GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/379
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2024, nummer UTR 24/213, ECLI:NL:RBMNE:2024:6792, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Veenendaal (hierna: de heffingsambtenaar)
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2022 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 1.540.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag in de onroerendezaakbelasting opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de beschikking verminderd tot € 1.485.000, de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd, een proceskostenvergoeding toegekend van € 749,50 en de heffingsambtenaar gelast het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. H. Vloet als gemachtigde van belanghebbende en [naam1] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2. Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een in 2016 gebouwde vrijstaande woning, die is gelegen op een perceel van 1.249 m2. Tot de onroerende zaak behoren verder een inpandige garage, een dakkapel en een berging/schuur.
Op 2 september 2025 heeft een inpandige opname van de onroerende zaak plaatsgevonden in het kader van de bezwaarprocedure betreffende het jaar 2025. Naar aanleiding van deze inpandige opname is een aantal objectkenmerken aangepast:
OUD
NIEUW
Woning
414 m2
397 m2
Inpandige garage
34 m2
33 m2
Dakkapel
1 stuks
2 m2
Schuur
12 m2
11 m2
Kwalificatie kwaliteit
‘3’
‘2’
Kwalificatie onderhoud
‘3’
‘2’
3. Geschil
In geschil is de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum, zoals die door de Rechtbank is verminderd tot € 1.485.000.
Belanghebbende bepleit een waarde van € 1.314.000.
Heffingsambtenaar stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat – gelet op de bevindingen tijdens de inpandige opname op 2 september 2025 – de waarde van de onroerende zaak dient te worden verminderd tot € 1.395.000.
Verder betwist belanghebbende de hoogte van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding. Meer specifiek verzet belanghebbende zich tegen de door de Rechtbank gehanteerde wegingsfactor van 0,25.
4. Beoordeling van het geschil
WOZ-waarde
Ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger het object in de staat waarin dat zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. De waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.
Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de onroerende zaak gemotiveerd betwist. In beginsel rust op de heffingsambtenaar in dat geval de last aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Slaagt de heffingsambtenaar niet in de op hem rustende bewijslast, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
Voor de fase van hoger beroep heeft de Hoge Raad deze bewijslastverdeling in die zin genuanceerd dat in gevallen waarin de partij die geen hoger beroep heeft ingesteld naar het oordeel van de rechtbank niet is geslaagd in het bewijs met betrekking tot de door haar verdedigde waarde, dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep als gegeven moet worden beschouwd. Die stap uit het hiervoor vermelde beslisschema moet in deze gevallen worden overgeslagen.
Gelet hierop heeft in dit geval de omstandigheid dat heffingsambtenaar geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank tot gevolg dat het Hof hierna als eerste stap zal beoordelen of belanghebbende de door hem voorgestane waarde aannemelijk heeft gemaakt. Bij beantwoording van de vraag of hij daarin slaagt zijn niet alleen de bewijsmiddelen die belanghebbende daartoe aandraagt van belang, maar ook de stukken en stellingen die de heffingsambtenaar ter betwisting daarvan aandraagt.
Tussen partijen is in hoger beroep niet langer in geschil dat de kwaliteit en het onderhoudsniveau van de onroerende zaak, als gevolg van onder meer een vochtprobleem, als ‘ondergemiddeld’ ofwel op een ‘2’ moeten worden gekwalificeerd en dat de door de Rechtbank vastgestelde waarde van € 1.485.000 daarom te hoog is. De enige vraag die partijen in hoger beroep verdeeld houdt, is de vraag welke invloed de mindere kwaliteit en staat van onderhoud op de waarde van de onroerende zaak hebben.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat een correctie van 10% van de zogenoemde prijs per eenheid van de woning op zijn plaats is in verband met de mindere kwaliteit van de woning en een correctie van nog eens 10% in verband met het lagere onderhoudsniveau, hetgeen resulteert in een waarde van € 1.314.000. De heffingsambtenaar stelt daar tegenover dat een waardedruk van twee keer 5% in aanmerking zou moeten worden genomen, hetgeen resulteert in een waarde van € 1.395.000.
Tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval van een correctie van twee keer 10% zou moeten worden uitgegaan. Het Hof wijst er in dit verband op dat belanghebbende op geen enkele wijze heeft toegelicht waarom in dit geval de verschillen in ‘kwaliteit’ en ‘onderhoud’ tussen de onroerende zaak en de door hem aangedragen vergelijkingsobjecten een dermate grote correctie rechtvaardigt. Belanghebbende heeft (gemakshalve) aangesloten bij het percentage dat – en naar het Hof begrijpt ook de vergelijkingsobjecten die – de heffingsambtenaar in eerdere fasen van het geschil heeft toegepast. Dit percentage wordt inmiddels echter door de heffingsambtenaar betwist en niet duidelijk is waarop de heffingsambtenaar dit percentage destijds had gebaseerd.
Nu belanghebbende niet erin is geslaagd de door hem voorgestane waarde aannemelijk te maken en de heffingsambtenaar heeft berust in het oordeel van de Rechtbank dat hij niet is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs, zal het Hof de waarde van de onroerende zaak zelf vaststellen aan de hand van de door partijen in het geding gebrachte bewijsmiddelen. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, zal het Hof de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vaststellen op € 1.350.000.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige grieven tegen de hoogte van de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 aangevoerd. Het Hof zal de aanslag dienovereenkomstig verminderen.
Wegingsfactor
Rechtbank heeft in de uitspraak van 6 december 2024 aan belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend die als volgt is berekend.
Fase
Proceshandelingen
Totaal
Bezwaar
- 2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)
- tarief per punt € 624
- gewicht van de zaak: factor 0,25
€ 312,00
Beroep
- 2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)
- tarief per punt € 875
- gewicht van de zaak: factor 0,25
€ 437,50
Totaal
€ 749,50
In hoger beroep verzet belanghebbende zich uitsluitend tegen de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor van 0,25.
Het Hof stelt voorop dat in het belastingrecht geen steun kan worden gevonden voor een beperkte taakopvatting van de hogerberoepsrechter. Het Hof zal daarom ten volle toetsen of de Rechtbank de juiste gewichtscategorie voor de bezwaar- en de beroepsfase heeft toegepast. Daarbij zal het Hof het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer als uitgangspunt nemen.
De Rechtbank heeft de WOZ-waarde op inhoudelijke gronden verminderd en geoordeeld dat de heffingsambtenaar artikel 40 Wet WOZ heeft geschonden. Hierin ziet het Hof aanleiding om, met toepassing van het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, het gewicht van de zaak als gemiddeld (factor 1) aan te merken.
Berekend naar de tarieven van 2026 dient de totale vergoeding voor de bezwaar- en de beroepsfase als volgt te worden berekend:
Fase
Proceshandelingen
Totaal
Bezwaar
- 2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)
- tarief per punt € 666
- gewicht van de zaak: factor 1
€ 1.332,00
Beroep
- 2 punten (beroepschrift en hoorzitting)
- tarief per punt € 934
- gewicht van de zaak: factor 1
€ 1.868,00
Totaal
€ 3.200,00
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De uitspraak van de Rechtbank is van na 1 januari 2024, zodat artikel 30a, lid 2, Wet WOZ voor de hogerberoepsfase van toepassing is. Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van een bijzonder geval.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 934 x factor 0,25 (artikel 30a, lid 2, Wet WOZ)). Gelet op het bepaalde in 4.14 komt de totale proceskostenvergoeding uit op € 3.667.
6. Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar,
– vermindert de waarde tot € 1.350.000,
– vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.667,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter en lid van de achttiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.