in een ongunstig daglicht te stellen, zodat het de eer en goede naam van iemand kan aantasten. Doordat verdachte in zijn uitlatingen de voornaam en de letters van aangeefster haar achternaam heeft benoemd, heeft verdachte de identiteit van aangeefster voldoende herleidbaar gemaakt, waardoor zij in haar eer en goede naam is aangetast.
Opzet op de aanranding van aangeefster in haar eer en goede naam
Smaadschrift is alleen strafbaar indien er opzet is op de aanranding van iemands eer of goede naam. Hiervan is niet alleen sprake als verdachte de zwaarste vorm van opzet, het oogmerk, heeft gehad om aangeefster te beledigen. Voor zover de verdediging heeft bepleit dat verdachte niet de bedoeling en daarmee niet het oogmerk had om te beledigen, moet dat verweer dus worden verworpen. Voorwaardelijk opzet is voldoende. Gelet op de aard van de beschuldiging en de context waarin de beschuldiging is gedaan, is het hof van oordeel dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aantasten van aangeefster in haar eer en goede naam.
Kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven
Zoals hiervoor reeds is overwogen, dient onder ‘ruchtbaarheid’ geven te worden verstaan: ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Hiervan kan ook sprake zijn als de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan. Verdachte heeft de uitlatingen in [krant] verspreid onder de 108 bewoners van het appartementencomplex de ‘ [locatie] ’. Hiermee heeft verdachte zijn uitlatingen ter kennis van het publiek gebracht. Dat het blad in eerste instantie enkel voor de bewoners van het appartementencomplex verkrijgbaar is, doet hieraan niets af. Met betrekking tot het verweer dat verdachte niet de bedoeling had om aangeefster te beledigen, overweegt het hof dat sprake moet zijn van het kennelijke doel. Daarvoor is voldoende dat de uitlating door verdachte is gedaan, terwijl hij zich ten minste bewust moet zijn geweest van de omstandigheid dat derden ervan kunnen vernemen. Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen, is daarvan zonder twijfel sprake.
Tenlastegelegde pleegdatum
Dat het blad mogelijk op de eerste dag van de maand al is verspreid onder de bewoners, maakt niet dat verdachte zich op 21 december 2023, de dag waarop aangeefster op de hoogte is geraakt van de uitlatingen die verdachte heeft gedaan in [krant] , niet meer schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift.
Noodzakelijke verdediging
Artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht bevat een exceptie voor gevallen waarin iemand heeft gehandeld uit noodzakelijke verdediging. Volgens de verdediging komt verdachte een beroep op deze exceptie toe, omdat verdachte de geruchten over zichzelf wilde wegnemen nadat aangeefster had rondverteld dat verdachte was veroordeeld en een strafblad zou krijgen. Het hof is van oordeel dat verdachte een beroep op deze exceptie niet toekomt, omdat verdachte de eventuele geruchten over zichzelf ook kon wegnemen zonder daarbij aangeefster in haar eer en goede naam aan te tasten.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift, zoals hierna is opgenomen in de bewezenverklaring.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 21 december 2023 te [plaats] ,
opzettelijk, de eer en de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand,
door telastlegging van een bepaald feit,
met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven,
door een bericht te plaatsen en te verspreiden onder de bewoners van het appartementencomplex ' [locatie] ' in een mede door hem, verdachte, uitgegeven [krant] met de tekst (zakelijk weergegeven):
"Op 30 november verscheen onze secretaris bij het Openbaar Ministerie in Groningen, omdat [benadeelde] bij de politie aangifte had gedaan van mishandeling door de secretaris van de Bewonersvereniging. De rechter oordeelde anders. Omdat zij de secretaris aanrandde heeft de secretaris zich verdedigd en daardoor werd deze zaak geseponeerd. [benadeelde] moet nu zelf de kosten betalen voor haar gebroken bril en vernielde gehoorapparaat. Inmiddels is deze betreffende dame verhuisd en de rust in [locatie] wedergekeerd".
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
smaadschrift.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verdachte schuldig te verklaren zonder daarbij een straf of maatregel op te leggen.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift. Verdachte heeft dit gedaan door in [krant] , een nieuwsbrief/wijkkrant voor de bewoners van het appartementencomplex ‘ [locatie] ’, een bericht te plaatsen over aangeefster en dit vervolgens onder de bewoners te verspreiden. Aangeefster is zelf woonachtig geweest in het appartementencomplex en kreeg van oud-buurtbewoners te horen dat in [krant] onder meer stond vermeld dat aangeefster verdachte heeft aangerand. Door deze beschuldiging onder de bewoners van het appartementencomplex te verspreiden, heeft verdachte de eer en goede naam van aangeefster aangetast. Tot aan de zitting in hoger beroep heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Over de kennelijk langdurig slepende kwestie tussen verdachte en aangeefster is inmiddels ruime tijd verstreken. Daarnaast zijn de omstandigheden gewijzigd doordat aangeefster is verhuisd uit het appartementencomplex. Dit heeft niet geleid tot meer reflectie op het handelen vanuit emoties.
Strafblad
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 26 mei 2026, waaruit blijkt dat hij in het verleden niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Omdat het niet plegen van strafbare feiten de norm is, heeft dit geen invloed op de hoogte van de straf.
Persoon van verdachte
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte naar voren zijn gebracht en zoals die ook blijken uit het dossier. Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij nog steeds met veel plezier woont in het appartementencomplex. Hij kan financieel prima rondkomen.
Strafoplegging
Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof net als de advocaat-generaal en de politierechter de oplegging van een geldboete van € 350,00, te vervangen door 3 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de verdediging acht het hof geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het schuldig verklaren van verdachte zonder daarbij een straf of maatregel op te leggen, doet geen recht aan de ernst van het feit en de hiervoor genoemde omstandigheden.
Vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend, bestaande uit € 425,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft de vordering in zijn geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding van € 425,00.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het, gelet op onderhavige feiten en omstandigheden, niet redelijk en billijk is dat haar vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de eventueel toe te kennen schadevergoeding lager te schatten dan de politierechter heeft gedaan.
Oordeel van het hof
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij is door het handelen van verdachte in haar eer en goede naam aangetast, waardoor zij op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt. In het schade-onderbouwingsformulier heeft de benadeelde partij onder meer omschreven dat zij als gevolg van het handelen van verdachte er bang voor was dat mensen de beschuldigingen jegens haar zouden geloven en haar erop zouden aanspreken. Verdachte moet die schade vergoeden.
Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt het hof de immateriële schade naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 425,00. Bij de begroting van die schade heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte gemaakte verwijt laten meewegen, en verder gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechters in enigszins vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Ook heeft het hof meegewogen welke bedragen de zogenaamde Rotterdamse schaal indiceert. Het hof sluit aan bij categorie 20.1 sub b (smaad en laster) en 20.2 (eenvoudige belediging). De vordering wordt aldus toegewezen.
Wettelijke rente
Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 december 2023, de dag waarop aangeefster op de hoogte is geraakt van het geschrift.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande wordt verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 63 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 16 juli 2024 onder CJIB nummer 8132 5420 0552 0485.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.
Vordering van de [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 425,00 (vierhonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 425,00 (vierhonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 december 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. F. van der Maden en mr. H.K. Elzinga, in aanwezigheid van de griffier mr. S.A. van der Zwaag en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 juli 2026.