GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.288/01
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 11650325 MT VERZ 25-1713 en 11650338 MT VERZ 25-1714)
beschikking van 27 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. E.D. van Tellingen,
en
Connect Bewind B.V. (de bewindvoerder),
gevestigd te Almere,
advocaat: mr. S.H. van Os,
verweerster in hoger beroep,
en
[verweerster] (de mentor),
gevestigd te [vestigingsplaats]
advocaat: mr. S.H. van Os,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
Stichting Leger des Heils Welzijns-en Gezondheidszorg (het Leger des Heils),
gevestigd te Almere,
en
[belanghebbende] ( [belanghebbende] ),
die woont in [woonplaats] .
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 13 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 17 juli 2025;
- een brief van de betrokkene van 31 juli 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de betrokkene van 12 augustus 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n) van de bewindvoerder en mentor;
- een journaalbericht namens betrokkene van 30 december 2025 met bijlage(n).
De mondelinge behandeling heeft op 14 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de mentor en namens de bewindvoerder: [naam1] , beiden bijgestaan door hun advocaat;
- namens het Leger des Heils: [naam2] en [naam3] ;
- [belanghebbende] .
3. De feiten
De betrokkene is geboren [in] 1954.
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 15 april 2025, heeft het Leger des Heils verzocht om een bewind in te stellen over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene en een mentorschap in te stellen.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikkingen heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand. De kantonrechter heeft Connect Bewind B.V. tot bewindvoerder benoemd. De kantonrechter heeft daarnaast een mentorschap ingesteld ten behoeve van de rechthebbende vanwege haar geestelijke of lichamelijke toestand. De kantonrechter heeft [verweerster] tot mentor benoemd.
De betrokkene komt in hoger beroep van de beschikkingen. De grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De betrokkene verzoekt het hof primair om de bestreden beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van het Leger des Heils tot het instellen van een bewind en een mentorschap alsnog af te wijzen. Subsidiair verzoekt de betrokkene om de huidige bewindvoerder en mentor te ontslaan en [naam4] te benoemen tot opvolgend bewindvoerder en mentor.
De bewindvoerder en de mentor voeren verweer en verzoeken het hof om het beroep van de betrokkene ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. Het Leger des Heils heeft zich daarbij aangesloten.
5. De motivering van de beslissing
Vooraf
De betrokkene stelt dat de kantonrechter haar ten onrechte niet heeft opgeroepen voor een zitting, zij niet is gehoord voorafgaand aan het nemen van de beslissing en dat zij ten onrechte niet in kennis is gesteld van het ingediende verzoekschrift. Het hof overweegt dat voor zover de betrokkene inderdaad niet behoorlijk is opgeroepen bij de kantonrechter en zij haar recht op hoor en wederhoor niet heeft kunnen uitoefenen, geldt dat een dergelijk verzuim in hoger beroep kan worden hersteld door de ten onrechte niet opgeroepen partij alsnog in de gelegenheid te stellen de standpunten toe te lichten (zie o.a. HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1991). Nu het hof de betrokkene hiertoe in de gelegenheid heeft gesteld en zij hiervan gebruik heeft gemaakt, heeft thans hoor en wederhoor op genoegzame wijze plaatsgevonden. Ook met betrekking tot het standpunt van de betrokkene dat zij in eerste aanleg geen afschrift van het inleidende verzoek van het Leger des Heils heeft ontvangen geldt dat dit een verzuim is dat in hoger beroep kan worden hersteld. Vast staat dat de betrokkene in hoger beroep het inleidende verzoekschrift heeft ingediend, zodat zij daarop alsnog heeft kunnen reageren.
Instellen van het bewind en mentorschap
De betrokkene verzoekt het hof primair om te bepalen dat de verzoeken tot onderbewindstelling en mentorschap alsnog dienen te worden afgewezen. Het hof moet daarom eerst beoordelen of de kantonrechter terecht een bewind en mentorschap heeft ingesteld.
In artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter de goederen van een persoon onder bewind kan stellen. Dat kan om twee redenen. Een reden kan zijn dat iemand als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De andere reden is als sprake is van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Op grond van artikel 1:450, eerste lid, BW kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.
Volgens de betrokkene is zij in staat om zelfstandig haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Zij stelt ook dat er bij haar geen sprake is van dementie. Uit onder andere de brief van de neuroloog van het Flevoziekenhuis van 4 augustus 2022, de afgelegde Mini-Mental State Examinition op 8 april 2025, de verklaring van de betrokken case manager van het Leger des Heils en het verslag van de huisarts van 18 juli 2025 blijkt echter het tegendeel. Betrokkene is gediagnosticeerd met dementie en gezien wordt dat er in de afgelopen jaren sprake is van achteruitgang. Tijdens het gesprek op de mondelinge behandeling heeft het hof geconstateerd dat de betrokkene steeds in herhaling valt en absoluut geen reëel beeld heeft van haar mentale gesteldheid en financiële situatie. Ook is er inmiddels een CIZ-indicatie 5 afgegeven, wat betekent dat de betrokkene intensieve zorg en begeleiding (recht op 24-uurs zorg) nodig heeft. Vanwege dit ziektebeeld is de betrokkene naar het oordeel van het hof niet langer in staat om haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen, zodat een bewindvoerder en mentor nodig zijn.
De persoon van de bewindvoerder en mentor
Op grond van 1:435, derde lid, BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge lid 4 van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de rechthebbende is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zussen tot bewindvoerder benoemd. Een vergelijkbare regeling is in artikel 1:452 BW opgenomen voor de persoon van de mentor.
De betrokkene verzoekt het hof subsidiair om, indien het bewind en mentorschap in stand blijven, [naam4] te benoemen tot bewindvoerder en mentor. Het hof zal ook dit verzoek afwijzen. Voorop wordt gesteld dat lid 4 niet van toepassing is, omdat [naam4] geen levensgezel van betrokkene is. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat [naam4] en de betrokkene in het verleden een relatie hebben gehad die werd gekenmerkt door huiselijk geweld van [naam4] tegen de betrokkene. Ook nu zijn er veel zorgen over het contact tussen hen beiden. Zo blijkt uit de verklaringen van de bewindvoerder, de mentor en de casemanager dat [naam4] schreeuwt en scheldt tegen de betrokkene, iedere vorm van contact met de familie afhoudt en medische specialisten bij de betrokkene weghoudt. Daarnaast zijn er zorgen dat [naam4] financieel voordeel behaalt uit de situatie. Zo is de auto van de betrokkene overgeschreven op zijn naam, zonder dat daar een kenbare vergoeding tegenover staat. Ook heeft de bewindvoerder geconstateerd dat er in de afgelopen periode waarin [naam4] de betrokkene bijstond contante opnames zijn gedaan van de rekening van de betrokkene voor een bedrag van in totaal zo’n € 30.000,-, waarvan onduidelijk is door wie deze zijn gedaan en waaraan het geld is besteed. Deze omstandigheden vormen naar het oordeel van het hof een contra-indicatie voor de benoeming van [naam4] tot bewindvoerder en mentor.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikkingen bekrachtigen.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 mei 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, K.A.M. van Os-ten Have en L. van Dijk, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is op 27 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.