GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1028
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 maart 2024, nummer ARN 23/1907, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.103. Bij beschikking is belastingrente berekend.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2025, waarbij de zaak is behandeld door een enkelvoudige kamer van dit Hof. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur, [naam1] , bijgestaan door [naam2] .
Het Hof heeft partijen bij brief van 10 maart 2026 laten weten dat de zaak zal worden overdragen aan een andere raadsheer dan de raadsheer die de zaak op de zitting van 25 november 2025 heeft behandeld. Daarbij is aangegeven dat zonder nadere zitting uitspraak kan worden gedaan, maar dat een nadere zitting zal worden gehouden als partijen dat wenselijk achten. Partijen hebben binnen de daartoe door het Hof gestelde termijn niet te kennen gegeven dat zij op een nadere zitting wensen te worden gehoord. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Vaststaande feiten
Belanghebbende drijft sinds 2002 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [onderneming] (hierna: de handelsonderneming). Volgens het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel bestaan de activiteiten van de handelsonderneming uit de ‘in- en verkoop van auto’s, vrachtwagens en machines’, alsmede ‘het verlenen van zorg, individuele begeleiding en huishoudelijke werkzaamheden voor dementerende ouderen’.
Belanghebbende heeft in 2019 thuiszorg verleend aan wijlen [naam3] . [naam3] was op dat moment zijn buurvrouw. Voor deze zorgwerkzaamheden heeft belanghebbende vergoedingen uit het persoonsgebonden budget van [naam3] ontvangen. Deze vergoedingen van in totaal € 41.600 (hierna: PGB-inkomsten) zijn door de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) uitbetaald op de zakelijke bankrekening ten name van de handelsonderneming.
Naast het verlenen van thuiszorg, heeft belanghebbende vanuit de handelsonderneming in 2019 ook andere werkzaamheden verricht. Dit betroffen onder meer chauffeursdiensten.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.142. Dit inkomen bestaat uit een uitkering van € 10.683 en winst uit onderneming van € 25.471. Tot deze winst uit onderneming heeft belanghebbende de ontvangen PGB-inkomsten van € 41.600 gerekend.
Bij brief van 2 juli 2022 heeft de Inspecteur aangekondigd af te zullen wijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2019. Volgens de Inspecteur moeten de PGB-inkomsten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Rekening houdend met aftrekbare autokosten voor een bedrag van € 1.087, komt het totaal belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden daarmee uit op € 40.513. Als gevolg van het in aanmerking nemen van de PGB-inkomsten als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, komt het totaal belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2019 uit op € 46.103.
De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 overeenkomstig de hiervoor bij 2.5. genoemde aankondiging opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.103.
3. Geschil
In geschil is of de PGB-inkomsten die belanghebbende in 2019 heeft genoten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de PGB-inkomsten moeten worden gerekend tot de winst van de handelsonderneming en daarmee winst uit onderneming vormen. Belanghebbende voert daartoe onder meer aan dat hij de zorgwerkzaamheden, net als de overige werkzaamheden voor zijn handelsonderneming, voor een derde heeft verricht. Verder acht belanghebbende het van belang dat de PGB-inkomsten op de zakelijke bankrekening ten name van de handelsonderneming zijn ontvangen.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de PGB-inkomsten moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
De omstandigheid dat door een belastingplichtige ondernomen activiteiten onder de naam van dezelfde eenmanszaak worden uitgevoerd, hoeft niet te betekenen dat die activiteiten voor de inkomstenbelasting één objectieve onderneming vormen. Het is mogelijk dat de inkomsten uit verschillende activiteiten die onder de naam van dezelfde eenmanszaak worden uitgeoefend voor de inkomstenbelasting op verschillende wijze in aanmerking moeten worden genomen. Zo is het mogelijk dat de inkomsten uit een deel van de activiteiten die onder de naam van dezelfde eenmanszaak worden uitgeoefend als winst uit onderneming moeten worden aangemerkt en de inkomsten uit een ander deel van de activiteiten als resultaat uit overige werkzaamheden moeten worden aangemerkt. Ook is het mogelijk dat een belastingplichtige met de verschillende activiteiten voor de inkomstenbelasting meerdere objectieve ondernemingen drijft. Of twee (of meer) activiteiten tot één objectieve onderneming behoren, en of (neven)activiteiten opgaan in een bestaande onderneming dan wel los daarvan moeten worden gezien, moet naar objectieve maatstaven, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, worden beoordeeld. Bij deze beoordeling is van belang of er tussen de verschillende activiteiten voldoende samenhang dan wel een voldoende nauw verband bestaat. Indien bepaalde activiteiten los van een bestaande onderneming moeten worden gezien, moet dus ten aanzien van deze activiteiten zelfstandig worden beoordeeld of er sprake is van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.
Het Hof is van oordeel dat de zorgwerkzaamheden die belanghebbende in 2019 heeft verricht niet tezamen met de overige werkzaamheden die belanghebbende in 2019 heeft verricht onder de naam van de handelsonderneming tot één objectieve onderneming voor de inkomstenbelasting kunnen worden gerekend. Naar het oordeel van het Hof verschillen de zorgwerkzaamheden daarvoor naar hun aard te veel van de overige werkzaamheden van de handelsonderneming. Van enige samenhang tussen de zorgwerkzaamheden en de overige activiteiten van de handelsonderneming is verder geen sprake. Anders dan belanghebbende betoogt is het voor de beoordeling of de zorgwerkzaamheden tezamen met de overige werkzaamheden die belanghebbende verricht onder de naam van de handelsonderneming één objectieve onderneming voor de inkomstenbelasting vormen, niet van belang dat de PGB-inkomsten zijn ontvangen op de zakelijke rekening van de handelsonderneming. Ook is bij die beoordeling niet van belang dat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel beide activiteiten zijn opgenomen.
Omdat de zorgwerkzaamheden die belanghebbende in 2019 heeft verricht niet één objectieve onderneming voor de inkomstenbelasting vormen met de overige activiteiten van de handelsonderneming, moet worden beoordeeld of de zorgwerkzaamheden op zichzelf beschouwd een objectieve onderneming voor de inkomstenbelasting vormen.
Uit vaste rechtspraak volgt dat van een objectieve onderneming voor de inkomstenbelasting sprake is wanneer met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid aan het maatschappelijk productieproces wordt deelgenomen met het oogmerk om daarmee winst te behalen. Bij de beoordeling of sprake is van een objectieve onderneming voor de inkomstenbelasting moet onder meer gelet worden op de volgende factoren: (i) de duurzaamheid en de omvang van de werkzaamheden; (ii) de grootte van de bruto-baten; (iii) de winstverwachting; (iv) het lopen van (ondernemers)risico; (v) de beschikbare tijd; (vi) de bekendheid die naar buiten aan de werkzaamheid wordt gegeven; (vii) het aantal opdrachtgevers; en (viii) het spraakgebruik.
De bewijslast van het ondernemerschap rust op belanghebbende. Dit betekent dat belanghebbende de feiten en omstandigheden moet stellen en, bij de gemotiveerde betwisting daarvan, aannemelijk moet maken die de conclusie rechtvaardigen dat van een objectieve onderneming sprake is. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende het van hem verlangde bewijs niet geleverd. Het Hof overweegt daartoe dat de hiervoor in 4.4. genoemde de factoren (ii), (iii), (v) weliswaar wijzen in de richting van een objectieve onderneming, maar niet in zodanige mate dat de zorgwerkzaamheden moeten worden aangemerkt als een objectieve onderneming. Te meer niet omdat de factoren genoemd onder (iv), (vi), (vii) juist erop wijzen dat geen sprake is van een objectieve onderneming. Belanghebbende heeft zijn zorgwerkzaamheden slechts voor één opdrachtgever, [naam3] , verricht en heeft daarbij nagenoeg geen (ondernemers)risico’s, bijvoorbeeld in de vorm van een debiteurenrisico, gelopen. Verder staat vast dat belanghebbende de zorgwerkzaamheden in september 2020 heeft beëindigd op het moment dat [naam3] werd opgenomen in een zorginstelling. Belanghebbende heeft niet gesteld dat hij naar buiten toe bekendheid aan zijn zorgwerkzaamheden heeft gegeven. Verder is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende – al dan niet nadat de zorgwerkzaamheden voor [naam3] waren beëindigd – naar andere cliënten heeft gezocht om zorgwerkzaamheden aan te verrichten.
Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten uit de zorgwerkzaamheden, indien deze niet een objectieve onderneming vormen, moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Het Hof is niet gebleken dat partijen hierbij uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het partijen daarin volgt. Nu de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2019 de inkomsten uit de zorgwerkzaamheden, de PGB-inkomsten, in aanmerking heeft genomen als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en de hoogte van dit resultaat niet in geschil is, heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 niet te hoog vastgesteld.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.