GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/212
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer ARN 22/5418, in het geding tussen belanghebbende en
de ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger).
1. Ontstaan en loop van het geding
De Ontvanger heeft op 8 september 2022 tegen belanghebbende een dwangbevel ter invordering van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) van € 7.799 uitgevaardigd. Verder zijn € 18 aan aanmaningskosten en € 733 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft daartegen (rechtstreeks) beroep ingesteld. De belastingrechter bij de Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het (rechtstreeks) beroep tegen het dwangbevel, de aanmanings- en betekeningskosten vernietigd en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 50 en € 365.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Ontvanger is verschenen [naam1] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/212, 24/248 en 24/249 gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2. Feiten
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 7.799. Voor dat bedrag heeft belanghebbende op 4 augustus 2022 om uitstel van betaling verzocht. De Ontvanger heeft op 8 september 2022 tegen belanghebbende een dwangbevel ter invordering van voornoemde naheffingsaanslag uitgevaardigd. Verder zijn € 18 aan aanmaningskosten en € 733 aan betekeningskosten in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft daartegen (rechtstreeks) beroep ingesteld. De belastingrechter heeft overwogen dat tegen het dwangbevel verzet kan worden ingesteld bij de burgerlijke rechter en dat hij dus onbevoegd is kennis te nemen van het (rechtstreeks) beroep tegen dat dwangbevel. Verder heeft de belastingrechter overwogen dat hij wel bevoegd is te oordelen over de in rekening gebrachte aanmanings- en betekeningskosten, dat belanghebbende op 4 augustus 2022 om uitstel van betaling van de naheffingsaanslag heeft verzocht en dat daarom de aanmanings- en betekeningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht. De Rechtbank heeft om die reden deze kosten vernietigd en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 50 en € 365.
3. Geschil
In geschil is of de belastingrechter zich terecht onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen het dwangbevel. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Ontvanger bevestigend.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De belastingrechter is op grond van Unierecht wel bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het dwangbevel (zie 3.1).
e. De door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak is te laag.
f. Over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van het betaalde griffierecht moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende de griffierechten heeft betaald.
g. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Ontvanger concludeert tot bevestiging daarvan.
4. Beoordeling van het geschil
Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Weigeren gemachtigde
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door (een bestuurder van) belanghebbende getekende volmacht overgelegd.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor haar rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.
Ad d. Bevoegdheid belastingrechter
Op grond van artikel 17 Invorderingswet 1990 moet bij de burgerlijke rechter verzet worden ingesteld tegen een door de ontvanger uitgevaardigd dwangbevel. De Rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat bij de belastingrechter niet kan worden opgekomen tegen een dergelijk dwangbevel.
De omstandigheid dat een rechtsingang bij de belastingrechter ontbreekt, betekent niet dat in Nederland tegen een dwangbevel een door artikel 47 Handvest vereiste doeltreffende voorziening in rechte bij een onpartijdig gerecht ontbreekt. Het geschil over het uitgevaardigde dwangbevel kan immers ter beoordeling worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
Ad e. Matiging proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 50 per zaak te laag is.
De Rechtbank heeft bijzondere omstandigheden aanwezig geacht waardoor de volgens het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb) berekende vergoeding op grond van artikel 2 lid 3 Bpb is verlaagd tot € 50 per zaak. Redengevend daarvoor is dat strikte toepassing van de forfaitaire regeling zou leiden tot een proceskostenvergoeding die de werkelijk gemaakte kosten ver zou overtreffen. In dat verband heeft de Rechtbank onder meer van belang geacht dat onderhavige zaken onderdeel zijn van een groot cluster aan zaken die inhoudelijk samenhangen en waarvoor de proceshandelingen grotendeels een uniform karakter hebben. Bovendien gaat het om zeer eenvoudige zaken die ook vereenvoudigd met toepassing van artikel 8:54 Awb hadden kunnen worden afgedaan. Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist. Het feit dat eventueel in strijd met het Unierecht teveel belasting is geheven, brengt niet mee dat geen plaats is voor een lagere proceskostenvergoeding dan volgens het forfaitaire tarief.
Ad f. Rentevergoeding griffierecht
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Ad g. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Daarmee is voldaan aan de hiervoor onder (ii) genoemde voorwaarde.
Het financiële belang bij een procedure bestaat uit het financiële voordeel dat een belastingplichtige verkrijgt indien het door hem in hoger beroep ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Dit financiële belang kan alleen betrekking hebben op fiscale beschikkingen als bedoeld in artikel 26 leden 1 en 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen waarover de belastingplichtige een procedure voert. Dat betreft een of meer belastingaanslagen, voor bezwaar vatbare beschikkingen en/of voldoeningen of afdrachten op aangifte. Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt daarom geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen, zoals beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten of immateriële schade. Het financiële effect van een of meer door de belastingplichtige ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen.
Onderhavige procedure houdt uitsluitend verband met een dwangbevel – niet zijnde een fiscale beschikking – zodat bij de vaststelling van het financiële belang daarmee geen rekening wordt gehouden. Reeds daarom is ook voldaan aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde, zodat het Hof geen immateriële schadevergoeding toekent en volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Slotsom
De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.