GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.368.698/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland [zaaknummer] )
arrest van 9 juli 2026
in de zaak van
[schuldeiser]
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna te noemen: [schuldeiser]
advocaat: mr. S.K. Tuithof, die kantoor houdt in Haarlem
tegen
[schuldenaar]
die woont in [woonplaats]
hierna te noemen: [schuldenaar]
advocaat: mr. M. Kumar, die kantoor houdt in [vestigingsplaats] .
1. Het verloop van de procedure bij de rechtbank
In een verstekvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie [woonplaats] , van 24 maart 2026 is het verzoek van [schuldeiser] tot faillietverklaring van [schuldenaar] toegewezen, met benoeming mr. R.W.J. van Veen tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. [naam1] tot curator.
[schuldenaar] is in verzet gekomen tegen voornoemd faillissementsvonnis.
In een vonnis van 28 april 2026 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard en het vonnis vernietigd waarin [schuldenaar] in staat van faillissement is verklaard.
2. Het verloop van de procedure in hoger beroep
In een beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 6 mei 2026, heeft [schuldeiser] verzocht het vonnis van 28 april 2026 te vernietigen en alsnog te bepalen dat [schuldenaar] in staat van faillissement wordt verklaard, met voordeling van [schuldenaar] in de kosten van beide procedures en de kosten van de curator.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief van 5 juni 2026 met bijlage van mr. Tuithof.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026. Namens [schuldeiser] is verschenen de heer [naam2] , bijgestaan door mr. Tuithof. Ook [schuldenaar] is verschenen, vergezeld van een tolk en bijgestaan door mr. Kumar.
3. De beoordeling
De feiten
[schuldenaar] exploiteert sinds 12 december 2023 als eenmanszaak de onderneming Transportes Canola’s gericht op koeriersdiensten en pakketbezorging.
[schuldeiser] is uitvoerder van pensioenregelingen voor ondernemingen en bedrijfstakken in het beroepsvervoer over de weg.
De onderneming van [schuldenaar] valt onder de werkingssfeer van de Wet [schuldeiser] 2000. [schuldenaar] is daarom gehouden tot betaling van de voor haar werknemers uit hoofde van de verplichte deelneming aan [schuldeiser] verschuldigde premies. [schuldenaar] heeft van 5 februari 2024 t/m 31 augustus 2024 personeel in dienst gehad.
[schuldenaar] is eerder op verzoek van [schuldeiser] in staat van faillissement verklaard, namelijk op 14 oktober 2025. Die aanvraag was grotendeels gebaseerd op ambtshalve opgelegde premie-aanslagen over de periode november 2024 tot en met juli 2025. [schuldenaar] heeft toen verzet ingesteld omdat hij in die periode geen personeel in dienst had. Dat faillissement is op 31 oktober 2025 met instemming van [schuldeiser] vernietigd.
Op 9 maart 2026 heeft [schuldeiser] opnieuw het faillissement van [schuldenaar] verzocht, ditmaal omdat de ambtshalve opgelegde pensioenverplichtingen over juni 2025, juli 2025 en augustus 2025 onbetaald zijn gebleven. [schuldenaar] en de curator hebben na het instellen van verzet overzichten van het pensioenfonds van 24 oktober 2025 overgelegd waaruit volgt dat de betreffende facturen allemaal gecorrigeerd zijn, omdat er in deze periode geen personeel in dienst is geweest. De rechtbank heeft daarop het verzet gegrond verklaard en het faillissement vernietigd.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt het volgende voorop. Een faillietverklaring kan worden uitgesproken indien summierlijk is gebleken van een ten tijde van de aanvraag daarvan bestaand vorderingsrecht van de schuldeiser.
De curator heeft in de zienswijze, die hij ten behoeve van het verzet van [schuldenaar] bij de rechtbank Midden-Nederland heeft ingediend, geconcludeerd dat het hem niet duidelijk is hoe de vordering in elkaar steekt en dat hij zich afvraagt of summierlijk is gebleken van het bestaan van een vorderingsrecht. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het vorderingsrecht van [schuldeiser] niet summierlijk is komen vast te staan, omdat uit de door [schuldeiser] overgelegde overzichten niet blijkt dat er een vorderingsrecht is. Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat de overgelegde stukken en overzichten geen inzicht geven hoe het vorderingsrecht van [schuldeiser] is opgebouwd. [schuldeiser] volhardt in haar standpunt dat zij een vordering heeft omdat de ambtshalve opgelegde pensioenaanslagen van juni, juli en augustus 2025 onbetaald zijn gebleven, terwijl vaststaat deze aanslagen niet betaald hoefden te worden omdat [schuldenaar] in die periode geen personeel in dienst had. [schuldeiser] heeft weliswaar in hoger beroep gesteld dat de gedane betalingen zijn afgeboekt op de oudst openstaande vordering waardoor deze vorderingen nog openstaan, maar de overgelegde stukken zijn op dit punt niet te volgen en lijken elkaar tegen te spreken. Zo verwijst [schuldeiser] in haar beroepschrift naar een print screen van het door haar ingeschakelde incassobureau Syncasso waaruit volgt dat [schuldenaar] juist niets verschuldigd is aan [schuldeiser] . Op de zitting bij het hof is herhaaldelijk om een toelichting gevraagd, maar [schuldeiser] heeft daar evenmin duidelijkheid verschaft over de door haar gehanteerde werkwijze op grond waarvan ambtshalve aanslagen worden gevorderd die niet verschuldigd zijn.
[schuldeiser] heeft nog aangevoerd dat [schuldenaar] de vordering zou hebben erkend, omdat hij in een e-mail van 26 februari 2026 ingaat op het voorstel om een betalingsregeling te treffen ten aanzien van de niet-betaalde premies in 2025. [schuldenaar] heeft op de zitting onweersproken uitgelegd dat hij de sommatiebrief van 17 februari 2026 van [schuldeiser] had ontvangen met daarbij een concept faillissementsrekest. Hij heeft vervolgens gevraagd of de vordering betrekking had op 2024 waarop namens [schuldeiser] is aangegeven dat het nieuwe achterstanden betrof. Om te voorkomen dat hij (wederom) failliet zou worden verklaard, heeft hij gevraagd of hij een betalingsregeling kon treffen. Nadat hij zijn accountant had gesproken die hem er op gewezen heeft dat hij over 2025 niets verschuldigd is, heeft hij over deze vordering telefonisch contact opgenomen met [schuldeiser] . Die wilde hem geen aanvullende informatie verstrekken, vanwege het reeds aangevraagde faillissement. Van een erkenning zijdens [schuldenaar] is dus geen sprake.
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep niet summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [schuldeiser] . Het hof ziet hierin aanleiding om [schuldeiser] te veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep.
Slotsom
Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 28 april 2026;
veroordeelt [schuldeiser] tot betaling van de volgende proceskosten van [schuldenaar] :
€ 1.290 aan salaris van de advocaat van [schuldenaar] (1 procespunten x het toepasselijke tarief II)
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, C.P. Lunter en A.L. Goederee, bijgestaan door mr. I.M. Walinga als griffier, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2026.