ECLI:NL:GHARL:2026:4498

ECLI:NL:GHARL:2026:4498

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 09-07-2026
Zaaknummer 24/2037
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBGEL:2024:7864

Samenvatting

VPB. Afwaardering vordering. Buitengewone last?

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 24/2037

uitspraakdatum: 7 juli 2026

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

en het incidentele hoger beroep van

[Belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 november 2024, nummer ARN 23/3759, ECLI:NL:RBGEL:2024:7864, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd van nihil. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is het verlies van dat jaar vastgesteld op € 116.485.

De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking ongegrond verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de verliesvaststellingsbeschikking gewijzigd en het verlies van 2017 vastgesteld op € 258.989. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 1.500 en een proceskostenvergoeding van € 3.216,75. Verder heeft de Rechtbank bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij zijn verschenen mr. H.T.G. de Jong, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , alsmede [naam2] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam3] . Met instemming van partijen is de zaak gezamenlijk behandeld met de zaken met de zaaknummers BK-ARN 25/11 en 25/12. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. Vaststaande feiten

Belanghebbende is opgericht op 11 juli 1996. Sinds haar oprichting werden alle aandelen in belanghebbende gehouden door [naam4] ).

[naam4] hield, naast de aandelen in belanghebbende, tevens 50% van de aandelen in [onderneming1] . De andere 50% van de aandelen in [onderneming1] werd gehouden door [onderneming2] Beide aandeelhouders hebben hun aandelen bij oprichting van [onderneming1] op 4 oktober 2006 verkregen.

De aandelen [onderneming2] werden alle gehouden door [onderneming3] Alle aandelen in [onderneming3] werden gehouden door [naam5] . [naam4] en [naam5] waren bestuurders van [onderneming1] .

[onderneming1] heeft in 2006 een onroerende zaak aan de [adres1] gekocht en geleverd gekregen. De onroerende zaak betreft een voormalige slipbaan van een politieschool (hierna: de slipbaan).

Op 1 maart 2016 zijn [naam4] als commanditair vennoot en [onderneming4] als beherend vennoot een commanditaire vennootschap onder de naam [onderneming5] (hierna: de CV) aangegaan. [naam4] was tot 28 december 2016 middellijk bestuurder en aandeelhouder van [onderneming4] Sinds die datum was hij onmiddellijk aandeelhouder van [onderneming4]

[onderneming1] heeft op 5 april 2017 de eigendom van de slipbaan geleverd aan [onderneming3] en de CV voor een bedrag van € 45.000.

[onderneming1] is op 23 maart 2018 ontbonden.

Tot het dossier behoort een jaarrekening 2007 van belanghebbende. Uit de in deze jaarrekening opgenomen balans volgt dat de bezittingen van belanghebbende eind 2006 en eind 2007 enkel bestonden uit een deelneming en ‘vorderingen (met een resterende looptijd korter dan 1 jaar’. Deze vorderingen bedroegen per 31 december 2006 € 60.661 en per 31 december 2007 € 11.739.

Tot het dossier behoort een jaarrekening 2017 van belanghebbende. In deze jaarrekening is op de balans van 31 december 2016 onder het kopje ‘vorderingen’ het volgende vermeld (getallen in euro’s):

“Vordering op [onderneming1]

95.397

Bijgeschreven rente [onderneming1] (5% 2007 t/m 2015)

47.107

Bijgeschreven rente [onderneming1] (5%) boekjaar

5.040

147.544”

De hiervoor genoemde ‘Vordering op [onderneming1] ’ is niet vermeld op de balans van 31 december 2017. Uit de winst- en verliesrekening in jaarrekening 2017 volgt dat een bedrag van € 142.504 als buitengewone last in aanmerking is genomen.

Tot het dossier behoort een jaarrekening 2017 van [onderneming1] . Uit de in deze jaarrekening opgenomen balans volgt dat per 31 december 2016 de schulden van [onderneming1] bestonden uit ‘kortlopende schulden en overlopende passiva’ voor een bedrag € 306.805. Dit betroffen schulden van [onderneming1] aan haar aandeelhouders.

In de aangiften vennootschapsbelasting van belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met – in ieder geval– 2014 is niet vermeld dat belanghebbende een vordering had op [onderneming1] . In de aangiften vennootschapsbelasting van [onderneming1] voor de jaren 2010 tot en met 2016 is niet vermeld dat [onderneming1] een schuld had aan belanghebbende.

Belanghebbende heeft aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2017 gedaan naar een verlies van € 258.959. In deze aangifte heeft belanghebbende een buitengewone last van € 142.504 ten laste van haar winst gebracht.

De Inspecteur heeft vragen gesteld over de in de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2017 opgenomen buitengewone last van € 142.504. In antwoord op deze vragen van de Inspecteur heeft de (toenmalige) adviseur van belanghebbende toegelicht dat de buitengewone last een afboeking betreft van een vordering van belanghebbende op [onderneming1] .

De Inspecteur is bij het vaststellen van de verliesvaststellingsbeschikking voor het jaar 2017 afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De Inspecteur heeft de buitengewone last van € 142.504 niet in aftrek toegelaten, omdat volgens de Inspecteur de vordering van belanghebbende op [onderneming1] moet worden aangemerkt als een onzakelijke lening. De Inspecteur heeft het verlies van belanghebbende van 2017 bij beschikking van 10 oktober 2020 vastgesteld op € 116.485 (aangegeven van verlies van € 258.989 minus € 142.504).

De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de verliesvaststellingsbeschikking ongegrond verklaard.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de verliesvaststellingsbeschikking gegrond verklaard. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet die feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de vordering van belanghebbende op [onderneming1] op het moment dat de gelden zijn verstrekt een onzakelijke lening was of enig later moment een onzakelijke lening is geworden. Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur daarom ten onrechte de aftrek van de buitengewone last geweigerd. De Rechtbank heeft vervolgens het verlies van 2017, overeenkomstig de ingediende aangifte, vastgesteld op € 258.989. De Rechtbank heeft tevens geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft wegens bijzondere omstandigheden de redelijke termijn in eerste aanleg verlengd met zes maanden, en rekening houdend met die verlenging de vergoeding vastgesteld op € 1.500.

3. Geschil

In het principaal hoger beroep is in geschil de omvang van het verlies van het jaar 2017. Meer in het bijzonder is daarbij in geschil of belanghebbende in 2017 een buitengewone last van € 142.504 ten laste van de winst mag brengen in verband met de afwaardering van een vordering op [onderneming1] .

Volgens de Inspecteur kan belanghebbende de buitengewone last niet ten laste van de winst brengen. De Inspecteur stelt zich daartoe primair op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een vordering op [onderneming1] heeft gehad. Voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat belanghebbende begin 2017 wel een vordering op [onderneming1] had, stelt de Inspecteur zich subsidiair op het standpunt dat deze vordering reeds bij aanvang een onzakelijke lening was en daarom niet ten laste van de winst kan worden afgewaardeerd. Meer subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de vordering niet ten laste van de winst kan worden afgewaardeerd, omdat belanghebbende, [onderneming1] en haar aandeelhouders onzakelijk hebben gehandeld door de slipbaan voor een bedrag ver onder de waarde in het economische verkeer over te dragen. Als gevolg daarvan zijn door de aandeelhouders van [onderneming1] gelden onttrokken aan [onderneming1] die hadden kunnen worden gebruikt voor aflossing van de schuld aan belanghebbende.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Volgens belanghebbende is voldoende aannemelijk dat zij begin 2017 een vordering had op [onderneming1] van € 142.504 en heeft zij die in dat jaar ten laste van de winst mogen afwaarderen. Van een onzakelijke lening of onzakelijk handelen door belanghebbende, [onderneming1] en/of haar aandeelhouders is volgens belanghebbende geen sprake geweest.

In het incidentele hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt dat in het geval sprake zou zijn van een onzakelijke lening, de liquidatieverliesregeling van toepassing zou zijn en dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg te laag heeft vastgesteld, omdat de Rechtbank ten onrechte de redelijke termijn heeft verlengd.

4. Beoordeling van het principaal hoger beroep

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende die feiten en omstandigheden moet stellen en bij gemotiveerde betwisting door de Inspecteur aannemelijk moet maken, die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende in 2017 een buitengewone last van € 142.504 ten laste van haar winst mag brengen.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de buitengewone last betrekking heeft op de afwaardering van een lening die zij aan [onderneming1] heeft verstrekt. Volgens belanghebbende kan op grond van haar jaarrekening 2017 (zie 2.9.) worden geconcludeerd dat de vordering uit hoofde van deze lening begin 2017 € 142.504 bedroeg. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de jaarrekening 2017 op dit punt juist is. Het Hof overweegt daartoe dat in de jaarrekening van [onderneming1] voor het jaar 2017 geen met deze vordering corresponderende schuld aan belanghebbende is opgenomen. Verder is zowel in de aangiften vennootschapsbelasting van belanghebbende als die van [onderneming1] voor de jaren 2010 tot en met 2014 geen melding gemaakt van een vordering-schuldverhouding tussen belanghebbende en [onderneming1] . Ook in de jaarrekening 2007 van belanghebbende – staat geen vordering op [onderneming1] vermeld. Dit alles valt niet te rijmen met de verklaring van belanghebbende dat zij de lening aan [onderneming1] heeft verstrekt voor de aankoop van de slipbaan in 2006. Omdat belanghebbende verder geen andere bewijsstukken heeft overgelegd om het bestaan van de vordering op [onderneming1] aannemelijk te maken, is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij begin 2017 een vordering op [onderneming1] had.

Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij begin 2017 een vordering had op [onderneming1] , heeft zij geen recht op aftrek van de in haar aangifte opgevoerde buitengewone last van € 142.504 die verband zou houden met de afwaardering van een dergelijke vordering. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van het verlies van 2017 daarom terecht deze buitengewone last niet in aanmerking genomen.

5. Beoordeling van het incidenteel hoger beroep

In het incidentele hoger beroep heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat in het geval sprake zou zijn van een onzakelijke lening, de liquidatieverliesregeling van toepassing zou zijn. Aangezien het Hof hiervoor heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat belanghebbende een vordering had op [onderneming1] , is geen sprake van een (mogelijk) onzakelijke lening. Het Hof komt daarom niet toe aan de behandeling van dit standpunt van belanghebbende.

Belanghebbende heeft zich in het incidenteel hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg te laag heeft vastgesteld, omdat de Rechtbank ten onrechte de redelijke termijn heeft verlengd. Partijen zijn het er ter zitting van het Hof over eens geworden dat in dit geval geen aanleiding bestaat om de redelijke termijn in eerste aanleg te verlengen en dat daarom de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg moet worden vastgesteld op € 2.000. Het Hof zal overeenkomstig beslissen. Nu de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg geheel moet worden toegerekend aan de bezwaarfase, komt deze vergoeding geheel ten laste van de Inspecteur.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is zowel het hoger beroep van de Inspecteur als het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond.

6. Griffierecht en proceskosten

In het principale hoger beroep ziet het Hof geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het Hof ziet wel aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het incidenteel hoger beroep heeft moeten maken. Daarnaast ziet het Hof aanleiding om de proceskostenvergoeding voor het beroep in eerste aanleg opnieuw vast te stellen, omdat voor die fase enkel aanleiding bestaat voor een vergoeding van de proceskosten vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De beslissing van de Rechtbank omtrent de vergoeding van het griffierecht zal het Hof in stand laten gelet op het overgangsrecht zoals dat is opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Belanghebbende heeft namelijk op 29 september 2023, dus vóór 31 mei 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade en de redelijke termijn in eerste aanleg was ook reeds voor die datum overschreden.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 0,5  € 934). Het Hof hanteert hierbij een wegingsfactor van 0,5, omdat het incidenteel hoger beroep alleen betrekking heeft op de (neven)beslissing van de Rechtbank over hoogte van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De proceskostenvergoeding voor het beroep in eerste aanleg stelt het Hof vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoekschrift x wegingsfactor 0,25  € 934). De totale proceskostenvergoeding komt daarmee uit op € 1.167,50.

7. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van het griffierecht,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond,

– veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg tot een bedrag van € 2.000, en

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.167,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R.R. van der Heide)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026080307 V-N Vandaag 2026/1606 NLF 2026/1579 FutD 2026-1393 NDFR Nieuws 2026/1240 NTFR 2026/1479 met annotatie van mr. T.J. Mooij
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand