GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/119 t/m 25/121
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats] (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2024, nummers ARN 23/4830, 23/4834 en 23/4835, in het geding tussen belanghebbende en
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift opgenomen beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken, de waarde van de onroerende zaken [adres1] te [woonplaats] , [adres2] te [woonplaats] en [adres3] te [woonplaats] voor het belastingjaar 2023, naar de waardepeildatum 1 januari 2022, vastgesteld op respectievelijk € 363.000, € 272.000 en € 85.000. Tegelijk met deze beschikkingen zijn aanslagen onroerendezaakbelasting vastgesteld.
Belanghebbende heeft in één bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 genoemde beschikkingen.
De heffingsambtenaar de bezwaren in één geschrift ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen in één beroepschrift beroep aangetekend bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft het beroep tegen de WOZ-beschikking en de aanslag van [adres2] ongegrond verklaard. Verder heeft de Rechtbank heeft de waarde van [adres1] verminderd tot € 300.000 en de waarde van [adres3] op nihil gesteld, alsmede de bijbehorende aanslagen onroerendezaakbelasting verminderd ( [adres1] ) en vernietigd ( [adres3] ). Verder heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in proceskosten voor de procedure bij de Rechtbank ten bedrage van € 3.500 en de heffingsambtenaar gelast het griffierecht van € 100 te vergoeden.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Belanghebbende en zijn partner zijn verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam1] .
2. Vaststaande feiten
De Rechtbank heeft in de uitspraak onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) aan belanghebbende een proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand van in totaal € 3.500 toegekend. Deze proceskostenvergoeding is als volgt berekend: 2 punten (beroepschrift, zitting) x € 875 x wegingsfactor 1, te vermenigvuldigen met twee omdat het volgens de Rechtbank om twee zaken gaat, namelijk de gegronde beroepen van [adres2] en [adres3] .
3. Geschil
In geschil is de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar heeft primair gesteld dat van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake is en daarom geen proceskostenvergoeding toegekend had mogen worden. Voor het geval het Hof van oordeel is dat wel sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, dan stelt de heffingsambtenaar zich subsidiair op het standpunt dat de proceskostenvergoeding te hoog is vastgesteld. De gemachtigde heeft de stellingen van de heffingsambtenaar betwist.
4. Beoordeling van het geschil
Het Hof dient allereerst te beoordelen of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel a, en artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit.
De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de gemachtigde mr. P.H.M. Kemperman (hierna: Kemperman ) geen beroepsmatig rechtsbijstandverlener is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij erop gewezen dat gelet op de omstandigheden dat Kemperman geen eigen briefpapier gebruikt met vermelding van bedrijfsgegevens, dat Kemperman op leeftijd is, dat hij zijn onderneming per 30 juni 2023 heeft uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en dat hij geen administratieve bewijsstukken van zijn dienstverlening heeft verstrekt - zoals facturen onder vermelding van btw-nummer, omzetbelastingaangiften, inkomstenbelastingaangiften of contracten van verleende rechtsbijstand –, ervan moet worden uitgegaan dat Kemperman niet meer dan incidenteel rechtsbijstand verleent. Ter zitting van het Hof heeft hij daaraan toegevoegd dat hij betwist dat Kemperman aan belanghebbende voor deze procedure kosten in rekening brengt. De vergoeding voor rechtsbijstand is ook daarom ten onrechte toegekend.
Kemperman heeft in het verweerschrift hiertegenover gesteld dat hij al jarenlang beroepsmatig, op structurele basis en tegen betaling rechtsbijstand verleent aan personen en organisaties in het kader van juridische kwesties op bestuursrechtelijk gebied. Belanghebbende en zijn partner hebben ter zitting verklaard dat Kemperman hen in de afgelopen jaren, tot op heden, op zakelijk gebied tegen betaling juridisch bijstaat en dat zij hem vanwege deze jarenlange samenwerking nu ook hebben gevraagd hen bij te staan in onderhavige privékwestie. Belanghebbende heeft verder verklaard dat Kemperman hem ook in deze procedure tegen betaling bijstaat. Omtrent de betaling is volgens belanghebbende afgesproken dat de rechtens vast te stellen proceskostenvergoeding aan Kemperman toekomt en dat Kemperman dan nog een rekening naar belanghebbende stuurt als deze proceskostenvergoeding de kosten van Kemperman onvoldoende dekken. Vanwege de jarenlange zakelijke relatie gebeurt dit alles in goed vertrouwen en overleg. De partner van belanghebbende heeft verder ter zitting verklaard dat Kemperman ook haar vader juridisch adviseert.
Het Hof stelt voorop dat het bij beroepsmatig verleende rechtsbijstand volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit niet hoeft te gaan om iemand die uitsluitend of in hoofdzaak zijn beroep maakt van het verlenen van rechtsbijstand, maar dat het verlenen van rechtsbijstand wel tot zijn beroepsmatige taak moet behoren. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters is daarvan sprake als het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening.
Het Hof acht het, gelet op de in het verweerschrift opgenomen schriftelijke verklaring van Kemperman in samenhang met de ter zitting door belanghebbende en zijn partner gegeven geloofwaardige verklaringen, aannemelijk dat Kemperman gedurende (ten minste) de afgelopen jaren regelmatig tegen vergoeding bezwaar- en beroepsprocedures voert over juridische kwesties. Het Hof is van oordeel dat dit is aan te merken als beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van het Besluit. Dat Kemperman zijn onderneming in 2023 heeft uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, alsmede de andere door de heffingsambtenaar aangevoerde omstandigheden zoals de leeftijd van Kemperman , doen daar niet aan af. Het Hof hecht verder geloof aan de verklaring van belanghebbende dat Kemperman voor de onderhavige procedure een vergoeding in rekening brengt. De door Kemperman in deze procedure verleende bijstand is gelet op het voorgaande aan te merken als beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van het Besluit. Het Hof concludeert dat de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding heeft toegekend.
Vervolgens is de hoogte van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding in geschil. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de Rechtbank ten onrechte voor twee gegronde beroepen een vergoeding heeft toegekend, nu de WOZ beschikkingen en aanslagen onroerende zaakbelastingen op één aanslagbiljet waren verenigd, en er één uitspraak op bezwaar is gedaan, waartegen in één beroepschrift is opgekomen. De Rechtbank had daarom volgens de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding van één beroep moeten uitgaan.
De gemachtigde heeft hiertegen ingebracht dat het om verschillende objecten ging, waartegen verschillende grieven zijn aangevoerd. Hij is van mening dat er terecht voor beide gegronde beroepen een afzonderlijke proceskostenvergoeding is vastgesteld.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, als volgt geoordeeld:
“Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Bpb is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (zie HR 13 juli 2012, nr. 11/01222, LJN BX0892, BNB 2012/292, onderdeel 3.3.3). Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak.”
Het Hof past deze door de Hoge Raad geformuleerde rechtsregel voor de bezwaarfase ook toe op de beroepsfase. Omdat de heffingsambtenaar voor drie WOZ-objecten één uitspraak op bezwaar heeft gedaan en daartegen in één beroepschrift is opgekomen, is – voor de toepassing van het Besluit – sprake van één beroep. Dit betekent dat per proceshandeling één punt moet worden toegekend en niet, zoals de Rechtbank heeft beslist, twee punten. Het Hof ziet gelet op de aard van het geschil en de daarvoor aangevoerde gronden, noch in het gegeven dat het geschil betrekking had op meerdere WOZ-objecten, aanleiding om van een hogere wegingsfactor dan 1 uit te gaan. Het Hof merkt ten overvloede op dat belanghebbende zelf de bezwaarprocedure heeft gevoerd, zodat – naar niet in geschil is – van een kostenvergoeding voor rechtsbijstand voor die fase geen sprake kan zijn.
Het hoger beroep van de heffingsambtenaar slaagt. De proceskostenvergoeding voor beroep wordt vastgesteld op € 1.868, namelijk 2 punten (beroepschrift, zitting) x € 934 x wegingsfactor 1.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5. Proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.
6. Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding betreft,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten voor de procedure bij de Rechtbank tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(J.H. Riethorst) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.